De Drempel van Hermes
Hoofdstuk 12 β Het Gesprek
De laan was smaller dan hij had verwacht. Twee rijen linden, zo oud dat hun kruinen boven het wegdek een aaneengesloten gewelf vormden, een tunnel van blad en schaduw die het laatste winterlicht reduceerde tot een patroon van grijze vlekken op het asfalt. Maarten reed langzaam. Dertig kilometer per uur, misschien minder. Niet omdat het moest, maar omdat iets in de omgeving het afdwong β een sfeer van gewicht en decorum die geen haast verdroeg.
Wassenaar. Hij was hier nooit eerder geweest, niet in dit deel althans, voorbij de villa's die zichtbaar waren vanaf de weg, voorbij de hekken en de buxushagen en de discrete bordjes van beveiligingsbedrijven. Dit was een ander Wassenaar. Het Wassenaar dat je niet zag tenzij je werd uitgenodigd.
Zijn telefoon lag op de passagiersstoel. Yara had drie keer gebeld in het afgelopen halfuur. De eerste keer had hij opgenomen. De tweede en derde keer niet.
"Ga daar niet alleen heen, Maarten. We weten niet wie deze man is. We weten alleen wat hij heeft gedaan."
"We weten wat zijn organisatie heeft gedaan. Dat is niet hetzelfde."
"Zeven onderzoekers, Maarten. Zeven."
Hij had opgehangen. Niet uit boosheid β uit een soort vastberadenheid die hij niet kon uitleggen en die zij niet zou accepteren. Het visitekaartje lag in zijn borstzak. Dik, roomwit papier. Geen logo, geen titel. Alleen een naam β Victor Asselbergs β en een telefoonnummer. Het kaartje was achtergelaten op zijn bureau, tussen de rommel van de inbraak, met een zorgvuldigheid die de boodschap duidelijk maakte: wij hadden alles kunnen meenemen, maar wij willen praten.
Het telefoongesprek was kort geweest. Asselbergs had opgenomen na twee keer overgaan. Zijn stem was laag, beheerst, met de cadans van iemand die gewend was aan telefoons die op ongewone uren overgingen.
"Meneer Vos. Ik had gehoopt dat u zou bellen."
Geen verrassing. Geen vragen over hoe Maarten aan het nummer kwam. Alsof het gesprek al geschreven was en zij beiden slechts hun regels opzeiden.
"Ik wil u spreken," had Maarten gezegd.
"Uiteraard. Komt u morgen naar mijn huis? Ik stuur u het adres."
Geen voorwaarden. Geen dreigement. Alleen een uitnodiging, even vanzelfsprekend als een afspraak bij de tandarts.
De navigatie meldde dat hij zijn bestemming had bereikt. Maarten stopte voor een smeedijzeren hek dat tussen twee gemetselde pilaren hing, elk bekroond met een stenen bol die groen was van het mos. Er was geen naambordje. Er was geen intercom. Het hek stond open.
Natuurlijk staat het open. Hij verwacht me.
De oprijlaan was van grind. Fijn, gelijkmatig geharkt grind dat onder zijn banden knerpte met een geluid dat onmogelijk discreet was. Niemand komt hier onaangekondigd. Aan weerszijden strekten gazons zich uit, groen ondanks het seizoen, met hier en daar een solitaire beuk of eik die zo perfect was geplaatst dat het landschap eruitzag als een schilderij van een achttiende-eeuwse meester. Geen bloembedden. Geen opsmuk. Alleen ruimte en bomen en de suggestie van eindeloos land.
Het huis verscheen na een flauwe bocht. Maarten had een landhuis verwacht, een villa misschien, iets met zuilen en een bordes. Wat hij zag was anders. Het gebouw was laag en breed, bakstenen, met een rieten dak dat zilvergrijs was van ouderdom. Eerder een buitenplaats dan een villa. Achttiende-eeuws, schatte hij, met vleugels die in de negentiende eeuw waren toegevoegd. Geen vertoon van rijkdom. Vertoon van tijd. Van generaties die hier hadden gewoond, gedacht, beslist.
Hij parkeerde naast een donkergroene Jaguar die eruitzag alsof hij zelden werd gebruikt maar altijd klaarstond. Stapte uit. De lucht was koud en rook naar natte aarde en hout. Ergens achter het huis krasten kraaien.
De voordeur ging open voordat hij had aangebeld.
Victor Asselbergs was lang. Dat viel als eerste op. Langer dan Maarten, langer dan de meeste mensen. Zilverwit haar, naar achteren gekamd, met een precisie die niet ijdel was maar gedisciplineerd. Een smal gezicht met hoge jukbeenderen en ogen die de kleur hadden van lei β grijs, koel, maar niet koud. Hij droeg een donkerblauw colbert over een lichtblauw overhemd zonder das. Geen manchetknopen. Geen horloge. De afwezigheid van accessoires was even veelzeggend als hun aanwezigheid zou zijn geweest.
"Meneer Vos." Hij stak zijn hand uit. De handdruk was stevig maar niet nadrukkelijk. "Welkom. Ik waardeer het dat u bent gekomen."
Zijn stem was dezelfde als aan de telefoon. Laag, modulerend, met een licht accent dat Maarten niet kon plaatsen. Niet regionaal. Eerder kosmopolitisch β de articulatie van iemand die in meerdere talen thuis was en in geen enkele volledig.
"U gaf me weinig keus," zei Maarten.
Asselbergs glimlachte. Het was een subtiele glimlach, meer in de ogen dan rond de mond. "Integendeel. Ik gaf u alle keus. U had het kaartje kunnen weggooien. U had de politie kunnen bellen. U had uw collega's van de universiteit kunnen inschakelen." Hij deed een stap opzij. "U koos ervoor om hier te komen. Alleen. Dat zegt iets over u."
Het zegt dat ik een idioot ben, dacht Maarten. Maar hij stapte naar binnen.
De hal was ruim en sober. Eiken vloer, donker van ouderdom. Een trap die in een elegante boog naar boven leidde. Aan de muur hing een enkel schilderij β een zeegezicht, klein, in een vergulde lijst die te bescheiden was voor het formaat van de muur. Maarten herkende de stijl. Mesdag. Vroeg werk.
Asselbergs volgde zijn blik. "1873. De haven van Scheveningen bij avondlicht. Het was van mijn grootmoeder."
"Een mooie Mesdag."
"Kent u zijn werk?"
"Oppervlakkig."
"Mesdag schilderde de zee omdat hij geloofde dat water een geheugen had. Hij zei het niet zo β hij was schilder, geen filosoof β maar als je naar zijn golven kijkt, naar de manier waarop hij licht op water vastlegde, dan zie je het. Hij probeerde iets te vangen dat beweegt en tegelijkertijd blijft." Asselbergs gebaarde naar een gang. "Maar daar zijn we niet voor hier. Komt u mee."
Ze liepen door een gang waarin de schilderijen talrijker werden. Maarten registreerde ze terwijl hij liep β niet als kunstliefhebber maar als archeoloog, gewend aan het lezen van ruimtes. Een landschap van de Barbizon-school. Een portret dat Italiaans aandeed, zestiende-eeuws, mogelijk Venetiaans. Een serie kleine tekeningen in sepia die hij niet kon thuisbrengen maar die oud waren, heel oud.
Toen bleef hij staan.
Het was een aardewerken schaal, tentoongesteld in een verlichte vitrine. Roodachtig, met zwarte geometrische patronen. De schaal was gebarsten en met zichtbare naden hersteld, maar de patronen waren intact. Maarten voelde zijn hartslag versnellen.
"Dit is Minoisch," zei hij.
"Kamares-aardewerk. Circa 1800 voor Christus. Gevonden in een grot op Kreta die officieel nooit is opgegraven."
"Officieel."
"Officieel." Asselbergs stond naast hem, de handen op de rug. "De grot bevond zich op een van de locaties die u inmiddels kent. Een transitiezone. De Grieken noemden het een nekyomanteion β een plaats waar de levenden met de doden spraken. De archeologische dienst heeft de grot in 1971 verzegeld op advies van β laten we zeggen: betrokken partijen."
Maarten staarde naar de schaal. De patronen β spiralen, concentrische cirkels, golvende lijnen β waren identiek aan wat hij en Yara hadden gedocumenteerd op andere locaties. Op drie continenten. In structuren die duizenden jaren en duizenden kilometers van elkaar verwijderd waren.
"U verzamelt artefacten van de plekken die u onderdrukt," zei hij. Zijn stem was vlak, maar zijn kaak was gespannen.
"Ik bewaar ze. Er is een verschil." Asselbergs liep door. "De alternatieven zijn een kelderverdieping in een museum, een kluis in Geneve, of vernietiging. Ik geef de voorkeur aan behoud."
De gang mondde uit in een kamer die Maarten de adem benam.
Het was een bibliotheek. Niet het soort bibliotheek dat je in een woonhuis verwachtte β niet een kamer met boekenkasten β maar een werkelijke bibliotheek, een ruimte die was gebouwd rond boeken. De wanden waren van vloer tot plafond bedekt met planken van donker hout. Een galerij met een smeedijzeren balustrade liep langs de bovenste verdieping. De boeken β duizenden, tienduizenden β stonden niet als decoratie maar als werktuigen, met hun ruggen naar voren, veel ervan zonder opdruk, gebonden in leer dat versleten was door gebruik. Er stonden twee leesbureaus met leeslampen van groen glas. Er hing een geur van oud papier en leer en cederhout.
Brouwer, dacht Maarten. De bibliotheek van professor Brouwer in Leiden, de collectie die hij en Yara als vertrekpunt hadden gebruikt. Die was indrukwekkend geweest. Dit was van een andere orde.
"U kent de collectie van Hendrik Brouwer," zei Asselbergs, alsof hij de gedachte had gelezen. Hij wees naar een fauteuil bij de open haard, waar een klein vuur brandde. "Brouwers verzameling was uitstekend voor een academicus. Maar het was een fractie van wat er bestaat. Gaat u zitten."
Maarten ging niet zitten. "Ik ben niet hier gekomen voor een rondleiding."
"Nee." Asselbergs nam plaats in de andere fauteuil, met de gemakkelijke beweging van een man die gewend was aan zijn eigen ruimte. "U bent hier gekomen voor antwoorden. En ik ben bereid die te geven. Maar antwoorden hebben context nodig. Ga zitten, meneer Vos. Ik schenk u een glas in en dan praten we."
Maarten aarzelde. Toen ging hij zitten. De fauteuil was oud en diep en rook naar tabak die er lang geleden in was gerookt.
Asselbergs schonk twee glazen whisky in uit een karaf die op een bijzettafel stond. Zonder te vragen of Maarten dronk. Zonder te vragen of hij whisky lustte. De vanzelfsprekendheid was niet onbeleefd β het was de zekerheid van iemand die eraan gewend was dat zijn aanbod werd geaccepteerd.
Maarten nam het glas aan. Nam een slok. De whisky was zwaar, peatrack, met een gloed die langzaam door zijn borstkas trok. Duur. Ongetwijfeld zeldzaam. Hij zette het glas neer op de rand van de stoel.
"U weet wie ik ben," zei Asselbergs. Het was geen vraag.
"Ik weet wat u doet. Ik weet dat uw organisatie β hoe u het ook noemt β al decennia onderzoek saboteert. Meetgegevens vervalst. Financiering blokkeert. Mensen laat verdwijnen." Maarten hoorde de hardheid in zijn eigen stem en corrigeerde niet. "Zeven onderzoekers, meneer Asselbergs. Zeven mensen die zijn verdwenen nadat ze te dicht bij de waarheid kwamen."
Asselbergs luisterde. Hij onderbrak niet. Zijn gezicht veranderde niet. Toen Maarten uitgesproken was, nam hij een slok whisky en zette het glas neer met de precisie van een schaker die een stuk plaatst.
"Laat mij u iets vertellen over het Consortium," zei hij. "Niet om mij te rechtvaardigen. Om u te informeren." Hij leunde achterover. "Het Consortium β die naam is niet van ons, maar we hebben hem geadopteerd omdat hij dienstbaar is β bestaat in zijn huidige vorm sinds 1947. Maar de functie die het vervult is ouder. Veel ouder. Elke beschaving die de transitiezones heeft ontdekt, heeft uiteindelijk een structuur gecreeerd om die kennis te beheren. De Egyptenaren hadden hun priesterkaste. De Grieken hun mysteriegenootschappen. De middeleeuwse kerk had haar kloosterorden. Wij zijn de huidige versie van een oud principe."
"Het principe dat een elite bepaalt wat de rest van de mensheid mag weten."
"Het principe dat sommige kennis een drager nodig heeft die sterk genoeg is om hem te dragen." Asselbergs boog zich iets naar voren. "U bent in Andalusie geweest. In het klooster. U hebt de kamer onder de kapel betreden. U weet wat er daar is."
Maarten zei niets. Zijn kaak verstijfde.
"U hebt de drempel gevoeld. De verschuiving. De uitbreiding van de waarneming die optreedt wanneer een menselijk bewustzijn zich in een transitiezone bevindt." Asselbergs sprak de woorden uit alsof het technische termen waren, neutraal, ontdaan van mystiek. "Ik weet het omdat ik hetzelfde heb meegemaakt. In 1983. In een grot in het zuiden van Turkije, bij Gobekli Tepe, jaren voordat de site officieel werd ontdekt."
"U hebt een transitiezone ervaren."
"Ik was zesentwintig. Mijn vader was diplomaat, geplaatst in Ankara. Ik reisde het land door met een rugzak en een camera en de overtuiging dat de wereld een begrijpelijke plek was." Hij zweeg even. Het was de eerste keer dat zijn stem iets anders droeg dan controle. "Die overtuiging overleefde het niet."
Het vuur knetterde. Buiten was het begonnen te schemeren. Het licht in de bibliotheek was goudkleurig, warm, intiem op een manier die niet paste bij de inhoud van het gesprek.
"Ik was twee uur in die grot," ging Asselbergs verder. "Of wat ik dacht dat twee uur was. Mijn gids vertelde me achteraf dat ik zes uur was weggeweest. Zes uur waarin ik niet bereikbaar was, niet aanspreekbaar, niet β aanwezig. In de gewone zin van het woord." Hij pakte zijn glas maar dronk niet. "Toen ik terugkwam was ik een ander mens. Niet in de metaforische zin. In de letterlijke zin. Mijn waarneming van de werkelijkheid was permanent veranderd. Ik zag dingen die er altijd waren geweest maar die ik daarvoor niet had opgemerkt. Ik voelde β lagen. Overal. In elk gebouw, elk landschap, elk mens."
"En toen?"
"En toen ging ik op zoek naar antwoorden. Net als u. En net als u vond ik meer vragen. Tot ik mensen tegenkwam die dezelfde vragen al eeuwen stelden. Die het antwoord niet hadden, maar die de juiste vragen kenden. Die begrepen dat de transitiezones geen anomalie waren maar een eigenschap van de werkelijkheid zelf. Een eigenschap die altijd had bestaan en die altijd was beheerd."
Maarten voelde het. De subtiele verschuiving in het gesprek. De manier waarop Asselbergs hem niet confronteerde maar meevoerde, elk woord een trede op een trap die naar een conclusie leidde die al vaststond. Hij praat zoals hij schaak speelt, dacht Maarten. Elke zet bereidt de volgende voor.
"U probeert mij te overtuigen dat wat u doet noodzakelijk is."
"Ik probeer u te laten zien wat ik zie. Wat het Consortium al generaties ziet." Asselbergs stond op. Hij liep naar een van de boekenkasten en haalde er een leren map uit. Hij legde hem op het leesbureaau, opende hem. Er lagen documenten in β vergeelde vellen, getypt, sommige met de hand geschreven. "Dit is een rapport van de Amerikaanse inlichtingendienst uit 1954. Project Gateway. U kent het waarschijnlijk. Het is geclassificeerd geweest tot 2003."
"Ik ken het."
"Dan weet u dat de Amerikaanse overheid in de jaren vijftig heeft vastgesteld dat menselijk bewustzijn niet gebonden is aan het lichaam. Dat er technieken bestaan β en plekken β die die ontkoppeling faciliteren. Dit rapport is publiekelijk toegankelijk. Iedereen kan het lezen. En toch heeft het niets veranderd. Weet u waarom?"
"Omdat niemand het gelooft."
"Omdat niemand het wil geloven. Omdat de consequenties ondraaglijk zijn." Asselbergs sloot de map. "Maar stel u nu voor dat het niet bij een rapport blijft. Stel u voor dat iemand β u, bijvoorbeeld β een wetenschappelijk artikel publiceert met meetbare, herhaalbare, verifieerbare data die aantonen dat de transitiezones bestaan. Dat bewustzijn kan loskomen van het lichaam. Dat er plekken op aarde zijn waar de grens tussen materie en β noem het wat u wilt, geest, ziel, bewustzijn β poreus wordt." Hij ging weer zitten. "Wat gebeurt er dan?"
Maarten opende zijn mond. Sloot hem weer.
"Ik zal het u vertellen," zei Asselbergs, en zijn stem had nu een gewicht dat er eerder niet was geweest. "Elke georganiseerde religie op aarde komt onder druk te staan, omdat wat zij als geloof verkopen plotseling een meetbaar fenomeen is dat buiten hun controle ligt. Elke overheid ter wereld raakt in paniek, omdat een bevolking die weet dat de werkelijkheid een achterdeur heeft niet meer te besturen is op de manier waarop wij gewend zijn te besturen. Militaire inlichtingendiensten β en geloof me, die luisteren al β storten zich op de transitiezones om ze te weaponizen. En de gewone mens β de mens op straat, de mens die 's ochtends opstaat en naar zijn werk gaat en 's avonds het journaal kijkt β die mens verliest de grond onder zijn voeten. Letterlijk."
De stilte die volgde was anders dan de stilte in de kamer onder het klooster. Die was geweest als een oceaan β diep, onbegrensd, onpersoonlijk. Deze stilte was persoonlijk. Geladen. De stilte van twee mensen die tegenover elkaar zitten en weten dat wat er gezegd wordt niet ongedaan kan worden gemaakt.
"Wat gebeurt er," zei Asselbergs zacht, "wanneer zeven miljard mensen ontdekken dat de werkelijkheid een achterdeur heeft? Dat bewustzijn het lichaam kan verlaten? Dat oude beschavingen dingen wisten die wij zijn vergeten? Religies storten in. De wetenschap raakt in paniek. Overheden bewapenen het."
Maarten voelde de woorden als fysieke objecten. Ze hadden gewicht. Ze hadden scherpe randen. En het ergste was β ze waren niet krankzinnig. Ze waren niet het geraaskal van een complotdenker of de rechtvaardiging van een tiran. Ze waren de woorden van een intelligent, gearticuleerd mens die een probleem beschreef dat werkelijk bestond.
En dat is het gevaarlijke, dacht hij. Niet dat hij ongelijk heeft. Maar dat hij gelijk zou kunnen hebben.
"U speelt God," zei Maarten.
"Iemand moet het doen. Iemand doet het altijd."
"Dat is geen argument. Dat is een excuus."
"Het is een observatie." Asselbergs draaide het glas langzaam rond tussen zijn vingers. "Elke samenleving in de geschiedenis heeft kennis beheerd. Heeft besloten wat openbaar was en wat niet. Nucleaire technologie. Biologische wapens. Genetische manipulatie. Wij accepteren als samenleving dat sommige kennis niet vrij beschikbaar hoort te zijn. Waarom zou dit anders zijn?"
"Omdat dit niet gaat over wapens. Dit gaat over de aard van de werkelijkheid. Over wat het betekent om mens te zijn."
"En u denkt dat die kennis minder gevaarlijk is?" Asselbergs' stem was niet scherp. Niet defensief. Bijna verdrietig. "De gevaarlijkste kennis is niet die waarmee je anderen kunt vernietigen. Het is de kennis die de fundamenten vernietigt waarop mensen hun leven bouwen. Hun religie. Hun begrip van de dood. Hun vertrouwen in de werkelijkheid die ze waarnemen. Neem dat weg en u neemt alles weg."
Maarten stond op. Niet uit woede β uit een onrust die hem niet liet zitten. Hij liep naar het raam. Buiten was het donker geworden. Het gazon was een vlakte van blauwzwart. In de verte brandden de lichten van een ander huis, ver weg, als sterren die te laag hingen.
"De zeven onderzoekers," zei hij zonder zich om te draaien. "Wat is er met hen gebeurd?"
De stilte duurde langer dan bij de vorige vragen. Maarten draaide zich om. Asselbergs zat nog steeds in zijn fauteuil. Zijn gezicht was in de schaduw, verlicht door het vuur dat lager brandde dan daarvoor.
"Ze kozen ervoor om te gaan," zei hij.
"Dat is geen antwoord."
"Het is het enige antwoord dat ik heb." Asselbergs zette zijn glas neer. "Drie van hen β Lindqvist, Murai, Ferreyra β hadden de transitiezones zelfstandig ontdekt. Zonder onze kennis. Zonder onze middelen. Ze waren briljant. Stuk voor stuk. En stuk voor stuk bereikten ze het punt waarop de drempel niet langer een onderzoeksobject was maar een β bestemming."
"U bedoelt dat ze zijn verdwenen zoals Broeder Tomas is verdwenen. In een transitiezone."
"Ik bedoel dat ze een keuze maakten die wij niet voor hen konden maken." Er lag iets in zijn stem dat Maarten niet had verwacht. Geen wroeging β dat zou te eenvoudig zijn. Iets dat dichter bij berusting lag. "Wij hebben hen niet gedwongen. Wij hebben hen niet gestopt. Maar wij hebben hen ook niet geholpen."
"U hebt ze laten gaan. In de wetenschap dat ze misschien niet zouden terugkomen."
"Wat had u gewild? Dat wij ze opsloten? Dat wij hun onderzoek verniettigden en hen terugstuurden naar een leven waarvan ze wisten dat het onvolledig was?" Asselbergs leunde naar voren. Voor het eerst was er vuur in zijn stem. "U hebt de drempel gevoeld, meneer Vos. U weet hoe het is. U weet hoe de werkelijkheid eruitziet als je eenmaal hebt gezien dat er meer is. Zou u terug willen? Zou u kunnen doen alsof u het niet had ervaren?"
De vraag trof Maarten als een klap. Niet omdat hij agressief was, maar omdat hij precies raakte waar het zeer deed. Want hij kende het antwoord. Hij kende het sinds Andalusie, sinds de kamer onder de kapel, sinds het moment waarop de stilte gewicht kreeg en de muren weken en de werkelijkheid breder werd dan hij ooit had vermoed.
Nee. Ik zou niet terug willen. Ik zou niet terug kunnen.
"En de andere vier?" vroeg hij schor.
"De andere vier zijn levend en wel. Ze werken voor ons. Onder andere namen, op andere locaties, met middelen die geen universiteit hen ooit zou kunnen bieden." Asselbergs haalde een dossiermap van het leesbureaau en legde hem op de salontafel. "U kunt het verifieeeren als u wilt. Niet nu. Maar ik geef u de mogelijkheid."
Maarten keek naar de map maar raakte hem niet aan. Vier van de zeven, dacht hij. Vier die het Consortium zijn ingegaan. Drie die zijn vertrokken naar een plek waar niemand hen kan volgen.
"U biedt mij hetzelfde aan," zei hij. Het was geen vraag.
Asselbergs schudde zijn hoofd. "Ik bied u niets aan. Niet vanavond. Vanavond bied ik u alleen informatie. Wat u ermee doet is aan u." Hij stond op en liep naar de schouw. Legde een blok hout op het vuur. De vlammen laaide op en wierpen dansende schaduwen over de boeken. "Maar ik vraag u om na te denken. Niet over mij. Niet over het Consortium. Over de consequenties."
"De consequenties van publicatie."
"De consequenties van ongecontroleerde openbaarmaking. Van een wereld die van de ene dag op de andere ontdekt dat alles wat zij dacht te weten over bewustzijn, over de dood, over de structuur van de werkelijkheid β onvolledig is." Hij draaide zich om. Het licht van het vuur viel op de helft van zijn gezicht. De andere helft was schaduw. "Ik ben geen slecht mens, meneer Vos. Ik ben ook geen goed mens. Ik ben iemand die iets heeft gezien dat niet ongedaan kan worden gemaakt, en die sindsdien probeert om de schade te beperken."
"De schade van de waarheid."
"De schade van de waarheid op het verkeerde moment, voor de verkeerde mensen, zonder de juiste context." Asselbergs ging weer zitten. "De waarheid is geen geschenk als de ontvanger er niet klaar voor is. Dan is het een wapen."
Maarten stond bij het raam en voelde het gewicht van het gesprek op zijn schouders. Het was een fysiek gewicht, alsof de woorden die Asselbergs had gesproken zich hadden verdicht tot iets dat massa had. Hij dacht aan Yara, die thuis zat te wachten, drie keer had gebeld, die had gezegd dat hij niet moest gaan. Hij dacht aan Lotte, die dit weekend bij hem zou zijn, die zou vragen hoe het met zijn onderzoek ging en die hij zou moeten aankijken met de wetenschap dat de wereld groter was dan zij vermoedde.
Hij dacht aan de kamer in Andalusie. Aan de verschuiving. Aan de stilte die aandachtig was.
"U hebt niet het recht om te beslissen wat mensen weten," zei hij. Zijn stem was vast maar zijn overtuiging wankelde, en hij wist dat Asselbergs dat hoorde.
"Misschien niet." Asselbergs knikte langzaam. "Maar iemand neemt die beslissing. Elke dag. In elk laboratorium, elke overheid, elke denktank. De vraag is niet of iemand die beslissing neemt. De vraag is of de persoon die hem neemt begrijpt wat er op het spel staat." Hij zweeg. "Ik begrijp het. Omdat ik het heb gevoeld. Net als u."
De stilte die volgde was lang. Het vuur knetterde. Ergens in het huis sloeg een klok het hele uur. Acht slagen, helder en precies.
Maarten zette zijn glas neer. Het was nog halfvol.
"Ik ga," zei hij.
Asselbergs stond op. Geen verrassing. Geen teleurstelling. "Ik loop met u mee."
Ze liepen terug door de gang. De schilderijen waren donkerder nu, de vitrines met artefacten schemerig verlicht. De Minoische schaal glom zacht in haar vitrine. Drieduizend achthonderd jaar oud. Gemaakt door handen die wisten wat Maarten nu wist, wat Asselbergs al decennia wist, wat de mensheid ooit had geweten en was vergeten.
Bij de voordeur bleef Asselbergs staan. "U zult nadenken over wat ik heb gezegd."
"Ja."
"En u zult het bespreken met mevrouw Hadid."
Het feit dat hij Yara's naam kende verraste Maarten niet meer. Niets aan deze man verraste hem nog.
"Ik vraag u slechts een ding," zei Asselbergs. "Publiceer niet voordat u met mij hebt gesproken. Niet omdat ik u zal tegenhouden β ik betwijfel of ik dat kan β maar omdat u het aan uzelf verplicht bent om alle informatie te hebben voordat u een beslissing neemt die niet ongedaan kan worden gemaakt."
"Zoals de beslissing die de zeven onderzoekers namen."
De woorden hingen in de koude avondlucht. Asselbergs keek hem aan. In zijn ogen was iets dat leek op respect. Of op herkenning.
"Precies zo," zei hij. "Precies zo."
Maarten liep naar zijn auto. Het grind knerpte onder zijn voeten. De lucht was helder en koud en vol sterren β meer sterren dan je in Leiden ooit zag, meer dan in de meeste steden, alsof het platteland rond Wassenaar een eigen hemel had.
Hij startte de motor. In de achteruitkijkspiegel zag hij Asselbergs in de deuropening staan, een lang silhouet tegen het warme licht van de hal. De man hief zijn hand, niet als groet maar als bevestiging. U komt terug. Wij weten het allebei.
Maarten reed de oprijlaan af. Het grind gaf mee onder zijn banden. De linden sloten zich boven hem. Het hek stond nog steeds open.
Op de snelweg richting Leiden, met de lichten van Den Haag als een oranje gloed aan de horizon, dacht hij na. Niet over de feiten β die waren helder, scherp, onweerlegbaar. Asselbergs had niet gelogen. Maarten was daar zeker van, met een zekerheid die hem verontrustte, omdat die niet op bewijs was gebaseerd maar op iets anders. Op herkenning. Op de manier waarop Asselbergs over de drempel had gesproken β niet als abstractie maar als ervaring, met de precisie van iemand die het had gevoeld in zijn botten en er nooit meer van was losgekomen.
Hij is geen schurk, dacht Maarten. Dat is het probleem. Een schurk zou makkelijker zijn. Een schurk heeft een motief dat je kunt ontmaskeren, een agenda die je kunt bestrijden. Maar Asselbergs is geen schurk. Asselbergs is een man die de waarheid kent en oprecht gelooft dat de wereld er niet aan toe is.
En misschien heeft hij gelijk.
Die gedachte was het ergste. Niet de inbraak. Niet de verdwijningen. Niet het Consortium met zijn generaties van geheimhouding. Het ergste was dat Maarten in die bibliotheek had gezeten, tegenover die man met zijn grijze ogen en zijn eeuwenoude whisky, en dat een deel van hem β het deel dat de drempel had gevoeld, het deel dat wist hoe de werkelijkheid eruitzag als je de spleet een fractie breder opende β dat deel had geknikt. Inwendig. Onhoorbaar. Maar onmiskenbaar.
Hij heeft niet helemaal ongelijk.
Bij de afslag naar Leiden pakte hij zijn telefoon. Drie gemiste oproepen van Yara. Een berichtje: Bel me zodra je kunt.
Hij belde niet. Nog niet. Hij reed door, langs de universiteitsgebouwen, langs het Rapenburg, langs zijn eigen straat waar hij niet stopte. Hij reed door tot hij bij de kust was, bij Katwijk, waar de zee zwart en oneindig lag onder de winterhemel.
Hij stapte uit en liep naar het strand. De wind was ijskoud en rook naar zout en zeewier. De golven braken gestaag, ritmisch, onverschillig. Hij stond daar en keek naar het water en dacht aan Mesdag, die geloofde dat water een geheugen had. Aan Asselbergs, die geloofde dat de mensheid niet klaar was. Aan Yara, die geloofde dat de waarheid altijd gepubliceerd moest worden. Aan Lotte, die nog niet wist dat de wereld groter was dan zij dacht.
Aan zichzelf. Die niet meer wist wat hij geloofde.
De zee trok zich terug en kwam weer. Trok zich terug en kwam weer. Het oudste ritme ter wereld. Het ritme van een drempel die nooit sluit.
Maarten stond op het strand en voelde de kou tot in zijn botten en wist dat Asselbergs gelijk had gehad over een ding: dit was een beslissing die niet ongedaan kon worden gemaakt. Welke kant hij ook koos β publiceren of zwijgen, de waarheid delen of haar bewaken β er was geen weg terug. Er was nooit een weg terug geweest. Niet sinds Andalusie. Niet sinds de kamer. Niet sinds de stilte die aandachtig was.
Hij haalde zijn telefoon tevoorschijn en belde Yara.
Ze nam op na een halve bel.
"Ik ben heel," zei hij. "Ik vertel het je morgen."
"Maartenβ"
"Morgen. Ik beloof het."
Hij hing op. Stopte de telefoon in zijn jaszak. Stond nog een moment in de wind. Toen liep hij terug naar de auto, met in zijn borstzak het visitekaartje van een man die de waarheid kende en haar gevangen hield, en in zijn hoofd de echo van een vraag die geen antwoord had.
Iemand moet beslissen wat de wereld weet.
Maar wie?