De Drempel van Hermes
Hoofdstuk 11 β De Bewakers
Het rook naar koffie in het trappenhuis. Niet de goede soort β niet de verse, donkere geur van versgemalen bonen β maar de institutionele variant, het aroma van een apparaat dat al jaren dezelfde waterige oploskoffie produceerde en dat niemand ooit schoonmaakte. Het was de geur van de universiteit. De geur van maandagochtend.
Maarten nam de trap naar de tweede verdieping van het Archeologisch Instituut aan het Rapenburg. De lift deed het weer niet, of nog steeds niet, en hij was te moe om zich er druk over te maken. Zijn koffer stond nog in de gang van zijn appartement, onuitgepakt, met het stof van Andalusie nog op de wielen. Hij had slecht geslapen. Drie uur misschien, met dromen die hij zich niet herinnerde maar die een onrustige schaduw hadden achtergelaten, als een vlekje in de hoek van zijn blikveld dat verdween zodra hij er recht naar keek.
De gang was verlaten. Halfnegen op een maandagochtend β de meeste collega's begonnen om negen, sommigen later, en de studenten kwamen pas rond tienen tot leven. Hij kende deze gang op elk uur van de dag. De kale tl-buizen die het linoleum de kleur van oud gebit gaven. De prikborden met vergeelde aankondigingen voor conferenties die al maanden voorbij waren. De geur van stof en verwarming en oud papier. Het was vertrouwd. Het was veilig. Het was het decor van een leven dat hij begreep.
Begreep.
Hij haalde zijn sleutels tevoorschijn en stak de juiste in het slot van kamer 2.14. Draaide. Het mechanisme klikte open zoals het dat al vijftien jaar deed. Hij duwde de deur open en reikte naar de lichtschakelaar zonder te kijken, de beweging zo automatisch als ademhalen.
Het licht sprong aan. Zijn kantoor. Zijn boeken, zijn bureau, zijn twee monitoren, de plant op de vensterbank die hij al drie keer had vervangen zonder dat iemand het verschil opmerkte. De ingelijste kaart van de Peloponnesos aan de muur. Het uitzicht op het Rapenburg, de lindebomen die in dit seizoen kaal stonden als botten.
Alles was zoals het hoorde te zijn.
Bijna.
Het duurde drie stappen. Drie stappen het kantoor in, zijn jas al half uit, zijn tas op weg naar de stoel, toen zijn lichaam stopte voordat zijn bewuste geest begreep waarom. Het was een reflex β hetzelfde instinct dat je laat bevriezen als je in een bos iets hoort wat er niet hoort te zijn. Geen geluid. Geen beweging. Iets subtielers. Iets wat zat in de manier waarop het licht op de oppervlakken viel, in de geometrie van de dingen, in de onzichtbare orde die elke ruimte heeft wanneer hij lang genoeg door dezelfde persoon wordt bewoond.
Er is iemand in mijn kantoor geweest.
De gedachte was er, volledig gevormd, voordat hij het bewijs had. Hij stond stil en liet zijn blik langzaam door de ruimte gaan. Systematisch. Zoals hij een opgraving zou benaderen β niet zoekend naar het opvallende, maar naar het afwijkende.
De bureaulade. De bovenste. Die was niet helemaal dicht. Een millimeter, misschien twee, maar genoeg. Hij sloot zijn laden altijd. Niet uit dwangmatigheid maar uit gewoonte, de gewoonte van iemand die in kleine ruimtes werkte waar een openstaande la betekende dat je er met je heup tegenaan stootte.
De stapel tijdschriften op de hoek van het bureau. Antiquity, Journal of Mediterranean Archaeology, het laatste nummer van Hesperia. Ze lagen in de juiste volgorde. Maar ze lagen niet op de juiste plek. Ze waren verschoven, een centimeter naar links, en de hoeken waren te netjes uitgelijnd. Alsof iemand ze had opgetild, eronder had gekeken, en ze vervolgens had teruggelegd met net iets meer zorg dan Maarten zelf ooit zou besteden aan het ordenen van ongelezen tijdschriften.
De dossierkast achter zijn bureau. De sleutel zat erin β hij liet die altijd zitten, een slechte gewoonte die hij nooit had afgeleerd omdat er niets in zat wat de moeite van het stelen waard was. Of dat had hij altijd gedacht. De sleutel stond nu iets scheef. Een andere hoek dan waarin hij hem had achtergelaten.
Maarten legde zijn jas neer en liep naar de dossierkast. Trok de bovenste la open. Mappen, dossiers, kopieeen van artikelen. Alles was er. Niets ontbrak. Maar de mappen stonden niet in de volgorde die hij hanteerde β niet alfabetisch, niet chronologisch, maar zijn eigen systeem, een combinatie van relevantie en frequentie van gebruik die voor niemand anders logisch zou zijn. De map over de Minoische architectuurverhoudingen stond nu achter die over Griekse tempelorientatie, terwijl die ervoor had gestaan.
Iemand heeft alles gelezen en alles teruggelegd. Zorgvuldig. Maar niet zorgvuldig genoeg.
Zijn computer. Hij ging zitten en raakte de muis aan. Het scherm lichtte op. Het inlogscherm verscheen, normaal, vertrouwd, het logo van de universiteit in blauw en wit. Maar toen hij inlogde en zijn bestanden opende, zag hij het. De map 'Onderzoek' was geopend op zondag om 03:47. Hij was zaterdag vertrokken uit Malaga. Zondag om 03:47 had hij in zijn bed gelegen in zijn appartement aan de Hooigracht, slapend of proberend te slapen.
Iemand had zijn wachtwoord.
De koude die door hem heen trok had niets te maken met de temperatuur van het kantoor. Het was een ander soort koude β de koude van het besef dat de muren van je veilige wereld dunner zijn dan je dacht. Loca ubi mundus tenuis fit. Plaatsen waar de wereld dun wordt. Maar dit was geen mystieke verdunning. Dit was concreet. Iemand had in zijn stoel gezeten, zijn laden opengetrokken, zijn bestanden gelezen, zijn papieren doorbladerd. Iemand had zijn ruimte betreden en alles aangeraakt wat van hem was.
Het voelde als een schending. Niet dramatisch, niet gewelddadig, maar met de stille obsceniteit van een inbraak waar niets wordt meegenomen β waar de indringer je alleen laat weten dat hij er is geweest.
Hij duwde zijn stoel naar achteren en stond op. Liep door het kantoor. Controleerde de ramen β dicht, op slot, geen tekenen van forcering. De deur had geen schade. Wie hier was geweest, had een sleutel gehad, of iets wat beter werkte dan een sleutel.
Toen zag hij het.
Op zijn bureau, naast het toetsenbord, precies in het midden van de lege ruimte die hij altijd vrijhield voor het notitieboek dat hij bij zich droeg. Een visitekaartje.
Hij had het bijna gemist. Het was klein, niet groter dan standaard, en het lag zo precies gepositioneerd dat het eruitzag alsof het er hoorde. Alsof het altijd al deel had uitgemaakt van de inventaris van zijn bureau.
Maarten pakte het op.
Het karton was zwaar. Niet het dunne, gladde spul van een drukker om de hoek, maar dik, ruw papier met een textuur die deed denken aan handgeschept perkament. Cremewit, met een subtiele warmte. In het midden, gedrukt in een donker lettertype dat tegelijkertijd modern en tijdloos aandeed β geen serif, geen schreefloos, iets daartussenin dat hij niet kon thuisbrengen β stond een naam:
Victor Asselbergs
Daaronder, in een kleiner corps, een telefoonnummer. Tien cijfers. Geen adres. Geen functietitel. Geen bedrijfsnaam. Geen e-mailadres. Geen website. Alleen de naam en het nummer, met de zelfverzekerde soberheid van iemand die ervan uitgaat dat je weet wie hij is.
Maarten draaide het kaartje om. De achterkant was leeg.
Hij legde het neer. Pakte het weer op. Legde het weer neer. Zijn vingers trilden licht en hij haatte zichzelf erom.
Victor Asselbergs.
De naam zei hem niets. En tegelijkertijd β ergens in de halfbewuste lagen van zijn geheugen, in het deel dat namen en gezichten en contexten opslaat zonder dat je het vraagt β bewoog iets. Een herinnering aan een herinnering. Een naam die hij ergens had gelezen, of gehoord, of gezien, in een context die hij niet kon plaatsen.
Hij ging achter zijn computer zitten en opende de browser. Typte de naam in het zoekveld. Enter.
De resultaten verschenen als een cascade van respectabiliteit.
Victor Asselbergs. Zakenman. Filantroop. Bestuurslid van het Rijksmuseum, het Mauritshuis, de Koninklijke Bibliotheek. Voorzitter van de Stichting Cultureel Erfgoed Nederland. Mecenas van talloze archeologische expedities β Maarten las de lijst en voelde zijn maag samentrekken β in Griekenland, Egypte, Turkije, Spanje. Precies de landen. Precies de regio's.
Er waren foto's. Gala's, openingen, ceremonies. Een man van midden zestig, misschien ouder, met zilvergrijs haar dat perfect gekapt was en een gezicht dat het midden hield tussen patricisch en predatoirisch. Hoge jukbeenderen. Een rechte neus. Ogen die op elke foto hetzelfde deden: ze keken naar de camera met de kalme, onbewogen blik van iemand die het vertrek bezit waar de foto wordt genomen.
Op een van de foto's stond hij naast de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Op een andere naast de directeur van het Louvre. Op een derde, gedateerd 2019, schudde hij de hand van de paus β niet als toerist in een menigte, maar in een privekamer, als gelijken, met op de achtergrond een schilderij dat Maarten herkende als een Caravaggio die officieel in het depot hing.
Wie ben je?
Hij ging dieper. De bedrijfsstructuur achter Asselbergs was een labyrint van stichtingen, holdingmaatschappijen en trusts dat zich uitstrekte over Nederland, Zwitserland, Luxemburg en de Kanaaleilanden. De Asselbergs Foundation β geregistreerd in Liechtenstein β had in de afgelopen twee decennia meer dan tweehonderd miljoen euro gedoteerd aan culturele en wetenschappelijke instellingen. Musea. Universiteiten. Onderzoeksgroepen.
Maarten klikte door de lijst van begunstigden. Zijn mond werd droog.
De afdeling Mediterrane Archeologie van de Universiteit van Cambridge. Het Instituut voor Klassieke Studies in Athene. Het archeologisch veldwerkprogramma van de Universiteit van Bologna.
Bologna. Waar de Italiaanse architectuurhistorica had gewerkt. De vrouw over wie Broeder Herrera in Rome had verteld β zij die een artikel had gepubliceerd dat binnen een week was ingetrokken. Zij die nu lesgaf op een middelbare school en weigerde over het onderwerp te spreken.
Asselbergs financierde de instellingen waar de mensen werkten die naar de drempels hadden gezocht. Hij financierde de expedities naar de plekken waar de drempels lagen. Hij zat in de besturen die bepaalden welk onderzoek werd gedaan en welk onderzoek werd gestopt.
Hij zit overal. Als een spin in een web dat zo groot is dat je het web niet ziet.
Maarten leunde achterover in zijn stoel. Buiten klonk het geluid van fietsbellen en stemmen β studenten die over het Rapenburg liepen, op weg naar college, op weg naar een wereld die logisch was en overzichtelijk en die niet doordrenkt was van het besef dat iemand je kantoor was binnengekomen terwijl je sliep.
Hij pakte zijn telefoon. Scrollde door zijn contacten. Yara.
De telefoon ging drie keer over. Vier keer. Vijf keer. Hij stond op het punt om op te hangen toen ze opnam.
"Maarten." Haar stem klonk anders. Vlak. Gecontroleerd. De stem van iemand die zorgvuldig kiest wat ze zegt.
"Yara, er is iets gebeurd. Mijn kantoorβ"
"Ik weet het."
Stilte.
"Hoe bedoel je, je weet het?"
"Mijn hotelkamer in Oxford. Gisteravond, toen ik ging eten. Iemand is binnen geweest." Ze pauzeerde. "Niets gestolen. Alles doorzocht. Mijn laptop stond op een andere plek. Mijn aantekeningen lagen in een andere volgorde."
Maarten sloot zijn ogen. Natuurlijk. Ze heeft het ook.
"Lag er een visitekaartje?"
De stilte aan de andere kant duurde drie seconden. "Hoe weet je dat?"
"Victor Asselbergs."
"Victor Asselbergs," herhaalde ze. "Zwaar karton. Duur. Alleen een naam en een nummer."
"Ja."
"Ik heb hem opgezocht," zei Yara. Haar stem was nu zachter, bijna fluisterend, en Maarten merkte dat hij automatisch hetzelfde deed, dat hij zijn stem liet dalen alsof de muren luisterden. Misschien deden ze dat ook. "Hij financiert alles, Maarten. Alles waar wij onderzoek naar doen. Elke instelling, elk project, elke expeditie. En hij doet het al twintig jaar. Misschien langer."
"Ik weet het. Ik heb het net ontdekt."
"Er is meer. Ik heb de naam voorgelegd aan een collega hier in Oxford, iemand die in kunstgeschiedenis zit en veel met private financiers werkt. Ze werd bleek. Ze zei: 'Daar praat je niet over.' Niet 'die ken ik niet.' Niet 'nooit van gehoord.' Maar: 'Daar praat je niet over.' Alsof het een regel was die iedereen kende behalve ik."
Maarten keek naar het visitekaartje op zijn bureau. Het lag daar met de onschuldige rust van een object dat weet dat het niet hoeft te schreeuwen om gehoord te worden.
"Het is een boodschap," zei hij.
"Natuurlijk is het een boodschap."
"Maar wat voor boodschap? Een dreigement? Een uitnodiging?"
Yara dacht na. Hij hoorde haar ademhaling, de zachte ruis van de verbinding, en daarachter de geluiden van Oxford β kerkklokken, verkeer, het gemurmel van een wereld die doorging alsof niets van dit alles bestond.
"Beide," zei ze uiteindelijk. "Het is een hand die wordt uitgestoken. Maar het is een hand die je laat zien hoeveel sterker hij is dan de jouwe."
"Ik ga Bakker bellen."
"Ja. Dat wilde ik ook voorstellen."
"Yara β bel me niet meer op dit nummer. Niet totdat we weten hoe ver dit gaat." De woorden klonken paranoide in zijn eigen oren. Zes weken geleden zou hij zichzelf hebben uitgelachen. Zes weken geleden was hij een universitair docent die zich zorgen maakte over collegerosters en impactfactoren.
"Begrepen," zei Yara. Ze hing op zonder gedag te zeggen. Dat was nieuw. Dat was ook een teken.
Maarten staarde naar zijn telefoon. Het scherm ging op zwart en reflecteerde zijn gezicht β moe, bleek, met kringen onder zijn ogen die hij op de gang in het spiegelende glas niet had opgemerkt. Hij dacht aan de foto's op zijn telefoon. De zevenentwintig opnames van het manuscript in het Vaticaan. Als zijn kantoor was doorzocht, als zijn computer was geopend β hadden ze ook zijn telefoon gehad? Was dat mogelijk? Had hij zijn telefoon die nacht bij zich gehad?
Ja. Op het nachtkastje. Naast zijn bed.
Maar hoe moeilijk was het om een telefoon op afstand te compromitteren? Hij was geen expert, maar hij wist genoeg om te weten dat het antwoord was: niet heel moeilijk, als je de middelen had. En Asselbergs had middelen. Tweehonderd miljoen aan donaties was wat je kon zien. Wat je niet kon zien was per definitie meer.
Hij legde de telefoon op het bureau en keek ernaar alsof het een voorwerp was dat hij voor het eerst zag. Een klein, rechthoekig apparaat dat alles wist. Zijn e-mails. Zijn foto's. Zijn locatie. Elk gesprek dat hij had gevoerd, elke website die hij had bezocht, elke zoekopdracht die hij had ingetypt. Als iemand toegang had tot zijn telefoon, had die persoon toegang tot zijn hele leven.
En misschien is dat precies wat ze willen dat je voelt.
Die gedachte β helder, rationeel, als een hand die hem bij zijn schouder greep β stopte de spiraal. Hij haalde adem. Dacht na. De inbraak was professioneel maar niet onzichtbaar. Het visitekaartje was geen vergissing. Het was een keuze. Wie dit had gedaan, had het op deze manier gedaan met een reden.
Ze wilden dat je het merkte. Ze wilden dat je de naam vond. Ze wilden dat je ging zoeken en ontdekte wie Asselbergs is en hoe groot zijn bereik is. Ze wilden dat je precies dit voelde β deze hulpeloosheid, deze paranoia, dit besef dat je wereld niet zo veilig is als je dacht.
Maar ze wilden ook dat je het nummer vond.
Hij pakte het visitekaartje weer op. Draaide het tussen zijn vingers. Het karton was zo zwaar dat het nauwelijks boog. Het telefoonnummer staarde hem aan β tien cijfers, zwart op creme, zo neutraal als een wiskundige formule.
Bel me, zei het kaartje. Bel me, want we moeten praten.
Maar hij belde Asselbergs niet. Nog niet. Eerst Bakker.
Het nummer van de commissaris stond in zijn telefoon onder 'Bakker Europol' β een codering die, besefte hij nu, even weinig subtiel was als een neonreclame voor wie zijn contacten zou doorlopen. Hij typte het nummer over op een briefje en liep de gang op. Aan het eind van de gang, naast de koffieautomaat, hing een telefoon aan de muur. Intern, maar met een buitenlijn. Oud, beige, met een snoer dat was vergeld door jaren van vingers en desinfectiemiddel. Niemand gebruikte hem meer. Iedereen had een mobiel.
Hij nam de hoorn van de haak en toetste het nummer in.
Bakker nam op na twee keer overgaan. "Bakker."
"Commissaris, met Maarten Vos."
Een korte stilte. "Professor Vos. U belt op een ander nummer."
Ze merkt alles op. "Ja. Daar heb ik een reden voor." Hij vertelde het. Beknopt, feitelijk, zonder de paranoia die hem al de hele ochtend in zijn greep had. Het doorzochte kantoor. De opengetrokken laden, de verschoven papieren, de computertoegang om 03:47. Het visitekaartje. De naam. En Yara's identieke ervaring in Oxford.
Bakker luisterde. Hij hoorde haar ademen β rustig, gelijkmatig, het ritme van iemand die gewend was aan het ontvangen van verontrustend nieuws.
"Asselbergs," zei ze toen hij was uitgesproken. Het was geen vraag.
"U kent de naam."
Weer een stilte, langer dit keer. Maarten hoorde het tikken van een toetsenbord op de achtergrond. Toen stopte het tikken.
"De naam is vorig jaar gevallen in een Italiaans onderzoek naar illegale handel in culturele artefacten. Niet als verdachte β als getuige. Hij heeft verklaard, hij heeft meegewerkt, hij was een modelburger. Het onderzoek is twee maanden later geseponeerd." Bakkers stem had de droge precisie van iemand die een rapport voorleest, maar daaronder hoorde Maarten iets anders. Niet verrassing. Herkenning.
"Er is meer," ging ze verder. "In het dossier over de verdwenen onderzoekers β de zeven die ik u heb laten zien β duikt de naam van de Asselbergs Foundation op in de financiering van drie van de zeven onderzoeksprojecten waar die mensen aan werkten. Ik heb het destijds genoteerd als coincidentie. De stichting financiert veel archeologisch onderzoek. Het zou vreemder zijn als de naam niet opdook."
"Maar nu?"
"Nu is het geen coincidentie meer." Het tikken begon opnieuw. "Ik ga dit natrekken. Grondig. In de tussentijd β raak het visitekaartje niet meer aan. Bewaar het in een plastic zakje. Ik stuur iemand langs voor vingerafdrukken, al verwacht ik niet dat we iets zullen vinden."
"Commissaris β hoe ver gaat dit?"
Bakker zweeg. Het was de stilte van iemand die een antwoord heeft maar het niet wil geven.
"Dat is precies wat ik ga uitzoeken, professor. In de tussentijd: verander uw wachtwoorden. Allemaal. Vandaag. Enβ" Ze aarzelde, en die aarzeling, van een vrouw die hij alleen kende als onwrikbaar, was misschien het meest verontrustende moment van de hele ochtend. "Wees voorzichtig met wat u zegt en tegen wie. En via welk apparaat."
Ze hing op.
Maarten legde de hoorn terug op de haak. Het plastic was warm van zijn hand. Hij stond in de lege gang van het Archeologisch Instituut, naast een koffieautomaat die zachtjes gonsde, en keek door het raam naar het Rapenburg beneden. Een groep studenten fietste voorbij, lachend om iets wat hij niet kon horen. Een vrouw liep langs met een hond. Een bestelbus van een pakketdienst stopte voor het gebouw aan de overkant.
Allemaal normaal. Allemaal onschuldig. Allemaal precies zoals het hoorde.
Of niet.
Want dat was wat het visitekaartje deed. Het vergiftigde niet alleen het heden β het vergiftigde ook het verleden. Als Asselbergs al twintig jaar expedities financierde, besturen bekleedde, onderzoek stuurde, dan was de vraag niet wanneer hij was begonnen met kijken. De vraag was of hij ooit was gestopt. Had hij Maartens aanstelling beΓ―nvloed? Zijn onderzoeksfinancierng? De toekenning van de beurs die hem naar Griekenland had gestuurd, waar alles was begonnen?
Hoe lang weten ze al van mij?
De paranoia kroop omhoog langs zijn ruggengraat als water dat door scheuren in een muur sijpelt. Hij dwong zichzelf terug naar zijn kantoor te lopen. Ging zitten. Keek naar het visitekaartje dat nog steeds op zijn bureau lag.
Er was een verschil, realiseerde hij zich, tussen bespioneerd worden en benaderd worden. Een spion laat geen visitekaartje achter. Een spion wil niet gezien worden. Dit was iets anders. Dit was iemand die stapte uit de schaduw waarin hij jarenlang had geopereerd en zei: Hier ben ik. Ik bestond al die tijd al. En nu wil ik dat je het weet.
Maar waarom nu? Waarom na twintig jaar β of langer β van stilte? Wat was er veranderd?
Het antwoord was zo voor de hand liggend dat het bijna banaal was.
Wij zijn veranderd. Yara en ik. We zijn te dichtbij gekomen.
Het manuscript in het Vaticaan. De foto's op zijn telefoon. De ervaring onder het klooster in Andalusie. De doorbraak die ze hadden geboekt β het inzicht dat het geheim niet op een plek lag maar verdeeld was, verspreid over beschavingen en continenten, een puzzel waarvan elk stuk apart onschuldig leek maar die samen iets vormden wat de wereld zou veranderen.
Ze hadden een grens overschreden. En aan de andere kant van die grens stond iemand die al heel lang wachtte.
Maarten opende zijn e-mail. Tweehonderdzeventien ongelezen berichten. Het gewone lawaai van het academische bestaan β vergaderverzoeken, studentenvragen, publicatienotificaties, een herinnering dat zijn jaarlijkse beoordeling gepland stond voor volgende week. Het leek allemaal te behoren tot een andere wereld. Een wereld waarin het belangrijkste wat er op een maandagochtend kon gebeuren een vergadering over het collegerooster was.
Hij sloot de e-mail. Opende een nieuw browservenster. Zocht opnieuw naar Asselbergs, nu dieper. Niet de publieke laag β de tweede laag. Artikelen in zakenbladen. Interviews. Profielen.
Hij vond er een in een oud nummer van Quote. Een interview uit 2014, ter gelegenheid van de opening van een vleugel van het Allard Pierson Museum die door de Asselbergs Foundation was gefinancierd. De interviewer had gevraagd naar zijn motivatie.
"Kennis," had Asselbergs geantwoord, "is het gevaarlijkste wat de mensheid bezit. Niet wapens. Niet ideologieen. Kennis. Het vermogen om te begrijpen hoe de wereld werkt, geeft ook het vermogen om de wereld te breken. De rol van de filantroop is niet om kennis te verspreiden, maar om ervoor te zorgen dat kennis op het juiste moment bij de juiste mensen terechtkomt."
De interviewer had doorgevraagd: wie bepaalde wat het juiste moment was?
"De geschiedenis," had Asselbergs geantwoord. "De geschiedenis bepaalt wanneer de mensheid ergens klaar voor is. Onze taak is luisteren."
Maarten las de passage drie keer. Er zat iets in de formulering dat hem verontrustte β niet de woorden zelf, die vaag genoeg waren om voor filantropische retoriek door te gaan, maar de implicatie erachter. Onze taak. Niet "mijn taak." Niet "de taak van de stichting." Onze taak. Het meervoud suggereerde een groep. Een collectief. Een organisatie die zichzelf de bevoegdheid had gegeven om te bepalen welke kennis de wereld mocht bereiken en wanneer.
De bewakers.
Het woord vormde zich vanzelf, als een kristal dat uitgroeit in een oververzadigde oplossing. De bewakers van een geheim dat ouder was dan elke levende beschaving. De bewakers die de Fransman hadden laten verongelukken en de Italiaanse haar carriere hadden ontnomen. Die zeven onderzoekers hadden laten verdwijnen uit Bakkers dossiers. Die twee leden van de Hermesgroep β Van Dijk en Moreau β hadden uitgewist alsof ze nooit hadden bestaan.
En die nu hun visitekaartje hadden achtergelaten op het bureau van een universitair docent in Leiden. Niet als dreigement. Als introductie.
Wij weten het. En wij willen praten.
Maarten keek naar het kaartje. Het lag op zijn bureau als een drempel van karton. Een grens tussen de wereld die hij kende en de wereld die erachter lag. Hij hoefde alleen maar te bellen.
Hij belde niet.
In plaats daarvan stond hij op, liep naar het raam en keek naar buiten. Het Rapenburg lag er vredig bij in het bleek ochtendlicht. De lindebomen. De gracht. De gevels van de huizen aan de overkant, elk met hun eigen geschiedenis, hun eigen geheimen, hun eigen dunne plekken waar de werkelijkheid niet helemaal was wat ze leek.
Ergens daarbuiten β in een kantoor in Zwitserland, in een landhuis in het Gooi, in een vergaderzaal waar geen notulen werden gemaakt β wist Victor Asselbergs dat het kaartje was gevonden. Misschien had hij het al gehoord. Misschien keek hij nu op zijn telefoon en zag hij dat Maarten Vos zijn naam had gegoogeld, zijn financieringsstructuur had uitgepluisd, zijn interviews had gelezen. Misschien glimlachte hij erbij.
Ze hebben ons al die tijd gadgeslagen. Elke stap. Elke ontdekking. Elk gesprek. En nu hebben ze ervoor gekozen om zich te laten zien.
Dat was misschien het meest verontrustende van alles. Niet dat ze keken β dat was al erg genoeg. Maar dat ze hadden besloten om te stoppen met verbergen. Dat ze op een gegeven moment, in een vergadering of een telefoongesprek of een besluit dat jaren in de maak was geweest, hadden vastgesteld dat het tijd was om contact te maken.
Dat betekende dat er iets was veranderd in hun berekening. En Maarten wist niet of dat goed nieuws was of het slechtste nieuws dat hij ooit zou krijgen.
Hij draaide zich om van het raam. Zijn kantoor keek hem aan β de boeken, het bureau, de plant die langzaam doodging op de vensterbank, het visitekaartje met zijn tien geduldige cijfers. Alles was hetzelfde. Alles was anders.
De koffieautomaat gonsde in de gang. Ergens in het gebouw sloeg een deur dicht. Het was maandagochtend in Leiden en Maarten Vos stond in zijn kantoor en wist met de zekerheid van iemand die van een klif kijkt dat er geen weg terug was. Niet omdat iemand de weg blokkeerde. Maar omdat de weg zelf was verdwenen, opgelost in de wetenschap dat de wereld groter en donkerder en zorgvuldiger georganiseerd was dan hij ooit had vermoed.
Hij pakte het visitekaartje op. Legde het in de bovenste la van zijn bureau. Sloot de la.
Toen ging hij zitten, opende zijn e-mail, en begon de tweehonderdzeventien berichten te beantwoorden, een voor een, met de mechanische discipline van een man die probeert te doen alsof de wereld nog normaal is.
Dat was het niet. En dat zou het nooit meer worden.