De Drempel van Hermes

Hoofdstuk 10 – Het Verspreid Geheim

De ochtend na het klooster rook naar sinaasappelbloesem en uitlaatgassen.

Ze zaten op het terras van een café aan de Plaza de la Encarnación in Sevilla, onder de buitenaardse paddenstoel van de Metropol Parasol die zijn houten latwerk als een reusachtig wafelpatroon boven het plein uitspreidde. Het was halfelf. De stad was al uren wakker — scooters, toeristen, een vuilniswagen die achteruitrijdend piepte — maar Maarten voelde zich alsof hij vanuit een grote diepte naar het oppervlak was gestegen en nog niet helemaal was aangekomen.

Hij roerde in zijn café con leche zonder te drinken. Op de tafel tussen hen in lagen papieren, zijn laptop, Yara's notitieboek met het groene kaft dat hij inmiddels zo goed kende. Drie pennen. Een uitgeprinte kaart van de Middellandse Zee waarop zeventien punten waren gemarkeerd met rode stift.

Yara zat tegenover hem. Ze droeg een zonnebril die haar ogen verborg, maar de spanning in haar kaak was zichtbaar. Ze had die ochtend weinig gegeten. Een halve tostada, zwarte koffie. Ze was stil geweest in de auto vanuit het bergdorp, stil op het hotel, stil bij het ontbijt. Niet de stille concentratie die hij van haar kende, maar een andere stilte. Die van iemand die iets verwerkt wat niet in woorden past.

We zijn allebei veranderd, dacht Maarten. Gisteren waren we wetenschappers met een hypothese. Vandaag zijn we — wat? Getuigen?

"Ik heb vannacht de kloosterarchieven nog eens doorgenomen," zei Yara. Ze schoof haar zonnebril omhoog in haar haar. Haar ogen waren helder maar vermoeid. "De tekst van abt De Molina. Die passage over de loca ubi mundus tenuis fit."

"Plaatsen waar de wereld dun wordt."

"Ja. Maar er zit een passage onder die ik gisteren te snel heb gelezen." Ze opende haar notitieboek. Haar handschrift, normaal precies en klein, was groter dan anders, alsof haar hand had getrild terwijl ze schreef. "De Molina verwijst naar een oudere bron. Een Arabisch manuscript dat de monniken in de dertiende eeuw hebben overgeschreven. Hij noemt het de Risālat al-Tawzīʿ."

Maarten leunde naar voren. "De brief van de verdeling?"

"Het traktaat van de verspreiding. Of de distributie, als je het moderner wilt vertalen." Yara tikte met haar pen op het notitieboek. "De Molina citeert er drie zinnen uit. De eerste: Het geheim werd niet verborgen maar verspreid, opdat geen enkel volk het geheel zou bezitten."

De woorden bleven hangen boven de tafel, zwaarder dan de Sevillaanse ochtendlucht.

"De tweede," ging Yara verder. "Aan de bouwers van de piramiden werd de steen gegeven. Aan de bewakers van de zee werd de maat gegeven. Aan de herders van het woord werd de sleutel gegeven. En aan de wachters van de aarde werd de toon gegeven."

Maarten voelde hoe de haartjes in zijn nek overeind gingen staan. De bouwers van de piramiden — Egypte. De bewakers van de zee — Kreta, de Minoïsche beschaving. De herders van het woord — de hermetische traditie, de Griekse filosofen, de bewaarders van het Corpus Hermeticum. De wachters van de aarde — de culturen die de geomagnetische kennis bewaarden. Kelten. Megalietbouwers.

"En de derde zin?" Zijn stem was schor.

"Alleen wanneer de stukken weer samenkomen, zal de drempel openbloeien als een roos in de woestijn."

Stilte. Op het plein schreeuwde iemand iets in het Spaans. Een duif landde op de rand van hun tafel en vloog weer op toen Maarten bewoog. De wereld draaide door, onverschillig voor wat er zojuist op dit terras was gezegd.

Het geheim werd niet verborgen maar verspreid.

Maarten pakte de kaart. Zeventien rode punten. Saqqara. Dendera. Knossos. Delphi. Carnac. Newgrange. De grot boven Ronda. Het klooster van gisteren. Punten verspreid over het hele Middellandse Zeegebied en daarbuiten, als spetters van een explosie die duizenden jaren geleden had plaatsgevonden.

"We hebben het de hele tijd verkeerd bekeken," zei hij langzaam. "We zochten naar een systeem. Eén beschaving die al deze locaties kende en verbond. Eén bron van kennis."

"Maar die ene bron bestond niet."

"Nee." Hij legde de kaart neer. "De kennis was opzettelijk gefragmenteerd. Elke beschaving kreeg een stuk. De Egyptenaren begrepen de architectuur — hoe je de steen moest snijden, hoe je de geometrie moest afstemmen op de ondergrond. De Minoïers begrepen de verhoudingen — de wiskundige ratio's die we op Knossos hebben gevonden. De hermetische traditie bewaarde het theoretische kader — de filosofie van de drempel, het als boven, zo beneden. En de megalietculturen in Noord-Europa begrepen de aarde zelf — de breuklijnen, de geomagnetische hotspots, de frequenties."

Yara knikte. Haar ogen glinsterden. "Elk stuk op zichzelf is onschuldig. Interessant, maar niet gevaarlijk. De Egyptische architectuur is architectuur. De Minoïsche wiskunde is wiskunde. De hermetische filosofie is filosofie. De megalietkennis is geologie. Pas als je ze samenvoegt—"

"—krijg je de drempel."

Ze keken elkaar aan. Op het terras om hen heen dronken toeristen sangría en maakten foto's van de Metropol Parasol. Een straatmuzikant speelde flamenco op een gitaar waarvan een snaar vals was. De wereld was normaal. De wereld was ondragelijk normaal.

Maarten stond op en begon te ijsberen langs de rand van het terras. Zijn gedachten draafden, maakten verbanden, braken verbanden af en maakten nieuwe. "Denk aan het Corpus Hermeticum," zei hij. "De teksten die aan Hermes Trismegistus worden toegeschreven. Eeuwenlang beschouwd als filosofisch-religieuze geschriften. Metaforen. Allegorieën. Maar als je ze leest als instructies — als handleiding —"

"Dan zijn ze incompleet," vulde Yara aan. "Ze beschrijven het principe — de eenheid van boven en beneden, de correspondentie tussen macro- en microkosmos — maar niet de techniek. Niet de precieze verhoudingen. Niet de materialen. Niet de locaties."

"Omdat dat niet hun stuk was." Maarten greep de rugleuning van zijn stoel vast. "Het Corpus Hermeticum is de sleutel. Maar een sleutel zonder slot is een stuk metaal. De Egyptische architectuur is het slot. Maar een slot zonder sleutel is een dood mechanisme. De Minoïsche wiskunde is de maat — de specificaties die sleutel en slot op elkaar afstemmen. En de geomagnetische kennis vertelt je waar je het slot moet plaatsen."

"Vier stukken," zei Yara. "Vier beschavingen. Vier fragmenten van één geheel."

"Misschien meer. Misschien zijn er stukken die we nog niet kennen. Maar dit zijn de vier die wij kunnen identificeren." Maarten ging weer zitten. Zijn hart bonkte. "En wij — Yara, wij zijn de eersten in millennia die genoeg stukken bij elkaar hebben om het geheel te zien."

Yara hield haar hoofd schuin. "De Hermesgroep was er ook dichtbij. Brouwer en zijn collega's. Ze hadden de fysica en de geologie. Maar ze misten de architecturale component. Ze begrepen niet dat de bouwers de ruimte bewust afstemden."

"En Van Dijk en Moreau gingen naar een locatie waar de natuurlijke condities zo sterk waren dat de architectuur er niet toe deed. De grot boven Ronda. Puur geologie. Geen menselijke structuur nodig." Maarten dacht aan Brouwers verhaal. Het halfvolle kopje koffie. De lege tent. "Ze hoefden niets te bouwen. De aarde deed het werk zelf."

"Maar ze begrepen het mechanisme niet volledig. Ze hadden geen controle."

"Nee. Omdat ze niet alle stukken hadden."

Yara pakte haar telefoon. "Ik wil Brouwer bellen."

Het duurde vier keer overgaan. Toen klonk de stem van de oude professor, helder en voorzichtig als altijd. Yara zette de telefoon op de luidspreker en legde hem tussen de koffiekopjes.

"Professor, u spreekt met Yara El-Masri. Maarten is bij me."

"Ik luister." Brouwers stem klonk ver weg, alsof hij sprak vanuit de diepte van zijn grachtenpand, omringd door boeken en pijprook en dertig jaar stilte.

"We hebben iets gevonden in het kloosterarchief. Een verwijzing naar een Arabisch traktaat, de Risālat al-Tawzīʿ. De stelling dat de kennis opzettelijk is gefragmenteerd. Verspreid over meerdere beschavingen."

Stilte aan de andere kant van de lijn. Lang genoeg om de gitarist op het plein een heel couplet te laten spelen.

"Professor?"

"Ik ben er nog." Brouwers stem had een andere klank gekregen. Dunner. Kwetsbaarder. "De Risālat. Dat is een naam die ik in dertig jaar niet heb gehoord."

Maarten en Yara wisselden een blik.

"U kent dat manuscript?" vroeg Maarten.

"Van Dijk kende het. Hij heeft er in zijn laatste brief aan mij over geschreven. Drie weken voor hij naar Ronda vertrok. Hij had een kopie gevonden in de Biblioteca Colombina hier in — nou ja, bij u. In Sevilla." Brouwer schraapte zijn keel. "Hij schreef dat het de ontbrekende schakel was. De verklaring waarom de kennis versnipperd was. Waarom geen enkele traditie het hele plaatje had."

"En u hebt dat nooit nagetrokken?" Yara's stem was scherper dan ze bedoelde. Ze temperde zichzelf. "Na alles wat er is gebeurd?"

"Dr. El-Masri." Brouwers stem was mild maar onbuigzaam. "Twee van mijn vrienden zijn verdwenen. Mannen zonder gezicht hebben mij geadviseerd te zwijgen. Ik heb een keuze gemaakt. U mag die keuze veroordelen, maar ik verzoek u haar te respecteren."

Een stilte die zwaar hing als de Sevillaanse middaghitte.

"Mijn excuses, professor," zei Yara.

"Aanvaard. Maar ik zeg u dit, en het is het laatste wat ik erover zal zeggen: Van Dijk was briljant. Briljanter dan ik. Briljanter misschien dan u beiden. En het was niet genoeg. De kennis die jullie nu bij elkaar brengen — de stukken die jullie samenvoegen — dat is precies wat Van Dijk probeerde te doen. En ik weet niet of het hem gered heeft of vernietigd."

De verbinding kraakte. Wind, of een zucht.

"Eén ding nog. Van Dijk had een aantekening gemaakt die ik nooit heb begrepen. In de marge van zijn brief. Eén woord, met een uitroepteken: Spiegeling! Met daaronder: de verspreiding is zelf het bewijs — als boven, zo beneden — de structuur van het geheim weerspiegelt de structuur van het geheim."

De lijn viel stil. Maarten staarde naar de kaart op de tafel. De zeventien rode punten. Verspreid. Gefragmenteerd. Zoals de kennis zelf.

De structuur van het geheim weerspiegelt de structuur van het geheim.

En toen begreep hij het.

"De distributie is het principe," fluisterde hij. Yara keek hem aan. "Het hermetische axioma. Zo boven, zo beneden. Wat op het grote niveau geldt, geldt ook op het kleine. De kennis gaat over eenheid — over de samenhang van alles. En de manier waarop die kennis is bewaard, is zelf een afspiegeling van dat principe. Het geheel is opgedeeld in delen die elk het geheel weerspiegelen. Zoals een hologram. Zoals een fractaal."

"Brouwer, bent u er nog?" vroeg Yara.

"Ik ben er nog." De stem van de oude professor klonk vreemd. Geëmotioneerd, bijna. "Dat is wat Van Dijk bedoelde. Mijn God. Na dertig jaar. Dat is wat hij bedoelde."

"Elke beschaving had een fragment," ging Maarten verder, en de woorden kwamen nu sneller dan hij ze kon ordenen, "maar elk fragment bevat in zichzelf een echo van het geheel. De Egyptische architectuur is niet zomaar een bouwtechniek — de verhoudingen in de piramiden weerspiegelen de kosmische verhoudingen die de hermetici beschreven. De Minoïsche wiskunde is niet zomaar meetkunde — het zijn dezelfde ratio's die de aarde zelf gebruikt in haar magnetische patronen. De geomagnetische kennis wijst naar dezelfde plekken die in de hermetische teksten als heilig worden beschreven. Alles verwijst naar alles."

"Een web," zei Yara. "Geen ketting met losse schakels. Een web waarin elke draad informatie over het geheel bevat."

"Precies. En daarom konden wij het reconstrueren. Omdat de fragmenten redundant zijn. Elk stuk bevat genoeg verwijzingen naar de andere stukken om het geheel te benaderen. Het is een foutcorrigerend systeem. Ontworpen om te overleven." Maarten greep zijn hoofd vast. "Wie heeft dit ontworpen?"

"Dat," zei Brouwer, en zijn stem was nu niet meer dan een fluistering over de luidspreker, "is de vraag die Van Dijk niet meer heeft kunnen beantwoorden."

De verbinding werd verbroken. Of Brouwer hing op. Het verschil was niet duidelijk.

Ze bleven een halfuur zitten zonder te spreken. Maarten schreef. Yara tekende diagrammen in haar notitieboek — verbindingslijnen tussen de culturen, pijlen die kruisten en overlappen, een spiraal die steeds kleiner werd tot hij een punt was. De ober kwam twee keer vragen of ze nog iets wilden. Ze bestelden water dat ze niet opdronken.

Toen Maarten opkeek van zijn aantekeningen, zag hij de man.

Hij zat drie tafels verderop. Donker haar, kortgeknipt. Een lichtgrijs linnen pak dat te netjes was voor een toerist en te onopvallend voor een zakenman. Hij dronk een espresso en las een krant — El País, de cultuurkatern — maar zijn ogen bewogen niet over de pagina. Ze stonden stil. Gericht.

Op ons.

Maarten dwong zichzelf niet te staren. Hij boog zich naar Yara toe alsof hij iets op haar notitieboek wilde aanwijzen.

"Drie tafels links. Grijs pak. Niet bewegen."

Yara's hand stopte met tekenen, maar haar hoofd bewoog niet. Ze had de discipline van iemand die aan veldwerk in politiek gevoelige gebieden gewend was. "Hoe lang al?"

"Ik weet het niet. Ik zag hem net pas."

"Misschien is het niets."

"Misschien."

Maar Maarten dacht aan Brouwers woorden. Er zijn mensen die liever niet hebben dat deze kennis verspreid wordt. En aan Bakker van Europol, aan de zeven verdwenen onderzoekers, aan de mannen zonder visitekaartjes die in 1984 bij Brouwer en Hoekstra hadden aangebeld.

De man in het grijze pak vouwde zijn krant op. Hij legde een biljet op de tafel — hij wachtte niet op wisselgeld — en stond op. Hij liep het plein over zonder achterom te kijken. Zijn tred was regelmatig, beheerst, onopvallend. Het soort lopen van iemand die getraind is om niet op te vallen.

Bij de trap naar de ondergrondse parkeergarage draaide hij zijn hoofd een fractie. Niet naar hen. Naar iets of iemand aan de overkant van het plein. Een gebaar zo subtiel dat je het miste als je niet keek.

Maarten keek. Aan de overkant, bij een kraam met ansichtkaarten, stond een vrouw met donker haar en een beige regenjack. Ze was bezig een kaart te bekijken. Ze keek niet op.

"We gaan," zei Yara. Ze stopte haar notitieboek in haar tas met een beweging die er nonchalant uitzag maar het niet was. "Nu. Zonder haast."

Ze betaalden. Ze liepen over het plein in de richting van de Calle Sierpes, langzaam, als toeristen die nergens heen hoefden. Maarten voelde het onbehagen als een gewicht tussen zijn schouderbladen, precies op de plek waar je het voelt als iemand naar je kijkt.

"Denk je dat het verband houdt met de verdwijningen?" vroeg hij zacht.

"Ik denk dat het verband houdt met het feit dat wij in het Vaticaanarchief zijn geweest, in een Andalusisch klooster hebben rondgeneusd, en nu op een terras in Sevilla luidkeels de structuur van een drieduizend jaar oud geheim zitten te reconstrueren." Yara's stem was droog maar haar kaakspieren waren gespannen. "We zijn niet bepaald discreet geweest."

Ze namen een taxi naar het hotel. Yara gaf de chauffeur een adres dat twee straten verderop lag. Ze liepen het laatste stuk door een steegje dat zo smal was dat de balkons aan weerszijden elkaar bijna raakten. Wasgoed hing als vlaggen boven hun hoofd. Een kat keek hen na vanuit een vensterbank.

Op het hotel pakte Maarten zijn laptop en begon alles te documenteren. Niet in een Word-bestand — in een versleuteld notitieprogramma dat hij normaal alleen voor tentamengegevens gebruikte. Hij typte snel, de adrenaline nog in zijn vingers.

De verspreide kennis — vier (of meer) fragmenten:

1. Architecturaal (Egypte): oriëntatie, materiaal, geometrie van de structuur. HOE je bouwt.
2. Mathematisch (Minoïsch/Kreta): verhoudingen, ratio's, harmonieën. De MAAT van het bouwsel.
3. Filosofisch/theoretisch (Hermetisch): het principe, het kader, de sleutel. WAAROM het werkt.
4. Geofysisch (Megalietculturen): de aarde zelf. De locaties, de frequenties, de resonantie. WAAR je bouwt.

Elk fragment bevat echo's van de andere drie. Holografisch principe. De structuur van de bewaring weerspiegelt de structuur van de kennis zelf.

Vraag: wie heeft dit ontworpen? Welke beschaving of instantie beschikte over het geheel en besloot het te verdelen? En waarom?

Hij staarde naar het scherm. De cursor knipperde. Achter hem hoorde hij Yara bellen — met Oxford, met haar assistent, in een staccato van Engels en Arabisch dat hij niet helemaal kon volgen. Ze regelde iets. Vluchten. Toegang tot een bibliotheek. Hij hoorde het woord Colombina.

"Maarten." Ze legde haar telefoon neer. "De Biblioteca Colombina. Waar Van Dijk de Risālat heeft gevonden. Die is hier. In Sevilla. Naast de kathedraal."

Hij draaide zich om. "Nu?"

"Nee. We gaan terug naar Leiden. Eerst." Ze ging op de rand van het bed zitten en wreef met beide handen over haar gezicht. Toen ze opkeek, zag hij de uitputting die ze de hele ochtend had verborgen. "We moeten alles wat we hebben ordenen. De kloostergegevens, de Vaticaanteksten, Weizenbaums metingen, onze eigen bevindingen van de zeventien sites. En we moeten het op een veilige plek opslaan. Niet op een laptop die gestolen kan worden."

"Je bent bang."

"Ik ben voorzichtig. Er is een verschil." Ze stond op en liep naar het raam. Beneden lag een binnenplaats met een sinaasappelboom en een fontein die niet werkte. "Maarten, denk na over wat we net hebben ontdekt. Als het klopt — als de kennis echt opzettelijk is verdeeld over meerdere beschavingen — dan heeft iemand, ooit, besloten dat geen enkel volk dit in zijn geheel mocht bezitten. Dat is geen toeval. Dat is een veiligheidsmaatregel."

"Een veiligheidsmaatregel tegen wat?"

Ze draaide zich om. "Tegen precies wat wij nu aan het doen zijn. Het weer samenvoegen."

De woorden bleven in de hotelkamer hangen als de geur van sinaasappelbloesem die door het open raam naar binnen dreef. Maarten dacht aan de drempel in het klooster. Aan de verschuiving in zijn waarneming. Aan het gevoel — overweldigend, onweerstaanbaar — dat de werkelijkheid breder was dan hij ooit had vermoed.

En hij dacht aan Broeder Tomás, die naar beneden was gegaan en niet was teruggekomen.

"Misschien hadden ze gelijk," zei hij zacht. "Degenen die het hebben verspreid. Misschien was het te gevaarlijk als geheel."

"Misschien." Yara pakte haar koffer en begon te pakken. Haar bewegingen waren efficiënt, militair bijna. "Maar wij hebben de stukken nu. We kunnen niet doen alsof we ze niet hebben. De vraag is niet of we doorgaan. De vraag is hoe we doorgaan zonder dezelfde fouten te maken als Van Dijk."

Zonder te verdwijnen, dacht Maarten. Hij zei het niet hardop.

De vlucht van Sevilla naar Amsterdam ging via Madrid. Op Schiphol was het gaan regenen — natuurlijk was het gaan regenen, dit was Nederland in het voorjaar — en terwijl ze door de aankomsthal liepen voelde Maarten het contrast als een fysieke schok. De fluorescentie. Het gemompel van duizenden stemmen. De geur van koffie en desinfectiemiddel en natte jassen. Alles was gewoon. Alles was precies zoals het hoorde te zijn. En toch voelde het alsof hij een film bekeek over iemand anders zijn leven.

In de trein naar Leiden zat Yara naast het raampje. Het vlakke land schoof voorbij — weilanden, sloten, koeien die onbewogen in de regen stonden. Ze had haar laptop open en scrollde door bestanden. Maarten keek naar haar profiel — de scherpe lijn van haar neus, de donkere wimpers, de frons die ze altijd trok als ze concentreerde — en dacht aan hoe vreemd het was dat deze vrouw, die hij een paar weken geleden nog niet kende, nu de enige persoon ter wereld was die begreep wat hij had meegemaakt.

"Ik moet Lotte bellen," zei hij plotseling.

Yara keek op. "Je dochter."

"Ja. Ik heb haar vier dagen niet gesproken. Ze — ze stuurt berichten, maar ik heb niet gereageerd." Hij voelde een steek van schuldgevoel die scherper was dan verwacht. "Ze moet zich afvragen waar ik mee bezig ben."

"Bel haar."

Hij belde. Lotte nam op bij de derde keer overgaan, met die stem die zestienjarigen reserveren voor ouders die bellen op ongelegen momenten — een mengeling van ongeduld en verborgen opluchting.

"Pap. Je leeft nog."

"Sorry, Lot. Ik was in Spanje. Voor werk."

"Mam zei dat je weer achter oude stenen aan zat." Het sarcasme was mild. Vertrouwd. "Heb je iets leuks gevonden?"

Ik heb de structuur van de werkelijkheid voelen verschuiven in een kelder onder een klooster. Ik heb ontdekt dat een drieduizend jaar oud geheim opzettelijk is verspreid over vier beschavingen. Iemand volgt ons.

"Een paar interessante manuscripten," zei hij. "Ik vertel je er een keer over."

"Nerd." Maar ze zei het met een glimlach, hij hoorde het. "Wanneer kom je?"

"Dit weekend. Zaterdag. Ik haal je op."

"Oké. Maar je moet eten meenemen. Echte croissants, niet die dingen van de Albert Heijn."

"Afgesproken."

Hij hing op. Het schuldgevoel was niet verdwenen maar het was draaglijker nu. Lotte was er. Lotte was gewoon. Lotte was een anker in een wereld die steeds minder vast leek.

Yara had meegeluisterd zonder te luisteren, op de manier waarop je in een trein de gesprekken om je heen registreert zonder ze te volgen. Ze keek niet op van haar laptop.

"Er is iets," zei ze toen hij zijn telefoon wegstopte. Haar stem had de toon die hij inmiddels herkende — de toon van een ontdekking die zich nog aan het vormen was. "Ik heb de coördinaten van onze zeventien sites geplot op de geomagnetische data van Weizenbaum. En ik heb er de datering van de structuren naast gelegd."

"En?"

"Ze zijn niet willekeurig verspreid, Maarten. De verdeling volgt een patroon. De oudste sites — Saqqara, het pre-Minoïsche Knossos — liggen het dichtst bij de sterkste geomagnetische anomalieën. De jongere sites — het klooster in Andalusië, de Keltische structuren in Bretagne — liggen op zwakkere punten. Alsof de bouwers van de latere structuren moesten compenseren voor een zwakker natuurlijk signaal."

"Met betere architectuur."

"Precies. Hoe zwakker de geologische basis, hoe geraffineerder de structuur. Het klooster in Andalusië — de Romeinen en later de monniken hebben lagen van constructie toegevoegd, elk afgestemd op de resonantie. Saqqara had dat niet nodig. De aarde deed het werk daar zelf."

"Dus de architecturale kennis werd ontwikkeld als compensatie. Als de natuur minder gaf, moest de mens meer bouwen."

"En dat verklaart waarom de Egyptenaren de beste bouwers waren. Ze werkten op de sterkste locaties en konden de principes het zuiverst bestuderen. De Minoïers, op iets zwakkere locaties, verfijnden de wiskunde. En de megalietculturen, op de zwakste locaties in Noord-Europa, moesten de aarde zelf begrijpen om de schaarse natuurlijke punten te vinden."

Maarten voelde hoe het beeld zich vormde, helder en onvermijdelijk als een wiskundige bewijsvoering. "Vier beschavingen. Vier fragmenten. Niet door toeval. Door noodzaak. Elke cultuur ontwikkelde het aspect van de kennis dat haar omgeving vereiste."

"En iemand — of iets — zorgde ervoor dat ze de andere aspecten niet kregen. Dat de stukken gescheiden bleven."

De trein reed Leiden binnen. De Pieterskerk doemde op achter de daken, donker en oud en onverstoorbaar. Maarten keek ernaar en dacht aan alle kerken, tempels, piramiden en dolmens die hij in zijn leven had gezien. Allemaal fragmenten. Allemaal stukken van een puzzel die niemand in zijn geheel had mogen zien.

Tot nu.

Ze namen een taxi naar de universiteit. Maartens kantoor aan het Rapenburg was zoals hij het had achtergelaten — stapels tijdschriften, een halfvolle koffiekop op het bureau, het uitzicht op de gracht waar nu een rondvaartboot doorheen voer die te breed was voor het water. Het was vertrouwd en het was vreemd, zoals een huis vreemd is na een lange reis.

Yara trok een stoel bij en spreidde haar materiaal uit op het bureau. Twee laptops. Drie notitieboeken. De uitgeprinte kaart, nu met aantekeningen in de marges. Kopieën van de Vaticaanteksten. Foto's van de kloosterarchieven.

"We moeten een matrix maken," zei ze. "Elke site. Elk kennisfragment. Elke cultuur. We moeten zien waar de overlappen zitten. Waar de echo's zijn — de plekken waar één fragment verwijst naar een ander."

Ze werkten tot het donker werd. Het was het soort werk waar Maarten van hield — systematisch, gedisciplineerd, elk gegeven op zijn plaats — maar met een ondertoon van urgentie die hij niet van zijn normale onderzoek kende. De matrix groeide. Kolommen voor de sites, rijen voor de kenmerken, kleuren voor de culturen. Paars voor Egypte. Blauw voor Kreta. Groen voor de hermetische traditie. Oranje voor de megalietkennis.

En overal overlappen. Overal echo's. De piramide van Saqqara — primair architecturaal, maar de verhoudingen bevatten Minoïsche ratio's die pas in de negentiende eeuw als zodanig werden herkend. Het Corpus Hermeticum — primair filosofisch, maar met verwijzingen naar geologische fenomenen die pas met moderne instrumenten meetbaar zijn. De megalieten van Carnac — primair geofysisch, maar de schikking volgt een geometrie die overeenkomt met de plattegronden van Dendera.

Alles verwijst naar alles.

Om negen uur 's avonds leunde Yara achterover in haar stoel. De TL-buizen in het plafond wierpen een vlak, wit licht over het bureau. Buiten was het donker en stil. De gracht glinsterde zwart.

"We hebben genoeg," zei ze. "Om terug te gaan naar de Colombina. Om de Risālat te vinden — het volledige manuscript, niet alleen de citaten van De Molina. Maar dat is voor later." Ze keek hem aan. "Maarten, wat we vandaag hebben begrepen — de bewuste verspreiding, het holografische principe, het feit dat elk fragment het geheel weerspiegelt — dat verandert alles. Dit is niet meer een academische puzzel. Dit is een veiligheidssysteem dat duizenden jaren heeft gewerkt. En wij zijn het aan het kraken."

"Of het kraakt zichzelf," zei Maarten. Hij dacht aan Brouwers woorden, maanden geleden, in het grachtenpand aan de Herengracht. Ofwel bent u buitengewoon goed — ofwel het wil gevonden worden.

"Dat is een oncomfortabele gedachte."

"De meeste ware gedachten zijn oncomfortabel."

Yara glimlachte. Het was de eerste keer die dag. Het deed hem goed, die glimlach — een kort, menselijk moment in een dag die grotendeels bovenmenselijk had gevoeld.

Ze vertrok om halfelf. Een taxi naar het station, dan de trein naar Schiphol, dan een vlucht naar Oxford in de ochtend. Ze zouden contact houden. Ze zouden de matrix aanvullen. Ze zouden terugkeren naar Sevilla, naar de Colombina, naar het manuscript dat Van Dijk dertig jaar geleden had gevonden en dat misschien de laatste aanwijzing bevatte.

Maarten bleef alleen achter in zijn kantoor. De stapels tijdschriften. Het uitzicht op de donkere gracht. De halfvolle koffiekop die nu een droge bruine ring was op het porselein.

Hij opende zijn laptop en bekeek de matrix opnieuw. Zeventien punten. Vier kleuren. Honderden verbindingslijnen. Het zag eruit als een constellatie — een sterrenkaart van een hemel die niemand kon zien.

Zo boven, zo beneden, dacht hij. De oudste waarheid. Het patroon aan de hemel is het patroon in de aarde. Het patroon in de kennis is het patroon in de werkelijkheid. De structuur van het geheim is het geheim zelf.

Zijn telefoon lichtte op. Een bericht van een onbekend nummer. Geen tekst. Alleen een foto.

Het was een foto van hemzelf en Yara, genomen die ochtend, op het terras in Sevilla. Ze zaten tegenover elkaar, de kaart tussen hen in, de rode punten duidelijk zichtbaar. De foto was genomen vanuit een hoek die overeenkwam met — Maarten voelde zijn maag samentrekken — de positie van de man in het grijze pak.

Geen bericht. Geen dreiging. Geen uitleg. Alleen het bewijs dat iemand had toegekeken. Dat iemand wist wat ze hadden, wist waar ze waren, wist hoe dicht ze bij het geheel kwamen.

Maarten staarde naar de foto. Zijn hart bonkte in zijn keel. Buiten gleed een roeiboot geruisloos over de gracht, het geluid van de riemen gedempt door de nacht.

Het veiligheidssysteem werkt nog, dacht hij. Na drieduizend jaar. Iemand bewaakt de fragmenten. Iemand zorgt ervoor dat de stukken gescheiden blijven.

En wij zijn ze aan het samenvoegen.

Hij sloot de laptop. Hij deed het licht uit. In het donker van zijn kantoor, met het zwakke schijnsel van de straatlantaarns langs het Rapenburg, bleef hij zitten en luisterde naar de stilte.

Het was een gewone stilte. Leiden. Najaar. Een universiteitsgebouw na werktijd.

Maar ergens daaronder, als een onderstroom die hij nu kon voelen omdat hij wist dat ze er was, pulseerde iets anders. Iets ouds. Iets geduldig. De echo van een kennis die verspreid was over continenten en millennia, en die nu, langzaam, stuk voor stuk, weer bij elkaar werd gebracht.

De drempel was geen plek. De drempel was een staat. En de weg ernaartoe was niet verborgen.

Hij was verspreid.