De Drempel van Hermes
Hoofdstuk 15 – Het Atlantis-manuscript
De leeszaal van de British Library was een kathedraal van stilte.
Niet de stilte van verlatenheid — de Humanities Reading Room was voor driekwart bezet, rijen gebogen ruggen boven boeken en laptops — maar een stilte die zichzelf afdwong door de pure massa van wat hier bewaard werd. Honderdzeventig miljoen objecten, had Maarten ergens gelezen. Het getal was te groot om te bevatten. Het was het soort getal dat je alleen kon aanvoelen, als een zwaartekracht die uitging van de kelders onder je voeten, waar kilometers stalen rekken zich uitstrekten in klimaatgecontroleerde duisternis.
Hij zat aan een van de lange tafels in het hart van de leeszaal, onder de koepel die het daglicht filterde tot iets zachts en tijdloos. Naast hem zat Yara, haar leeshandschoenen al aan, haar laptop opengeslagen met een Grieks-Italiaans lexicon en drie tabbladen vol paleografische referenties. Ze had haar haar opgebonden met het potlood dat haar vaste gewoonte was geworden — een gebaar dat Maarten inmiddels herkende als het moment waarop ze overging van gewoon nadenken naar dat andere, dat diepere register waarin ze talen las zoals muzikanten partituren lazen: niet woord voor woord, maar als een geheel dat zich in één oogopslag ontvouwde.
Ze waren die ochtend vanuit hun hotel in Bloomsbury komen lopen. Londen in februari: een lage hemel als een grijs plafond, het trottoir glimmend van regen die net was opgehouden, de geur van natte steen en dieseluitlaat en ergens daaronder de geur van de Theems. Bij het Novotel op de hoek van Euston Road had Maarten een man in een donkere jas gezien die hen leek te volgen, maar toen hij zich omdraaide was de man een winkel binnengestapt. Paranoia, had hij tegen zichzelf gezegd. Maar het woord had niet meer dezelfde gerustellende kracht als vroeger.
De aanvraag was drie dagen eerder ingediend. Yara had haar Oxford-netwerk ingezet — een voormalige studiegenoot die nu als conservator bij de afdeling Western Manuscripts werkte — om het proces te versnellen. Normaal gesproken vergde een aanvraag voor deze categorie manuscripten weken van bureaucratische correspondentie. Yara had het in drie telefoontjes geregeld, met die combinatie van academische autoriteit en persoonlijke warmte die Maarten inmiddels beschouwde als een van haar meest onderschatte talenten.
Het manuscript dat ze hadden aangevraagd, stond geregistreerd als Additional MS 22471 — een vijftiende-eeuwse Italiaanse codex, verworven door het British Museum in 1857 als onderdeel van een grotere aankoop uit de nalatenschap van een Venetiaanse verzamelaar. De catalogusbeschrijving was opvallend beknopt: Miscellaneous philosophical texts, Italian translation and commentary on Greek Neoplatonic fragments, c. 1460-1480. 47 folios. Vellum.
Geen vermelding van de inhoud. Geen indicatie van wat erin stond. Het soort beschrijving dat werd geschreven door iemand die het manuscript niet had gelezen, of door iemand die niet wilde dat het werd gelezen.
Maarten had het spoor gevonden in het Vaticaan. Broeder Herrera's collectie had een kruisverwijzing bevat — een brief uit 1477 van een Florentijnse humanist, Marsilio Calvetti, aan een niet nader genoemde ontvanger in Venetië. In die brief beschreef Calvetti een Grieks manuscript dat hij had vertaald en gekopieerd, een tekst die hij aanduidde als il testo del grande ritiro — de tekst van de grote terugtrekking. De brief vermeldde dat het origineel Grieks was, waarschijnlijk een kopie van een nog ouder werk, en dat de inhoud zo verontrustend was dat hij slechts één kopie van zijn vertaling had gemaakt, bestemd voor de bibliotheek van zijn beschermheer in Venetië.
Eén kopie. Die uiteindelijk was beland in de kelders van de British Library, waar hij al honderdzeventig jaar lag te wachten in de anonimiteit van een achteloos geschreven cataloguskaartje.
"Professor Vos?"
De stem was zacht, bijna verontschuldigend. Maarten keek op. Een jonge vrouw in een donkerblauw vest met het logo van de bibliotheek stond naast hun tafel. Ze droeg een platte archiefdoos met beide handen, alsof het gewicht ervan niet fysiek maar moreel was.
"Ik ben Dr. Ashworth. Claire Ashworth. Ik beheer de laatmiddeleeuwse Italiaanse collectie." Ze zette de doos voorzichtig op de tafel, precies in het midden van de schuimrubberen leessteun die al klaarstond. "Additional MS 22471. Ik moet zeggen — dit is de eerste aanvraag voor dit manuscript sinds ik hier werk. En ik werk hier al elf jaar."
"Nooit eerder aangevraagd?" vroeg Yara.
"Niet in mijn tijd. Ik heb het uitleenregister gecontroleerd. De laatste aanvraag dateert van 1971. Een Italiaanse onderzoeker." Ze aarzelde. Maarten zag het: een kleine plooi tussen haar wenkbrauwen, de blik van iemand die een vraag probeerde te formuleren zonder onbeleefd te zijn. "Mag ik vragen naar de aard van uw onderzoek? Puur uit professionele nieuwsgierigheid."
"Neoplatonische transmissiegeschiedenis," zei Yara, zonder een seconde te aarzelen. "De doorwerking van Griekse filosofische concepten in de Italiaanse Renaissance. Specifiek de kring rond Marsilio Ficino."
Het was niet gelogen. Het was alleen niet het hele verhaal. Ashworth knikte, zichtbaar gerustgesteld door de vertrouwde academische terminologie.
"Uiteraard. U kent de regels — katoenen handschoenen, geen directe aanraking van de inkt, en als u pagina's wilt omslaan, gebruik dan de spatel die bij de leessteun ligt. Mocht u vragen hebben, ik zit aan de balie bij sectie C." Een professionele glimlach. "Veel succes met uw onderzoek."
Ze liep weg. Maarten wachtte tot ze buiten gehoorsafstand was. Toen opende hij de doos.
Het manuscript was kleiner dan hij had verwacht. Gebonden in bruin kalfsleer dat was verbleekt tot de kleur van herfstbladeren. De band was eenvoudig, zonder goudstempeling of decoratie — een werkexemplaar, geen pronkstuk. Het formaat was kwarto, misschien vijftien bij twintig centimeter. Zevenenveertig vellen perkament, had de catalogus gezegd. Vierennegentig beschreven pagina's.
Maarten sloeg het eerste folio open. De tekst was geschreven in een regelmatig humanistisch cursief — het handschrift van een geoefend kopiist uit de tweede helft van de vijftiende eeuw. De inkt was bruin geworden met de eeuwen, maar goed leesbaar. Het Italiaans was het literaire Toscaans van de Renaissance, doordrenkt van latinismen.
De titel stond bovenaan het eerste blad in rode inkt: Del Grande Ritiro: ovvero, della partenza volontaria di quelli che furono prima.
Yara boog zich naar voren. Haar lippen bewogen terwijl ze las, een gewoonte die ze had bij teksten die haar raakten. "Van de Grote Terugtrekking," vertaalde ze zacht, "ofwel, over het vrijwillige vertrek van hen die er eerder waren."
Hen die er eerder waren. Maarten voelde een rilling langs zijn ruggengraat trekken die niets met de temperatuur te maken had.
"Blader door naar het derde folio," zei Yara. "Calvetti's brief noemde de kosmologische passages als openingstekst. Het kernmateriaal begint daarna."
Hij sloeg voorzichtig twee bladen om. Yara had gelijk. De eerste folios bevatten een inleiding die het manuscript plaatste in de traditie van Plato's Timaeus en Critias — de twee dialogen waarin Atlantis voor het eerst werd genoemd. Maar de toon was anders dan Maarten gewend was. Dit was geen navertelling van Plato. Dit was een correctie.
Yara begon te vertalen, haar stem nauwelijks meer dan een fluistering. De woorden vielen als druppels in de stilte van de leeszaal.
"Plato schreef naar waarheid, maar niet naar volledigheid. Want hij beschikte slechts over het verhaal zoals het via Solon uit Egypte was meegevoerd, en Solon zelf begreep niet wat de priesters van Sais hem vertelden. De priesters spraken van een verdwijning, en Solon hoorde een vernietiging. Zij spraken van een drempel, en hij begreep een afgrond."
Maarten schreef mee. Zijn pen kraakte over het papier, te luid in de omringende stilte. Aan de tafel tegenover hen keek een oudere man met een baard op van zijn boek, wierp een geïrriteerde blik, en boog zich weer over zijn werk.
"Ga door," fluisterde Maarten.
Yara bladerde naar het vijfde folio. Hier veranderde de tekst van inleiding naar beschrijving. De Italiaanse vertaler had in de marge een notitie geplaatst: Qui comincia il testo greco antico — hier begint de oude Griekse tekst. Wat volgde was geen Renaissance-filosofie meer. Het was ouder. Veel ouder.
"De bewoners van het eiland dat Plato Atlantis noemde, hadden kennis die wij verloren hebben. Zij begrepen dat de wereld niet één vlak kent, maar vele, en dat deze vlakken elkaar raken op bepaalde punten die de aarde zelf heeft aangewezen. Deze punten noemen wij de ademplaatsen — " Yara stopte. Haar ogen werden groter. "I punti del respiro della terra. De ademplaatsen van de aarde."
"De overgangszones," zei Maarten.
"Precies dezelfde terminologie als in De Liminibus. Dezelfde metafoor — de aarde die ademt. Punten waar de grens tussen hier en elders dun genoeg is om te passeren." Ze keek hem aan. In haar ogen zag hij dezelfde mengeling van opwinding en ontzetting die hij voelde. "Dit is geen onafhankelijke tekst. Dit is dezelfde traditie. Dezelfde kennislijn."
Ze las verder. Het manuscript beschreef hoe de beschaving die Plato Atlantis had genoemd — de auteur gebruikte een andere naam, hoi protoi, de eersten — een netwerk van architectonische structuren had gebouwd op de ademplaatsen. Structuren die niet dienden als tempels of paleizen, maar als versterkers van wat de tekst omschreef als la risonanza naturale dei punti — de natuurlijke resonantie van de punten. De architectuur was ontworpen om die resonantie te versterken, om de ademplaatsen open te houden, om de grens tussen de vlakken dun genoeg te houden voor passage.
"En toen de wateren rezen," vertaalde Yara, haar stem nu bijna onhoorbaar, "en de aarde beefde, en de sterren een stand aannamen die ongunstig was — toen kozen de eersten niet voor de strijd tegen de elementen, noch voor de vlucht naar andere kusten. Zij kozen de drempel. Zij openden de punten die zij al eeuwen hadden onderhouden, en zij gingen erdoorheen. Niet als vluchtelingen, maar als reizigers die terugkeren naar een thuis dat zij altijd hadden gekend."
De woorden bleven hangen in de lucht tussen hen in. Maarten merkte dat hij zijn adem had ingehouden. Om hen heen ging het leven in de leeszaal door — het zachte tikken van toetsenborden, het ritselen van pagina's, het gedempte kuchen van iemand drie tafels verderop — maar het leek een andere werkelijkheid, een film die op de achtergrond speelde terwijl de echte wereld zich op deze tafel ontvouwde.
"Ze zijn niet gezonken," zei hij.
"Ze zijn vertrokken. Vrijwillig. Door de overgangszones die ze zelf hadden gebouwd en onderhouden." Yara leunde achterover en staarde naar het plafond van de leeszaal, alsof de koepel boven hen de hemelse kamers weerspiegelde die het manuscript beschreef. "Het zinken van Atlantis in Plato's verslag — de aardbeving, de vloedgolf, het eiland dat in de zee verdwijnt — was geen fysieke vernietiging. Het was hoe het eruitzag voor degenen die achterbleven. De ene dag was de beschaving er. De volgende dag was ze verdwenen. Wat zie je dan, als buitenstaander? Je ziet een catastrofe. Je ziet vernietiging. Omdat je je niet kunt voorstellen dat iemand gewoon weggaat."
Maarten dacht aan de Azoren. Aan de convergentiepunten die ze hadden berekend. Aan het centrum van het web van overgangszones dat ze hadden gekarteerd — precies daar, midden in de Atlantische Oceaan, waar de oude verhalen een verloren beschaving plaatsten.
"Blader door," zei hij. "Er moet meer zijn."
Er was meer. Het zevende tot en met het elfde folio bevatte wat Maarten alleen kon omschrijven als een technische beschrijving van de overgangszones. De tekst gebruikte de term i punti del respiro consequent, maar voegde er een tweede term aan toe die Maarten nog niet eerder was tegengekomen: le soglie mantenute — de onderhouden drempels.
"Het onderscheid is cruciaal," mompelde Yara terwijl ze las. "De ademplaatsen zijn natuurlijk — ze bestaan uit zichzelf, als een eigenschap van de aarde. Maar ze zijn zwak. Te zwak voor passage. De onderhouden drempels zijn ademplaatsen die door architectuur zijn versterkt. Gebouwen met specifieke verhoudingen die de natuurlijke resonantie van het punt versterken tot het niveau waarop passage mogelijk wordt."
"De hermetische verhoudingen."
"Exact dezelfde. Luister — " Ze boog zich weer over het manuscript. "De bouwers kenden de maat van de aarde en de maat van de hemel, en zij wisten dat waar deze maten samenvallen in steen, daar wordt de sluier dun. De verhouding van het goddelijke getal tot zichzelf, vermenigvuldigd in drie richtingen, schept een ruimte die niet geheel tot deze wereld behoort."
"Phi in drie dimensies," zei Maarten. "Dezelfde specificaties als in De Liminibus. Dezelfde bouwvoorschriften die we in de kamers hebben teruggevonden."
Yara knikte, maar haar blik was al verder. Ze bladerde snel maar voorzichtig door de volgende folios, haar ogen schietend over de regels. Bij het dertiende folio stopte ze abrupt. Haar hand, die het perkament aanraakte via de spatel, trilde licht.
"Maarten."
"Wat?"
"Le soglie possono essere riaperte." Ze keek op. Haar gezicht was bleek in het gedempte licht. "De drempels kunnen heropend worden."
De stilte die volgde was anders dan alle stiltes die Maarten in deze leeszaal had ervaren. Het was de stilte van een grens die werd overschreden — niet fysiek, maar conceptueel. Tot nu toe was hun onderzoek retrospectief geweest. Ze hadden bestudeerd wat ooit was gebouwd, wat ooit had gefunctioneerd, wat ooit was verborgen. Maar dit was iets anders. Dit was een mogelijkheid die in het heden lag.
"Lees de passage," zei hij.
"Hoewel de eersten de drempels achter zich sloten toen zij vertrokken, sloten zij ze niet voorgoed. Want de aarde ademt nog steeds, en de punten bestaan nog steeds, en de maten van het goddelijke getal zijn niet veranderd. Wie de juiste steen plaatst op het juiste punt, in de juiste verhouding, met kennis van de sterren en de getijden van de aarde — die kan de drempel heropenen en staan waar de eersten hebben gestaan, op de grens tussen hier en daar."
Maarten merkte dat zijn handen trilden. Hij legde zijn pen neer en vouwde zijn handen in zijn schoot, een gebaar van zelfbeheersing dat hij had aangeleerd in decennia van academisch werk — het vermogen om kalm te blijven wanneer de data je wereldbeeld onderuithaalde.
"Zijn er instructies?" vroeg hij.
Yara bladerde verder. Het veertiende en vijftiende folio bevatten diagrammen — geometrische constructies die Maarten onmiddellijk herkende. Dezelfde verhoudingen. Dezelfde oriëntaties. Maar er was meer: aantekeningen over astronomische posities, over seizoenen, over wat de tekst le maree della terra noemde — de getijden van de aarde. Niet de getijden van de zee, maar iets anders. Iets wat de tekst beschreef als een ritmische pulsatie van de aarde zelf, een cyclus die de ademplaatsen beïnvloedde.
"De instructies zijn er," zei Yara langzaam. "Maar ze zijn niet compleet."
Bij het zestiende folio brak de tekst af. Niet geleidelijk — abrupt, midden in een zin. De kopiist had in de marge een notitie geplaatst in een haastiger handschrift: Il resto si trova nel secondo volume, che rimane in Alessandria.
"De rest bevindt zich in het tweede deel, dat in Alexandrië blijft," vertaalde Yara. Haar stem was vlak, maar Maarten hoorde de ondertoon — de mengeling van frustratie en opwinding van iemand die een deur vindt die op een kier staat.
"Alexandrië," herhaalde Maarten. "Egypte."
"De stad van de grote bibliotheek. De stad waar Fra Pietro in 1461 een kamer beschreef waar de wereld dun werd." Ze keek hem aan. "Het cirkelt terug. Alles cirkelt terug naar Egypte."
Maarten leunde achterover en liet zijn blik door de leeszaal dwalen. De koepel boven hen. De rijen tafels. De gebogen ruggen van onderzoekers die hun eigen vragen naliepen, hun eigen raadsels ontraafden, in de serene overtuiging dat de wereld was wat ze dachten dat ze was.
Als een hele beschaving ervoor koos om te vertrekken, dacht hij, wat zegt dat dan over de werkelijkheid die ze achterlieten? Als de eersten konden kiezen tussen deze wereld en iets anders — en ze kozen iets anders — wat betekent dat voor ons, die hier zijn gebleven?
Het was het soort gedachte dat hij als academicus onmiddellijk zou hebben onderdrukt. Speculatie. Metafysica. Het terrein van filosofen en mystieken, niet van archeologen. Maar het manuscript lag voor hem, vijfhonderd jaar oud, een kopie van een tekst die mogelijk tweeduizend jaar ouder was, en het vertelde hem met de droge precisie van een technisch handboek dat de werkelijkheid poreuzer was dan iemand wilde toegeven.
"We moeten dit fotograferen," zei hij.
Yara knikte. Ze keek om zich heen — de leeszaal was rustiger geworden in het afgelopen uur, verschillende tafels waren leeg. "Mijn telefoon zit in mijn jaszak. Als jij het manuscript openhoudt bij de diagrammen, kan ik —"
"Wacht." Maarten had iets gezien. Drie tafels verderop, aan de overkant van het gangpad, zat een man die hij eerder niet had opgemerkt. Of die er eerder niet had gezeten. Hij was van middelbare leeftijd, grijs haar, een onopvallend donker pak. Hij las een boek — of hield een boek vast. Het verschil was subtiel maar duidelijk voor iemand die zijn leven in leeszalen had doorgebracht: de man sloeg geen pagina's om. Zijn ogen waren niet op de tekst gericht. Ze waren gericht op hun tafel.
Toen Maarten naar hem keek, wendde de man zijn blik af. Te snel. Met de geoefende nonchalance van iemand die gewend was aan observeren zonder op te vallen.
"Niet omkijken," zei Maarten zacht tegen Yara. "Drie tafels links van ons. Grijs haar, donker pak."
Yara's kaakspieren spanden zich, maar ze keek niet op. "Sinds wanneer?"
"Ik weet het niet. Ik zag hem net pas. Maar hij zit niet te lezen."
"Denk je dat het de aanvraag was? Dat het manuscript geflagd staat in een systeem?"
"Het is in honderdzeventig jaar twee keer eerder aangevraagd. De laatste keer in 1971. Als iemand een melding heeft ingesteld voor dit specifieke manuscript —"
"— dan wisten ze binnen uren dat wij het hadden opgevraagd." Yara's stem was kalm, maar haar handen lagen roerloos op tafel — de stilte van iemand die al haar energie naar binnen richtte. "We fotograferen het nu. Alles. Snel maar volledig."
Ze werkten in stilte, met de efficiëntie van twee mensen die inmiddels gewend waren aan urgentie. Yara haalde haar telefoon tevoorschijn en fotografeerde systematisch elke pagina, folio voor folio, terwijl Maarten het manuscript openhield en de spatel gebruikte om de pagina's vlak te houden. De klik van de camera was nauwelijks hoorbaar. Ze werkten van voor naar achter, zonder pagina's over te slaan, ook niet de ogenschijnlijk lege schutbladen — je wist nooit wat UV-licht of digitale bewerking later nog zou onthullen.
Bij het drieëntwintigste folio — ze waren bij de passages over de astronomische cycli die de ademplaatsen beïnvloedden — keek Maarten opnieuw naar de man drie tafels verderop. Hij was er nog. Zijn boek lag nu dicht op tafel. Hij maakte geen poging meer om te doen alsof hij las. In plaats daarvan hield hij zijn telefoon tegen zijn oor, half afgewend, en sprak zacht.
"Hij belt iemand," fluisterde Maarten.
"Nog tien pagina's," antwoordde Yara. Haar handen bewogen sneller nu, maar niet minder precies. Klik. Omslaan. Klik. Omslaan.
Bij het zevenendertigste folio vond Maarten nog een passage die hem deed verstijven. Een beschrijving van wat er aan de andere kant van de drempel lag — niet in mythologische termen, maar in de taal van iemand die het had gezien. Of die iemand kende die het had gezien.
"Voorbij de drempel is de wereld niet anders, maar meer," vertaalde Yara terwijl ze fotografeerde, haar blik heen en weer schietend tussen het manuscript en haar telefoonscherm. "Zoals een mens die zijn hele leven in een kamer heeft doorgebracht en voor het eerst naar buiten stapt — de kamer verdwijnt niet, maar hij begrijpt nu dat de kamer altijd al deel was van iets groters. Zo is het ook met de wereld voorbij de drempel. Zij bevat deze wereld, maar is er niet toe beperkt."
De laatste pagina's bevatten een colofon van de kopiist en een korte notitie in een ander handschrift — later toegevoegd, vermoedelijk zestiende-eeuws — die Maarten niet onmiddellijk kon ontcijferen. Yara fotografeerde alles.
"Klaar," zei ze.
Zesennegentig foto's. Zevenenveertig folios, recto en verso. Plus de band, de schutbladen, de rug. Een volledig digitaal duplicaat van een manuscript dat de afgelopen vijf eeuwen in vergetelheid had gelegen.
Maarten sloot het manuscript en legde het terug in de archiefdoos. Zijn bewegingen waren beheerst, maar zijn gedachten raasden. De grote terugtrekking. Een beschaving die niet was vernietigd maar was vertrokken. Drempels die konden worden heropend. Instructies die half compleet waren, met de andere helft ergens in Alexandrië.
En een man drie tafels verderop die niet meer telefoneerde maar naar de uitgang liep, met de onhaste tred van iemand die niet hoefde te rennen omdat anderen dat voor hem zouden doen.
"We gaan," zei Maarten.
Ze brachten de archiefdoos naar de balie bij sectie C. Claire Ashworth was er niet — een collega nam de doos aan met een routineuze glimlach en een handtekening op het retourformulier. Ze liepen door de grote hal, langs de winkel en het café, naar de glazen deuren die uitkwamen op de Euston Road.
Buiten was het gaan regenen. Londen in februari: de stad leek in zichzelf te krimpen onder het gewicht van het water, de gebouwen donkerder, de mensen kleiner. Maarten bleef staan op het voorplein, bij het bronzen standbeeld, en keek achterom naar de bibliotheek. Het gebouw stond er onbewogen bij, rood baksteen en beton, een fort van kennis dat zijn geheimen bewaarde met de onverstoorbaarheid van een instituut dat al eeuwen bestond.
"De man is weg," zei Yara. Ze had om zich heen gekeken met de schijnbaar achteloze blik die Maarten inmiddels kende als haar manier van scannen. "Maar dat betekent niet dat we alleen zijn."
"Het Consortium."
"Of iemand die voor hen werkt. De aanvraag, Maarten — Additional MS 22471, voor het eerst in vijftig jaar. Als ze het systeem monitoren, weten ze precies wat we hebben bekeken. En als ze Calvetti's brief in het Vaticaan kennen, weten ze ook waarom."
Hij knikte. De regen viel op zijn gezicht en hij liet het toe, liet de kou en het water hem terugbrengen naar het heden, naar de fysieke werkelijkheid van een stad die twee millennia oud was en die al die tijd gewoon had doorgedraaid terwijl beschavingen kwamen en gingen — of vertrokken.
"Alexandrië," zei hij.
"Alexandrië," bevestigde Yara. Ze stond naast hem in de regen, haar jas dichtgeknoopt, haar telefoon met zesennegentig foto's veilig in haar binnenzak. "De tweede helft van de instructies. Het ontbrekende deel."
"Als het er nog is. De bibliotheek van Alexandrië is tweeduizend jaar geleden verwoest."
"De bibliotheek wel. Maar niet alles wat erin lag. En Fra Pietro schreef in 1461 over een ondergrondse kamer bij de oude bibliotheek — als er toen nog iets was, is er misschien nu nog iets."
Maarten dacht aan de passage die Yara had vertaald. Voorbij de drempel is de wereld niet anders, maar meer. Een beschaving die had gekozen voor het meer. Die had besloten dat deze werkelijkheid — met haar oorlogen en haar seizoenen en haar onontkoombare vergankelijkheid — niet het eindpunt was maar een beginpunt. Een kamer in een groter huis.
En ze hadden de deur achter zich dichtgedaan. Maar niet op slot.
"We boeken een vlucht naar Caïro," zei hij. "Vanavond nog."
Yara knikte. Ze liepen weg van de bibliotheek, de Euston Road op, twee figuren in de Londense regen die eruitzagen als willekeurig welke twee onderzoekers na een dag in de archieven — vermoeid, doorweekt, onopvallend. Maar in Yara's jaszak zaten zesennegentig beelden van een tekst die het verhaal van Atlantis herschreef. Niet als mythe van ondergang, maar als verslag van vertrek. Niet als waarschuwing, maar als uitnodiging.
En ergens achter hen, in de anonimiteit van de Londense menigte, bewoog iemand die dat ook wist.