De Drempel van Hermes

Hoofdstuk 13 – Lotte

Het was de manier waarop ze uit de trein stapte die hem elke keer weer raakte. Niet het moment zelf β€” het opstaan, het pakken van haar rugzak, het stappen over de drempel van de coupedeur naar het perron β€” maar de seconde erna. Die fractie van een seconde waarin ze om zich heen keek, haar vader zocht, hem vond, en haar gezicht iets deed dat ze zelf waarschijnlijk niet eens opmerkte. Een oplichten. Een heel kort, bijna onzichtbaar verzachten van de lijn rond haar mond.

Het was niet meer het gezicht van een kind. Dat was het al een tijd niet meer. Lotte was zestien en ze bewoog zich door de wereld met de hoekige zekerheid van iemand die weet dat ze slim is maar nog niet precies weet wat ze daarmee moet. Lang, donker haar dat ze vandaag in een onhandige vlecht had gedaan. Het gezicht van haar moeder, de ogen van haar vader. Een combinatie die in de spiegel vast lastig was maar die Maarten elke keer dat hij haar zag het gevoel gaf dat de wereld iets goed had gedaan.

"Hey." Ze stond voor hem met haar rugzak over een schouder. Ze droeg een oversized trui die tot halverwege haar dijen reikte en sneakers die eruitzagen alsof ze een expeditie achter de rug hadden. Zestien.

"Hey." Hij omhelsde haar. Ze liet het toe β€” drie seconden, misschien vier. Dat was de afspraak, onuitgesproken. Niet te lang. Niet alsof hij haar miste, ook al miste hij haar elke dag.

"Hoe was de trein?"

"Vol. Er zat een man naast me die de hele rit belde over een pallet tegels die naar het verkeerde adres was gestuurd. Ik weet nu meer over vloertegels dan ik ooit wilde weten." Ze haalde haar telefoon uit haar zak, keek ernaar, stopte hem terug. Een gebaar dat zo automatisch was dat het geen functie meer had. "En zijn hond was ziek. De man, niet de tegels. Zijn hond had iets gegeten wat niet mocht. Dat was het tweede telefoontje."

"Klinkt als een reis."

"Zeker. Een epische reis. Een odyssee van tegels en zieke honden."

Maarten glimlachte. Die toon β€” die droge, licht spottende ondertoon β€” was puur Anneke. Maar de manier waarop ze het bracht, de timing, het kleine trekje om haar mond alsof ze het grappiger vond dan ze liet merken β€” dat was van hem. Of dat beeldde hij zich tenminste in.

Ze liepen het station uit, Leiden Centraal, de middagzon in. Het was begin november maar de herfst deed alsof het nog oktober was, zacht en heiig, met een licht dat alles een beetje goudkleurig maakte. De grachten lagen er stil bij. Een roeiboot gleed langzaam onder de Hooigracht door, bemand door studenten die er te oud voor leken.

"Heb je honger?" vroeg hij.

"Altijd."

"Ik dacht aan die pannenkoekenzaak bij de Pieterskerk. Of als jeβ€”"

"Pannenkoeken is goed."

Ze liepen door de binnenstad. Maarten paste zijn tempo aan het hare aan β€” hij liep altijd te snel, een gewoonte van iemand die te veel in zijn hoofd zat om op te letten hoe zijn benen zich gedroegen. Lotte liep langzamer. Ze keek. Dat was iets wat hij de laatste twee jaar aan haar had zien groeien: een aandacht voor haar omgeving die niet uit onzekerheid voortkwam maar uit iets anders. Interesse. Een soort stil registreren van de wereld.

Ze lijkt op mij, dacht hij. Meer dan ze weet. Meer dan ik haar wil vertellen.

Het was de eerste keer dat hij haar zag sinds het gesprek met Asselbergs. Vier dagen geleden. Vier dagen waarin de wereld een andere vorm had gekregen, waarin de drempelzones β€” hij kon het woord niet meer denken zonder de stem van de oude man te horen β€” een context hadden gekregen die alles veranderde en tegelijkertijd niets oploste. Het Consortium. De eeuwenlange bewaking. Het argument voor geheimhouding dat zo logisch klonk als je het in de juiste volgorde presenteerde.

Niet nu, zei hij tegen zichzelf. Niet vandaag. Vandaag is ze er en dat is genoeg.

In de keuken van zijn appartement druppelde de kraan. Hij hoorde het door de dichte badkamerdeur heen, een regelmatig, zacht tikken dat deel was geworden van het achtergrondgeluid van zijn leven. Hij moest de ring vervangen. Al drie weken. Misschien vier.

De pannenkoekenzaak was halfvol. Ze kregen een tafeltje bij het raam, met uitzicht op de Pieterskerk. De serveerster kende Maarten β€” hij kwam hier vaker dan gezond was voor iemand die beweerde te kunnen koken β€” en glimlachte naar Lotte met de automatische warmte van de horeca.

"Spek en kaas," zei Lotte zonder de kaart te openen.

"Je weet niet eens of ze dat hebben."

"Het is een pannenkoekenzaak, pap. Ze hebben spek en kaas. Dat is letterlijk hun bestaansreden."

"Punt." Hij bestelde hetzelfde. Twee koffie. Lotte dronk tegenwoordig koffie. Dat was nieuw, de afgelopen maanden begonnen. Het herinnerde hem eraan dat ze niet stilstond, dat ze evolueerde in de weken dat hij haar niet zag, dat er hele stukken van haar leven waren die hij alleen in fragmenten meekreeg.

"Hoe is het op school?"

"Beter dan het was. Slechter dan het wordt." Ze pakte een suikerzakje uit het bakje op tafel en begon het tussen haar vingers te draaien. "Meneer Bakker denkt dat ik me verveel in de les."

"Verveel je je?"

"Ja. Maar dat hoeft hij niet te weten."

"Wat geeft hij?"

"Geschiedenis." Ze keek hem aan. "Ja, ik weet het. Jij zou zeggen dat geschiedenis per definitie interessant is."

"Ik zou dat inderdaad zeggen."

"Het punt is niet de geschiedenis. De geschiedenis is prima. Het punt is hoe hij het vertelt. Alsof het al af is. Alsof alles al is uitgezocht en wij het alleen maar hoeven te onthouden." Ze scheurde het suikerzakje open, strooidde het in haar koffie. "Jij vertelde het anders. Toen ik klein was en je me dingen vertelde over de pyramides en zo. Jij vertelde het alsof het nog niet klaar was. Alsof er nog stukken ontbraken."

Maarten voelde iets in zijn borst bewegen. Omdat er stukken ontbreken. Meer dan je weet.

"Dat komt omdat er stukken ontbreken," zei hij. "Dat is het mooie van geschiedenis. Het is nooit af."

"Zeg dat tegen meneer Bakker."

De pannenkoeken kwamen. Ze aten. Lotte vertelde over haar vriendin Sophie die verliefd was op iemand van wie de naam drie keer veranderde in het verhaal, wat Maarten deed vermoeden dat het allemaal nog erg in beweging was. Ze vertelde over een podcast die ze had ontdekt over architectuur, wat hem verraste. Ze vertelde over haar moeder, voorzichtig, in zijdelingse zinnen, alsof ze een grens testte die ze zelf had getrokken. Anneke had een nieuwe baan. Iets met communicatie bij een museum. Het ging goed.

"Dat is mooi," zei Maarten, en hij meende het. Grotendeels.

Na de lunch liepen ze door de stad. Het was Lottes idee om naar de Pieterskerk te gaan. Niet voor een dienst β€” Lotte geloofde nergens in behalve in haar eigen oordeel, wat Maarten tegelijkertijd trots maakte en zorgen baarde β€” maar omdat ze het gebouw mooi vond.

"Ik ben er met school geweest, twee jaar geleden," zei ze terwijl ze door de zware houten deur naar binnen liepen. "Maar toen was het een excursie en moesten we een werkblad invullen, dus ik heb eigenlijk niets gezien."

De Pieterskerk was leeg. Een zaterdag in november, geen evenementen, geen concerten. Alleen het gebouw zelf, de veertiende-eeuwse muren, de hoge gotische bogen die het licht naar beneden leidden in schuine banen vol stof. Hun voetstappen echoden op de stenen vloer. Ergens in de verte klonk het zachte gebrom van een verwarmingsinstallatie.

Maarten had dit gebouw tientallen keren bezocht. Als student, als onderzoeker, als toerist in zijn eigen stad. Hij kende de afmetingen. Hij kende de geschiedenis β€” laat-gotisch, vijftiende en zestiende eeuw, gebouwd op de fundamenten van een romaanse voorganger. Hij kende de graven, de orgels, het beroemde koor. Hij kende de ruimte.

Maar hij kende de ruimte nu ook anders. Sinds Saqqara, sinds de kathedraal in het Zwarte Woud, sinds het klooster in Spanje, keek hij naar oude gebouwen met een blik die was veranderd. Hij zocht niet meer alleen naar vormen en verhoudingen. Hij zocht naar iets wat eronder lag. Een trilling. Een asymmetrie die niet in de plattegrond stond.

De Pieterskerk was gewoon een kerk. Dat had hij al eerder vastgesteld. Geen drempelzone. Geen anomalie. Alleen steen, vakmanschap en eeuwen van gebeden die al dan niet waren verhoord.

Lotte liep voor hem uit. Ze bewoog zich door de kerk zoals ze zich door alles bewoog β€” met een mengeling van nonchalance en heimelijke aandacht. Ze bleef staan bij het koor, keek omhoog naar de gewelven, liep verder naar een zijbeuk waar het licht valer was.

"Pap?"

"Ja."

"Vind jij dat sommige gebouwen groter zijn vanbinnen dan vanbuiten?"

Maarten bleef staan. De zin raakte hem ergens tussen zijn slapen en zijn maag, een fysieke reactie die niets te maken had met pannenkoeken. Hij keek naar haar. Ze stond met haar rug naar hem toe, haar hoofd in haar nek, haar blik ergens hoog in de gewelven.

"Hoe bedoel je?" Zijn stem klonk normaal. Hij hoopte dat zijn stem normaal klonk.

"Ik bedoelβ€”" Ze draaide zich om. "Je kent dat gevoel toch? Dat je een oud gebouw binnenloopt en het is... ruimer dan het zou moeten zijn? Niet dat het groot is, want kerken zijn sowieso groot. Maar dat het meer ruimte heeft dan de muren toestaan. Alsof er een extra laag is die je niet kunt zien maar wel kunt voelen."

Alsof God de wereld had gevouwen.

De woorden van Fra Bernardo da Lucca, 1247, flitsten door zijn hoofd. Een Dominicaan in Constantinopel die hetzelfde had beschreven, in het Latijn, bijna achthonderd jaar geleden. En nu stond zijn zestienjarige dochter in de Pieterskerk en formuleerde het in haar eigen woorden, in het Nederlands, met haar handen in de zakken van haar oversized trui.

"Dat is een bekend fenomeen," zei hij, en hij haatte zichzelf om de academische reflex. De afstandelijke toon. De muur van objectiviteit die hij optrok wanneer iets te dichtbij kwam. "Gotische architectuur is ontworpen om dat effect te creeren. De verhoudingen, het licht, de verticale lijnen β€” het is bedoeld om je klein te laten voelen. Om het idee van het goddelijke op te roepen."

"Dat bedoel ik niet." Lotte keek hem aan met een blik die hij kende. Het was de blik die ze had gehad als kleuter wanneer een volwassene haar met een te simpel antwoord afscheepte. Geduldig ongeduld. "Ik bedoel niet dat het zo voelt vanwege de architectuur. Ik bedoel dat het echt zo is. Dat sommige ruimtes meer ruimte bevatten dan er past."

Maarten slikte. "Dat klinkt alsβ€”"

"Als onzin, ik weet het." Ze haalde haar schouders op. "Laat maar."

"Nee. Niet laat maar." Hij deed een stap naar haar toe. "Vertel het me. Wanneer heb je dat voor het eerst gevoeld?"

Ze keek hem onderzoekend aan. Er was iets in haar blik veranderd β€” verrassing, misschien, dat hij haar serieus nam. Of argwaan dat hij haar te serieus nam.

"Altijd," zei ze. "Ik dacht dat iedereen het had."

"Wat precies? Beschrijf het."

"Oke, dit klinkt heel raar." Ze ging op een kerkbank zitten, haar benen opgetrokken, haar kin op haar knieen. "In sommige oude gebouwen β€” niet alle, maar sommige β€” heb ik het gevoel dat de ruimte luistert. Niet dat er iemand luistert. Dat de ruimte zelf luistert. Alsof de muren aandacht hebben."

De muren ademen. Frater Gregorius, 870.

"En het is niet eng," ging Lotte verder. "Het is meer... aandachtig. Alsof je in een kamer staat die weet dat je er bent. Die je opmerkt." Ze trok haar neus op. "Klinkt dat gestoord?"

"Nee." Het kwam er te snel uit. Te stellig. Hij dwong zichzelf om adem te halen. "Nee, het klinkt niet gestoord. Vertel me meer. Waar heb je het gevoeld?"

Lotte dacht na. Het stof bewoog traag door de lichtbanen boven hen. Ergens in het gebouw sloeg een deur dicht.

"Het Muiderslot," zei ze. "Die schoolreis in de tweede. Iedereen vond het saai. Al die kamers met van die touwen ervoor en bordjes die je niet mocht aanraken. Maar er was een kamer β€” ik weet niet meer welke, ergens in de toren β€” waar het anders was. De lucht was anders. Niet kouder, niet warmer, gewoon... dichter. Alsof de kamer meer bevatte dan alleen lucht. En de muren β€” ik weet dat dit idioot klinkt β€” de muren leken te ademen. Heel langzaam. Alsof het gebouw sliep en ik het kon horen."

Maarten ging naast haar zitten. Zijn knieen protesteerden. Hij was vijfenveertig en zijn lichaam herinnerde hem daar steeds vaker aan.

"Wat deed je?"

"Niets. Ik stond daar en ik voelde het en toen riep mevrouw Van Dam dat we door moesten en toen liep ik verder en het was weg." Ze keek naar haar handen. "Maar ik wist dat het echt was. Dat het niet in mijn hoofd zat. Iets in die kamer was anders dan de andere kamers. Groter. Dieper. Ik heb er nooit met iemand over gepraat omdat β€” ja. Hoe leg je zoiets uit?"

Dat kan ik je vertellen, dacht Maarten. Dat kan ik je heel precies vertellen. Met formules en meetgegevens en historische bronnen en de namen van mensen die hun leven eraan hebben gewijd. Ik kan je vertellen dat wat je voelde echt is, dat het meetbaar is, dat het een naam heeft, dat er een netwerk van zones bestaat verspreid over de hele wereld waar de ruimte zich anders gedraagt dan de natuurkunde toestaat. Ik kan je vertellen dat er een organisatie is die dit al eeuwen geheim houdt. Ik kan je alles vertellen.

Hij zei niets.

"Pap? Je kijkt raar."

"Sorry." Hij glimlachte. Het voelde onecht op zijn gezicht. "Ik luister. Ga door. Waar nog meer?"

"Een keer in de Oude Kerk in Amsterdam. Met mama. Ik was een jaar of twaalf, denk ik. We waren erheen gegaan voor een tentoonstelling, iets met licht of geluid, ik weet het niet meer. Maar onder de vloer β€” je kon door glazen panelen naar beneden kijken, naar de graven β€” had ik het gevoel dat de ruimte onder mijn voeten veel groter was dan wat ik kon zien. Alsof de kelder doorging. Alsof er meer was."

"En je moeder? Voelde zij iets?"

Lotte schudde haar hoofd. "Mama vindt oude kerken koud en deprimerend. Ze wilde koffie." Een halve glimlach. "Ik heb het haar niet verteld. Ze zou zeggen dat ik te veel fantasie heb."

Anneke zou dat inderdaad zeggen, dacht Maarten. Anneke was een vrouw van oppervlakken. Niet dom β€” verre van β€” maar praktisch op een manier die geen ruimte liet voor wat niet paste. Het was een van de redenen waarom hun huwelijk het niet had gered. Hij leefde in de marges van de werkelijkheid. Zij leefde in het centrum.

"Lotte. Is het de laatste tijd nog gebeurd?"

Ze keek hem aan. Er lag nu iets waakzaams in haar ogen. "Waarom vraag je dat?"

"Gewoon interesse."

"Je bent nooit 'gewoon' geinteresseerd, pap. Jij bent altijd ergens specifiek geinteresseerd in." Ze trok haar wenkbrauwen op. "Is dit een archeologen-ding? Heb je hier onderzoek naar gedaan?"

De directheid. Dat was het probleem met slimme kinderen. Ze zagen dwars door je heen. En Lotte was niet zomaar slim β€” ze had het soort intelligentie dat patronen herkende, dat verbanden legde die je niet had aangeboden, dat vragen stelde op het moment dat je hoopte dat niemand ze zou stellen.

"Nee," loog hij. Het woord voelde als een steen in zijn mond. "Ik vind het gewoon fascinerend. Hoe mensen ruimte ervaren. Het is een bekend onderzoeksgebied in de architectuurpsychologie."

Lotte keek hem lang aan. Toen haalde ze haar schouders op β€” een gebaar dat zei: ik geloof je niet helemaal maar ik laat het gaan.

"Vorige maand," zei ze. "Bij die open dag van het Rijksmuseum. Je weet wel, dat stuk waar ze de kelder hadden opengesteld. Dat deel van het gebouw dat normaal niet toegankelijk is. De oude fundamenten."

"Wat voelde je?"

"Hetzelfde als altijd. Maar sterker." Ze zweeg even. Haar vingers plukten aan een draad van haar trui. "Alsof de ruimte iets wilde zeggen. Alsof er een druk was, van binnenuit, iets dat tegen de muren duwde. En de lucht β€” de lucht rook naar iets wat ik niet kan beschrijven. Niet vocht. Niet stof. Iets anders. Iets ouds."

Mineraal, dacht Maarten. Droog en mineraal. De geur van steen die nooit zonlicht heeft gezien.

Hij kende die geur. Hij had hem voor het eerst geroken in Saqqara, in een gang die vierduizend jaar oud was. En daarna in elke drempelzone die hij had betreden. Het was een constante β€” een van de weinige constanten die hij had kunnen vastleggen. De zones roken naar iets wat niet in de ruimte thuishoorde.

En Lotte rook het ook.

"Heb je er met iemand over gepraat?" vroeg hij. "Een vriendin? Een leraar?"

"Pap. Ik ga niet tegen mijn leraren zeggen dat gebouwen tegen me praten."

"Ze praten niet tegen je."

"Nee, ik weet het. Het is meerβ€”" Ze zocht naar woorden. "Het is alsof ze een frequentie hebben. Alsof elke oude ruimte trilt op een eigen frequentie en de meeste mensen dat niet horen, maar ik wel. Soms." Ze lachte, kort en ongemakkelijk. "Oke. Dit is het punt waar jij zegt dat ik naar een psycholoog moet."

"Dat ga ik niet zeggen."

"Waarom niet? Het klinkt best gek."

"Omdat het niet gek is." Hij legde zijn hand op haar schouder. Even maar. "Sommige mensen zijn gevoeliger voor ruimtelijke prikkels. Dat is gedocumenteerd. Het heeft te maken met hoe je hersenen sensorische informatie verwerken. Jij neemt dingen waar die andere mensen filteren."

Het was niet gelogen. Niet helemaal. Het was een laag van de waarheid β€” de buitenste laag, de laag die veilig was, de laag die een zestienjarige kon horen zonder dat haar wereld verschoof op haar fundamenten.

De laag eronder β€” dat er zones bestonden waar de ruimte meetbaar afweek van de natuurkunde, dat hij er vijf had bezocht en in drie ervan de anomalie zelf had ervaren, dat een schaduworganisatie deze kennis al eeuwenlang bewaakte, dat de gevoeligheid die Lotte beschreef betekende dat ze misschien in staat was om drempels waar te nemen die de meeste mensen niet eens konden vermoeden β€” die laag hield hij voor zichzelf.

Ze bleven nog een halfuur in de kerk. Lotte liep rond, las grafstenen, maakte foto's met haar telefoon. Op een gegeven moment stond ze stil bij een pilaar in de noordelijke zijbeuk, haar hand plat tegen het steen, haar ogen halfgesloten.

"Hier niet," zei ze zacht. "Hier is het gewoon een muur."

Maarten knikte en zei niets. Maar hij dacht: ze test het. Ze zoekt de grens op. Ze probeert te begrijpen waar het begint en waar het stopt. En ze doet het instinctief, zonder protocol, zonder instrumenten, zonder te weten wat ze zoekt.

Ze is beter dan ik.

Die gedachte maakte hem trots en doodsbang tegelijk.

De rest van de middag was normaal. Ze gingen terug naar zijn appartement β€” twee kamers boven een fietsenwinkel aan de Breestraat, te klein, te duur, maar met een raam dat uitzicht bood op de Rapenburg en dat maakte alles goed. Lotte installeerde zich op de bank met haar laptop en haar oordopjes, haar benen over de leuning, haar haar als een donker gordijn voor haar gezicht. Maarten maakte thee en probeerde niet naar haar te staren.

De kraan druppelde.

Hij ging aan zijn bureau zitten en deed alsof hij werkte. Op zijn scherm stond een artikel over gotische akoestiek dat hij drie dagen geleden was begonnen en niet had afgemaakt. De woorden waren er wel maar de betekenis gleed van hem af. Hij dacht aan Asselbergs, aan het Consortium, aan de zorgvuldige argumenten voor geheimhouding die zo overtuigend klonken in het halfduister van een Haags herenhuis.

Sommige kennis is te groot voor de mensheid in haar huidige staat.

Maar wat als de mensheid niet een abstract concept was? Wat als het een zestienjarig meisje was op je bank, met haar hoofd vol muziek en haar vingers op een toetsenbord, een meisje dat iets kon waarnemen dat de meeste volwassenen met al hun instrumenten niet konden meten?

Bescherm je haar door haar onwetend te houden? Of maak je haar kwetsbaar door haar geen taal te geven voor wat ze ervaart?

De kraan druppelde.

"Pap?"

"Ja."

"Die kraan maakt me gek."

"Ik weet het. Ik ga hem repareren."

"Je zegt dat al weken."

"Ik zeg dat al weken, ja."

Ze grijnsde. Hij grijnsde terug. Even was alles simpel.

's Avonds kookte hij pasta. Niets bijzonders β€” penne met een saus van tomaat, olijven, kappertjes, iets wat hij ooit van een Italiaanse collega had geleerd en dat sindsdien zijn standaardgerecht was geworden voor de weekenden dat Lotte er was. Ze aten aan de kleine keukentafel. Lotte vertelde over een serie die ze keek, iets met tijdreizen en parallelle dimensies, en Maarten luisterde met een aandacht die pijnlijk was omdat hij wist hoeveel van wat ze als fictie beschouwde dichter bij de werkelijkheid lag dan ze kon vermoeden.

"Het idee is dat de ruimte niet overal hetzelfde is," zei Lotte met een vork vol pasta halverwege haar mond. "Dat er plekken zijn waar de regels anders werken. Dunne plekken."

Locus ubi mundus tenuis fit.

"Klinkt als science fiction," zei Maarten.

"Ja, maar dat is het punt. Alle goede science fiction begint met iets echts." Ze keek hem aan. "Dat zei jij altijd."

"Zei ik dat?"

"Toen ik klein was. Toen je me voorlas uit die boeken over Egypte. Je zei: de meeste mythen beginnen met een observatie."

Hij herinnerde het zich. Zaterdag avonden in het oude huis in de Rivierenbuurt, voor de scheiding, toen Lotte zeven of acht was en hij haar voorlas over farao's en piramides en ze vragen stelde die hij niet kon beantwoorden. De meeste mythen beginnen met een observatie. Had hij dat gezegd? Het klonk als iets wat hij zou zeggen.

Het klonk als iets wat waar was.

"Pap, je bent er weer niet."

"Sorry."

"Je doet dat steeds vaker. Wegdrijven. Alsof je ergens naartoe gaat in je hoofd waar ik niet mee kan." Ze zei het luchtig maar haar ogen waren scherp. "Is alles oke op je werk?"

"Ja. Druk, maar goed."

"Mama zegt dat je er moe uitziet."

"Wanneer heeft je moeder mij gezien?"

"Op die foto die ik had gestuurd. Van de verjaardag van oma." Lotte draaide haar vork door de saus. "Ze zei: je vader ziet er moe uit. Hij werkt te hard."

Anneke. Zelfs nu, twee jaar na de scheiding, kon ze hem vanuit Amsterdam met drie woorden raken alsof ze nog aan dezelfde keukentafel zaten.

"Ik werk niet te hard. Ik slaap alleen niet genoeg."

"Dat is hetzelfde, pap."

"Nee. Het een is een keuze en het ander is een gevolg."

"Diep." Ze grijnsde. "Heel diep. Dat moet je op een tegeltje laten zetten."

Hij lachte. Ze lachte. De kraan druppelde.

Later, op de bank, keken ze een film die Lotte had uitgekozen en waar Maarten niets van begreep. Ze zat tegen hem aan, haar hoofd bijna op zijn schouder maar niet helemaal, in die tussenpositie die zestienjarigen innamen wanneer ze behoefte hadden aan nabijheid maar het niet wilden toegeven. Hij rook haar shampoo. Iets met kokos. Anders dan de shampoo die ze als kind had gehad, maar het riep hetzelfde op: een reflex van bescherming zo diep dat het niet in woorden paste.

Halverwege de film zei ze: "Pap. Dat van die gebouwen. Ik meen het echt."

"Dat weet ik."

"En het is niet eng. Het is eigenlijk mooi. Alsof er meer is dan wat je kunt zien. Alsof de wereld lagen heeft."

"Dat heeft de wereld ook."

"Ja, maar ik bedoel β€” echte lagen. Niet metaforisch. Echt." Ze zweeg. "Denk je dat ik gek ben?"

"Ik denk dat je bijzonder bent."

"Dat zeggen alle vaders."

"Niet alle vaders hebben gelijk."

Ze snoof, halfgearmuseerd, halfongelovig. Toen pakte ze zijn arm en legde hem om haar schouder, een gebaar dat ze al twee jaar niet had gemaakt, en Maarten zat heel stil omdat hij wist dat als hij bewoog of iets zei de betovering zou breken en ze weer zestien zou zijn, op afstand, onbereikbaar.

Ze voelt het, dacht hij. Ze voelt de drempels. Ze heeft het altijd al gevoeld. En ik kan haar niet beschermen door het te ontkennen. Maar ik kan haar ook niet beschermen door het haar te vertellen.

Er is geen goede optie. Er zijn alleen opties.

De kraan druppelde in de badkamer, zacht en regelmatig, als een hartslag van iets dat geduld had.

Zondagmiddag bracht hij haar terug naar het station. Ze liepen dezelfde route als de dag ervoor, langs dezelfde grachten, onder dezelfde bomen die hun laatste bladeren lieten vallen met de onverschilligheid van iets dat wist dat ze zouden terugkomen. Lotte had haar rugzak over haar schouder en haar telefoon in haar hand en ze liep een halve pas voor hem uit, al op weg naar het volgende.

Op het perron zei ze: "Over twee weken?"

"Over twee weken."

Ze omhelsde hem. Drie seconden. Vier. Vijf. Langer dan de afspraak. Hij zei er niets over.

"Pap?"

"Ja."

"Repareer die kraan."

Hij lachte. Ze stapte de trein in. Hij keek hoe ze een plek zocht bij het raam, haar rugzak op de stoel naast haar, haar oordopjes in. Ze keek naar buiten, zag hem, stak haar hand op. Niet zwaaien β€” een kort gebaar, palm naar voren, vingers gespreid. Vijf seconden. Toen keek ze naar haar telefoon en was ze weg, ook al stond de trein nog stil.

Maarten bleef staan tot de trein vertrok. Tot de rode achterlichten om de bocht verdwenen en het perron leeg was en er niets meer te zien was behalve de rails die naar het noorden liepen, naar Amsterdam, naar het leven van zijn dochter dat zich voltrok zonder hem.

Hij liep terug naar zijn appartement. De stad was stil. De herfst hing in de grachten als mist die niet de moeite nam om op te stijgen.

In de badkamer stond hij een volle minuut naar de kraan te kijken. Het druppelen was constant β€” elke vier seconden een druppel, precies, alsof er een mechanisme achter zat dat de regelmaat bepaalde. Een simpel probleem. Een versleten ring. Twintig minuten werk. Hij kon het nu doen. Hij had de ring al liggen, in de la naast het aanrecht, al weken.

Maar hij deed het niet. Hij ging aan zijn bureau zitten, opende zijn laptop en staarde naar het scherm zonder iets te zien. Hij dacht aan Lotte in de trein, haar hoofd tegen het raam, haar ogen dicht misschien, of open, kijkend naar het landschap dat voorbijschoot. Hij dacht aan het Muiderslot en een tweedejaars die in een torenkamer had gevoeld dat de muren ademden. Hij dacht aan de Oude Kerk en een twaalfjarige die door een glazen vloer had gekeken en had geweten dat er meer was.

Ze is afgestemd, dacht hij. Het woord dat Yara gebruikte β€” attuned. Sommige mensen waren afgestemd op de zones. Niet getraind, niet uitgerust met instrumenten, maar van nature ontvankelijk voor de frequentie die de drempels uitzonden. Het was een hypothese waar ze over hadden gespeculeerd maar waar ze geen bewijs voor hadden gehad.

Nu had hij bewijs. Het zat in een trein naar Amsterdam met oordopjes in en een telefoon in haar hand.

De vraag was wat hij ermee deed.

Asselbergs zou zeggen: niets. Bescherm haar door te zwijgen. Het Consortium had eeuwenlang gezwegen en de wereld had gedraaid en de zones waren bewaakt en niemand was in gevaar gebracht door kennis die ze niet konden hanteren. Zwijgen was veilig. Zwijgen was verantwoord. Zwijgen was de keuze van redelijke mannen die het grotere plaatje zagen.

Maar Maarten was haar vader. En een vader die zweeg over iets wat zijn dochter betrof was geen beschermer. Hij was een bewaker. Er was een verschil.

Hij sloot zijn laptop. Hij stond op. Hij liep naar de badkamer, pakte de moersleutel uit de la, draaide de toevoer dicht en begon de kraan te demonteren. Het was simpel werk. Methodisch. Een ring vervangen, de pakking controleren, de kraan weer in elkaar zetten, de toevoer openen, testen. Twintig minuten.

Toen hij klaar was druppelde de kraan niet meer. De stilte die ervoor in de plaats kwam was luider dan het geluid was geweest.

Hij stond in zijn stille badkamer en dacht: sommige dingen kun je repareren.

En: sommige dingen niet.

En: het verschil weten is het begin van wijsheid, of het begin van wanhoop, en ik weet niet welke kant dit opgaat.

Het was donker buiten. Leiden lag stil. Ergens in Amsterdam zat zijn dochter in haar kamer, misschien huiswerk makend, misschien muziek luisterend, misschien kijkend naar haar handen en denkend aan muren die ademden en ruimtes die luisterden en een wereld die meer lagen had dan iemand haar had verteld.

Maarten ging aan zijn bureau zitten en opende het dossier dat hij de afgelopen maanden had opgebouwd. Aantekeningen, metingen, historische bronnen, alles wat hij wist over de drempelzones. Hij voegde een nieuwe pagina toe. Bovenaan schreef hij, in het handschrift dat Lotte altijd had beschreven als doktersschrift maar dan van een archeologe:

Natuurlijke gevoeligheid β€” mogelijke erfelijke component?

Hij schreef een uur. Toen sloot hij het dossier, zette het in de onderste la van zijn bureau, en draaide de sleutel om.

De kraan was stil. Het appartement was stil. Buiten reed een fiets over de kasseien, een kort geratel dat wegstierf in de nacht.

Over twee weken kwam ze terug. Over twee weken zou ze door dezelfde deur lopen, dezelfde bank bevolken, dezelfde grappen maken. En hij zou haar aankijken en weten wat zij niet wist, en dat zou pijn doen op een manier waarvoor geen woord bestond in welke taal dan ook.

De meeste mythen beginnen met een observatie.

De zijne was begonnen met een meting die niet klopte in een Egyptische gang. De hare begon met een gevoel in een torenkamer op een schoolreis. Twee beginpunten. Dezelfde richting.

En hij kon haar niet tegenhouden. Dat was het ergste. Hij kon de kraan repareren en het dossier op slot doen en tegen haar liegen met een glimlach die haar bijna overtuigde. Maar hij kon niet veranderen wat ze was. Hij kon niet veranderen dat ze de drempels voelde, dat ze was afgestemd op een frequentie die de meeste mensen niet hoorden, dat ze β€” met of zonder zijn hulp β€” op een dag zou begrijpen wat het betekende.

Het enige wat hij kon doen was er zijn wanneer dat gebeurde.

Hij deed het licht uit en ging slapen in een appartement dat voor het eerst in weken stil was.