De Drempel van Hermes
Hoofdstuk 16 – De Tegenslag
De telefoon ging om kwart over zes 's ochtends. Maarten lag niet te slapen. Hij lag op zijn rug in het donker van zijn appartement aan het Rapenburg en staarde naar het plafond waarop de lichten van een passerende fiets traag van links naar rechts schoven, als de zoeklamp van een schip over een zwarte zee. Hij had sinds twee uur wakker gelegen, met gedachten die cirkelden rond de data die Yara de avond ervoor had doorgestuurd — nieuwe correlaties tussen de diagrammen uit het Vaticaanse manuscript en de veldmetingen uit Bretagne — en het geluid van de telefoon was niet zozeer een onderbreking als een bevestiging van iets wat al fout was.
Het nummer was Duits. Münchens netnummer. Maar het was niet Weizenbaum.
"Spreek ik met professor Vos?" Een vrouwenstem. Jong. Beheerst, maar op de manier waarop iemand beheerst is die hard werkt om niet in te storten. Ze sprak Duits met een licht Beierse tongval. "Mijn naam is Kathrin Schell. Ik ben — ik was — de assistente van professor Weizenbaum."
Was.
Het woord hing in de kamer als een vallend blad dat de grond niet bereikt.
"Professor Weizenbaum is gisternacht overleden."
Maarten ging rechtop zitten. De lakens vielen van hem af als een huid die hij afwierp. De kamer was koud. Het was november en hij had vergeten de verwarming aan te zetten. Het kon hem niet schelen.
"Hoe?" Het enige woord dat hij kon vormen.
"Hartfalen. Dat is wat ze zeggen." Een stilte. Het geluid van iemand die haar neus ophaalt. "De Notarzt kwam om halfeen. Hij was al — ze konden niets meer doen. Hij lag in het laboratorium. Op de vloer, naast zijn bureau." Haar stem brak. Ze herstelde zich met een vastberadenheid die Maarten deed denken aan Weizenbaum zelf, aan die koppige helderheid waarmee de Duitser de wereld tegemoet trad. "Maar professor Vos, er is iets mis. Zijn computers. Zijn data. Alles is weg."
"Weg."
"Gewist. De harde schijven zijn leeg. Niet geformatteerd — gewist. Professioneel. Met software die de data onherstelbaar maakt. En het prikbord, dat bord met alle locaties, de draden, de foto's — dat is weg. Het hele bord is kaal. Alsof het er nooit is geweest."
Maarten stond op. Zijn voeten raakten de koude vloer. De werkelijkheid had het harde, scherpe karakter gekregen van dingen die onomkeerbaar zijn.
"Wanneer heeft u dit ontdekt?"
"Vanmorgen. Ik kwam om vijf uur. Ik kon niet slapen na het telefoontje van de politie gisteravond. Ik wilde — ik weet niet wat ik wilde. Afscheid nemen misschien. Maar toen ik het laboratorium binnenkwam —" Ze zweeg. Maarten hoorde haar ademen, snel en onregelmatig, als iemand die probeert niet te verdrinken. "Alles is schoon, professor. De werkbanken zijn leeg. De kasten zijn leeg. De externe schijven zijn weg. Dertig jaar onderzoek. Tweeenveertig locaties. Alles."
Maarten sloot zijn ogen. Achter zijn oogleden zag hij het laboratorium zoals het was geweest: de chaos die bij nadere inspectie een orde bleek, de stellingkasten vol magnetometers en fluxgate-sensoren, de drie gloeiende schermen, het prikbord met zijn web van gekleurde draden. En Weizenbaum zelf, lang en mager, met zijn ijsblauwe ogen en zijn verweerde handen, die met zijn vlakke hand op het bureau sloeg en riep: Ze bouwden versterkers!
Kaspar.
"Ik kom naar München," zei hij. "Vandaag."
"Professor Vos — de politie zegt dat het een natuurlijke dood was. Een hartstilstand. Ze doen geen onderzoek."
"Ik kom naar München," herhaalde hij.
Hij hing op. Stond een ogenblik roerloos in zijn donkere slaapkamer. De fietslampen waren verdwenen. Het Rapenburg lag stil buiten zijn raam, de gracht een zwarte spiegel waarin de gevels van de overkant als gebroken beelden trilden. Ergens in een andere tijdzone, in een ander leven, had hij gisteravond nog geloofd dat ze vooruitgang boekten. Dat de puzzelstukken op hun plaats vielen. Dat het patroon zich openbaarde.
Nu was het patroon een man op de vloer van zijn eigen laboratorium, en de puzzelstukken waren gestolen.
Hij belde Yara. Ze nam op na vijf keer overgaan, slaapdronken. "Maarten? Het is —"
"Weizenbaum is dood."
Stilte. Twee seconden. Drie. Toen: "Hoe?"
"Officieel: hartfalen. Maar zijn data zijn gewist. Alles. De harde schijven, de back-ups, het prikbord. Zijn laboratorium is leeggehaald."
Hij hoorde haar overeind komen. Het ritselen van lakens, het klikken van een lamp. Toen ze weer sprak, was de slaap verdwenen uit haar stem en was er iets voor in de plaats gekomen dat hij herkende als de koude, geconcentreerde woede van iemand die weigert bang te zijn.
"Wanneer?"
"Zijn assistente ontdekte het vanmorgen. Het lichaam is gisteravond gevonden. Maar de data moeten eerder gewist zijn — de politie was daar, de ambulance was daar, en toch heeft niemand iets gezien. Dat betekent dat het al gedaan was voor hij stierf. Of tegelijkertijd."
"Of dat de mensen die het deden, ongestoord konden werken terwijl het lichaam er nog lag." Yara's stem was vlak. Feitelijk. Het soort stem dat ze gebruikte als de emoties te groot waren voor intonatie. "Ik vlieg mee."
"Yara —"
"Niet onderhandelen, Maarten. Ik vlieg mee."
De vlucht van Schiphol naar München duurde een uur en twintig minuten. Maarten zat bij het raam en keek naar de wolken onder hem — een egale laag, als watten over een wond — en dacht aan de laatste keer dat hij deze route had gevlogen, maanden geleden, op weg naar een afspraak met een man die twee woorden aan de telefoon had gezegd en hem zijn levenswerk had laten zien. Dienstag, zehn Uhr. Een stem als grind en koffie. IJsblauwe ogen die patronen zagen in data waar anderen ruis zagen.
Hij wist het, dacht Maarten. Hij wist dat ze kwamen. Hij heeft het tegen mij gezegd, in die Biergarten, tussen de kastanjebomen. Over de postdoc in Wenen wiens contract niet was verlengd. Over de microfoon die werd uitgezet. Hij wist dat iemand hem in de gaten hield. En ik heb hem niet beschermd.
Naast hem zat Yara. Ze had haar laptop open maar keek er niet naar. Haar handen lagen in haar schoot, de vingers ineengevlochten, en ze staarde naar de rugleuning van de stoel voor haar met een uitdrukking die Maarten niet eerder had gezien. Niet woede. Niet angst. Iets wat dieper ging. De uitdrukking van iemand die een grens ziet die ze niet kan ontzien.
Maarten had Bakker gebeld vanuit de vertrekhal. Ze had opgenomen na een keer overgaan — haar privénummer, het nummer op de achterkant van het visitekaartje, het nummer dat altijd aanstond. Hij had het verteld in drie zinnen. Bakker had niet onderbroken.
"Ik ben er vanavond," had ze gezegd. "Raak niets aan in dat laboratorium. Praat met niemand van de universiteit tot ik er ben."
"Is dat een verzoek of een instructie?"
"Het is een instructie van iemand die niet wil dat u het achtste tabblad in mijn dossier wordt."
München ontving hen met een lage hemel en een kou die door je kleren sneed als een administratief besluit: onpersoonlijk, efficiënt, zonder mogelijkheid tot beroep. De taxichauffeur reed zwijgend over de Mittlerer Ring, langs de gevels van Schwabing die er in het novemberlicht uitzagen als een rij correcte ambtenaren — keurig, functioneel, zonder verrassingen. Het was een stad die werkte. Een stad die haar problemen oploste via protocollen en formulieren en de juiste stempels op de juiste papieren. Een stad waar een hartaanval een hartaanval was en een leeg laboratorium een administratieve kwestie.
Kathrin Schell stond hen op te wachten bij de zij-ingang van Gebäude C. Ze was jonger dan Maarten had verwacht — begin dertig, met kort donkerblond haar en rode ogen die verriepen dat ze had gehuild, al probeerde haar houding het tegendeel te suggereren. Ze droeg een donkerblauwe parka die te groot voor haar was en wandelschoenen die modder aan de zolen hadden. Weizenbaums school, dacht Maarten. Buitenmensen die toevallig in laboratoria werkten.
"Professor Vos." Ze schudde zijn hand. Haar greep was stevig maar haar vingers waren ijskoud. "En u bent —"
"Yara El-Masri. Ik werk samen met professor Vos."
Schell knikte. Er verscheen een uitdrukking op haar gezicht die Maarten niet onmiddellijk kon plaatsen. Herkenning, misschien. Alsof de naam El-Masri iets triggerde.
"De politie is vanmorgen hier geweest," zei ze terwijl ze hen voerging door de gang. Dezelfde gang die Maarten maanden geleden had gelopen, langs dezelfde deuren met dezelfde naamplaatjes, maar nu met de sfeer van een ziekenhuis na bezoekuren — stil op de verkeerde manier. "Ze hebben een rapport opgesteld. Natürlicher Tod. Herzversagen. Geen aanwijzingen voor een misdrijf. Geen obductie nodig." Haar kaak spande zich. "Kaspar was drieëenzestig. Hij had een hoge bloeddruk. Hij rookte — vroeger, al jaren niet meer, maar het stond in zijn dossier. Voor hen was het een open-en-dichtverhaal."
"En de data?" vroeg Yara.
"Ik heb het gemeld. Ze zeiden dat het een zaak was voor de universitaire beveiliging, niet voor de politie. Dat de universiteit eigenaar is van de apparatuur en de data, en dat er intern onderzoek gedaan zal worden." Schell bleef staan voor de deur van het laboratorium. Ze haalde een sleutel uit haar zak. Haar hand trilde licht. "Intern onderzoek. Door dezelfde universiteit die Kaspars onderzoeksgroep vorig jaar heeft opgeheven wegens gebrek aan publicaties."
Ze opende de deur.
Maarten stapte naar binnen en voelde de afwezigheid als een fysieke kracht.
Het laboratorium was een lege kamer. De stellingkasten stonden er nog, maar de planken waren kaal — geen magnetometers, geen fluxgate-sensoren, geen protonenprecisie-instrumenten. De werkbank was leeg en schoongeveegd. De drie computerschermen stonden er nog, donker, als ogen die niets meer zagen. De bureaustoel stond achter het bureau, precies zoals Maarten hem herinnerde, met dezelfde kreun in de vering als je erin ging zitten. Maar het bureau zelf was leeg. Geen kaarten, geen gewichten, geen stapels afwijzingsbrieven.
En de muur achter het bureau.
Maarten stond ervoor en voelde iets in zijn borst samentrekken dat erger was dan verdriet. De muur was kaal. Schoon. Er zaten kleine gaatjes waar de punaises hadden gezeten — tientallen, honderden misschien — en hier en daar een verkleurd rechthoekje waar een foto of kaart jarenlang het licht had tegengehouden. Maar de foto's waren weg. De kaarten waren weg. De gekleurde draden — rood, blauw, groen, geel — waren weg. Het web dat tweeenveertig locaties verbond, elf landen, dertig jaar data, was weggerukt als een spinnenweb door een onverschillige hand.
Als een lichaam in het donker, dacht hij, en de woorden waren van Weizenbaum. Je kunt de leegte meten die het achterlaat.
"Ze zijn grondig geweest," zei Yara. Ze liep langs de stellingkasten en opende laden, kasten, de kluis in de hoek. Alles leeg. "De externe schijven?"
"Weg," zei Schell. "Kaspar had drie NAS-systemen en twaalf externe harde schijven. Weg. De USB-sticks die hij in de kluis bewaarde. Weg. Zelfs de papieren back-ups — hij printte alles uit, altijd, omdat hij digitale opslagmedia niet vertrouwde. Drie ordners vol meetresultaten. Weg."
"En de universiteitsservers?"
"Gewist. Ik heb vanmorgen de IT-afdeling gebeld. Kaspars account is verwijderd. Niet gedeactiveerd — verwijderd. Inclusief alle data op de gedeelde schijf. Het hoofd IT zei dat het een automatische procedure was bij overlijden van een medewerker." Ze schudde haar hoofd. "Dat is niet waar. Ik heb vorig jaar een collega verloren aan kanker. Zijn account stond drie maanden later nog open."
Maarten draaide zich langzaam om. Zijn blik ging van de lege muur naar het lege bureau naar de donkere schermen. Alles wat Weizenbaum hem had laten zien — de spectrogramanalyses, de simulatiemodellen, de tijdreeksen die aantoonden dat het geomagnetische veld reageerde op menselijke aanwezigheid — was verdwenen alsof het nooit had bestaan. Dertig jaar werk. Tweeenveertig locaties. Het fysieke bewijs dat de drempelzones meetbare, natuurkundige eigenschappen bezaten.
Weg.
"Waar is hij gevonden?" vroeg hij. Zijn stem klonk vreemd in de lege ruimte. Te helder. Te aanwezig.
Schell wees naar een plek naast het bureau, tussen de bureaustoel en de stellingkast. "Hier. Op zijn rechterzij. Zijn hand lag op de onderkant van de stellingkast, alsof hij ergens naar reikte. Of alsof hij probeerde op te staan." Haar stem haperde. "De schoonmakers hebben de vloer al gedaan. Er is niets meer te zien."
"Was er iemand bij hem?"
"Nee. Kaspar werkte 's avonds altijd alleen. Dat was zijn beste tijd, zei hij. Geen studenten, geen telefoon, geen onzin." Een schaduw van een glimlach die onmiddellijk verdween. "De bewaker heeft hem om halfelf nog gezien. Om kwart over twaalf heeft een collega van de verdieping erboven de ambulance gebeld omdat hij via het trappenhuis een geluid had gehoord — een val, een klap. Toen de ambulance kwam, was hij al dood."
"Anderhalf uur," zei Yara. Ze stond bij het raam en keek naar buiten, naar de binnenplaats waar de klimop kaal en zwart tegen de bakstenen muur hing als een netwerk van uitgedoofde aderen. "Anderhalf uur tussen het moment dat de bewaker hem levend zag en het moment dat het lichaam werd gevonden."
"En in die anderhalf uur," vulde Maarten aan, "is een heel laboratorium leeggehaald. Drie NAS-systemen. Twaalf externe schijven. Drie ordners. Een prikbord met honderden items. Stellingkasten vol apparatuur." Hij keek Schell aan. "Hoeveel mensen zouden daar nodig voor zijn?"
"Minstens vier. Misschien zes. Met dozen en een transportmiddel. En kennis van het gebouw — waar de camera's hangen, waar de bewaker zijn rondes loopt."
"Er zijn camera's?"
"Bij de hoofdingang en bij de zij-ingang. Ik heb de beveiliging gevraagd om de beelden." Schell aarzelde. "Ze zeiden dat de opnames van gisteravond beschadigd zijn. Een technische storing. De beelden van tien uur 's avonds tot drie uur 's nachts zijn onbruikbaar."
De stilte die volgde had het gewicht van cement. Yara draaide zich om van het raam. Ze keek Maarten aan met een blik die hij kende — de blik van iemand die een conclusie heeft bereikt en wenst dat ze dat niet had.
"Ze waren hier voor hij stierf," zei ze. "De data zijn niet na zijn dood gewist. Ze zijn gewist terwijl hij stierf. Of ervoor. Dit was gepland. Het was geen reactie op zijn overlijden. Zijn overlijden was onderdeel van de operatie."
Schell maakte een geluid dat het midden hield tussen een snik en een protest. "U zegt dat hij vermoord is."
"Ik zeg dat de chronologie onmogelijk is als je uitgaat van een natuurlijke dood gevolgd door een opportunistische inbraak," zei Yara. Haar stem was zacht maar onverbiddelijk. "Een hartstilstand opwekken is niet moeilijk voor iemand die weet wat hij doet. Er zijn stoffen die geen sporen nalaten bij standaard toxicologisch onderzoek. En als er geen reden is om dieper te zoeken —"
"Dan zoekt niemand dieper," voltooide Maarten.
Hij liep naar het bureau en legde zijn handen op het lege blad. Het hout was koud. Ergens in dit bureau, op deze stoel, had Weizenbaum dertig jaar lang gezeten en data verzameld die niemand wilde publiceren en iedereen wilde laten verdwijnen. En nu was hij zelf verdwenen. Niet zoals de zeven onderzoekers in Bakkers dossier — niet door een drempel, niet door een keuze. Maar definitief. Onherroepelijk. Op de koudste, meest menselijke manier die er bestond.
Ze hadden je gewaarschuwd, dacht hij. Je wist het. En je ging door, omdat de data belangrijker waren dan je angst. Omdat dertig jaar van je leven op dat bord hing en je weigerde het te laten wissen.
En nu hebben ze het toch gewist.
"Mevrouw Schell," zei hij. "Heeft Kaspar de laatste weken iets gezegd over bedreigingen? Over mensen die hem volgden?"
Ze knikte langzaam. "Hij was veranderd, de laatste maand. Onrustiger. Hij nam andere routes naar het laboratorium. Hij belde niet meer vanaf zijn vaste lijn, alleen nog vanaf prepaid-telefoons. Twee weken geleden vertelde hij me dat ik kopieën moest maken van alle data en die op een veilige plek moest bewaren." Haar stem brak opnieuw. "Ik heb het niet gedaan. Ik dacht dat hij overdreef. Ik dacht —" Ze stopte. Sloot haar ogen. "Ik dacht dat hij paranoïde was."
Maarten zei niets. Er viel niets te zeggen. De schuld die in Schells woorden lag, herkende hij als de spiegelversie van zijn eigen schuld — zij had niet gekopieerd, hij had niet beschermd, en het resultaat was hetzelfde lege laboratorium.
Zijn telefoon ging. Bakker.
"Ik land over een uur op Franz Josef Strauss. Waar bent u?"
"In het laboratorium. Gebäude C, Ludwig-Maximilians-Universität."
"Is er iets veranderd sinds vanmorgen?"
"Alles is veranderd. Er is niets meer."
Een korte stilte. Toen: "Raak niets aan. Ik stuur een technisch team van het BKA — Bundeskriminalamt. Ze zijn er binnen twee uur. Officieel is het een verzoek om bijstand bij vermoedelijke datadiefstal in een academische context. Onofficieel —" Een pauze. "Is de assistente er?"
"Ja."
"Houd haar daar. Ik wil met haar praten."
Ze wachtten. Maarten, Yara en Kathrin Schell, in een leeg laboratorium dat rook naar schoonmaakmiddel en verlies. Schell zette koffie op het apparaat dat nog in de hoek stond — hetzelfde apparaat dat meer weg had van een laboratoriumopstelling dan van een koffiezetapparaat, het apparaat waarop Weizenbaum koffie had gezet de eerste keer dat Maarten hier was, met de nonchalance van een man die een buurman op bezoek had. De koffie smaakte naar niets. Of misschien smaakte Maarten niets. Hij wist het onderscheid niet meer.
Yara stond bij de lege muur en bestudeerde de gaatjes en de verkleuring. Ze haalde haar telefoon tevoorschijn en fotografeerde het patroon — de schaduwafdruk van wat er had gehangen. "De indeling van het bord is nog te reconstrueren," zei ze zacht. "De posities van de foto's. De routes van de draden. Het is als een negatief. Je kunt niet zien wat er hing, maar je kunt zien waar het hing."
"Dat helpt ons niet," zei Maarten.
"Misschien niet. Maar ik doe het toch."
Hij keek naar haar. In het koude licht van het laboratorium zag ze er moe uit op een manier die niets met slaap te maken had. Ze fotografeerde de muur met de nauwgezetheid van een forensisch onderzoeker, en hij besefte dat dit was hoe Yara omging met dingen die te groot waren om te voelen: ze werkte. Ze documenteerde. Ze transformeerde pijn in data.
Zoals Kaspar deed, dacht hij. Dertig jaar lang.
Bakker arriveerde om halfvier. Ze droeg dezelfde donkerblauwe blazer als in Den Haag, hetzelfde horloge, dezelfde uitdrukking van gecontroleerde alertheid. Achter haar kwamen twee mannen in burgerkleding die ze niet voorstelde maar die het soort schoenen droegen dat politiemannen droegen — stevig, onopvallend, geschikt om lang op te staan. Ze begonnen onmiddellijk het laboratorium te onderzoeken met een methodiek die suggereerde dat ze dit vaker deden dan een mens zou moeten.
Bakker nam Schell mee naar een lege collegezaal verderop in de gang. Maarten en Yara bleven achter met de twee technici, die vingerafdrukken namen van oppervlakken die al waren schoongeveegd en monsters namen van vloeren die al waren gedweild. Het had iets futielts, als het harken van bladeren in een storm.
Na een uur kwam Bakker terug. Ze deed de deur van het laboratorium dicht — een gebaar dat Maarten inmiddels herkende als het begin van een gesprek dat niet voor andere oren bestemd was — en leunde tegen het bureau.
"De assistente is betrouwbaar," zei ze. "Ze weet meer dan ze beseft, maar ze liegt niet." Ze keek naar de lege muur. "Dit is geen inbraak."
"Wat is het dan?" vroeg Yara.
"Een operatie. Precies, gecoördineerd, met insider-kennis van het gebouw, de beveiligingssystemen en de data-architectuur. Het type operatie dat een inlichtingendienst zou uitvoeren. Of een particuliere organisatie met vergelijkbare middelen." Ze kruiste haar armen. "Ik heb de zeven andere gevallen opnieuw bekeken, op de vlucht hierheen. De verdwijningen. In elk geval werd het onderzoeksmateriaal achteraf geconfisqueerd via institutionele kanalen — universiteiten, overheden, erfgoedorganisaties. Netjes. Legaal. Maar dit —" Ze gebaarde naar de lege kasten. "Dit is niet netjes. Dit is niet legaal. Dit is een inbraak, een datawissing en — als mevrouw El-Masri's analyse klopt — een moord."
Het woord hing in de lucht. Moord. Niet meer een verdwijning. Niet meer een bureaucratische manoeuvre. Iets definitiefs. Iets waarvoor geen institutionele procedure bestond.
"Ze zijn geëscaleerd," zei Bakker. "De zeven eerdere gevallen waren elegant. De onderzoekers verdwenen — vrijwillig of niet — en het materiaal werd achteraf opgeruimd via kanalen die niemand betwistte. Maar Weizenbaum was anders. Weizenbaum ging niet weg. Hij was niet het type dat verdwijnt. Hij was het type dat blijft en doorwerkt en wacht tot iemand luistert."
"Dus pasten ze hun methode aan," zei Maarten.
"Of iemand anders binnen het netwerk paste de methode aan." Bakker keek hem aan. Haar bruine ogen hadden de scherpte van iemand die meer dacht dan ze zei. "De eerdere operaties waren chirurgisch. Geen geweld. Geen sporen. De confiscaties verliepen via de juiste kanalen. Dat wijst op een organisatie die liever controleert dan vernietigt. Maar dit — dit wijst op een fractie die het geduld verloren is. Of die een ander mandaat heeft."
"Het Consortium," zei Maarten.
Bakker hief haar wenkbrauw. "De naam die u eerder noemde. Asselbergs."
"Victor Asselbergs. Het gezicht van het netwerk dat we in zicht hebben gekregen. Maar zijn Consortium — voor zover wij het begrijpen — wil controleren, niet vernietigen. De drempelzones beschermen, het onderzoek reguleren. Dit past niet bij wat we van hen weten."
"Tenzij Asselbergs niet langer de enige stem is," zei Yara. Ze stond nog steeds bij de muur, haar telefoon in haar hand, het scherm donker. "Organisaties veranderen. Fracties ontstaan. Iemand binnen het Consortium heeft besloten dat controle niet langer volstaat. Dat Weizenbaums data te gevaarlijk waren om te laten bestaan, zelfs onder toezicht."
"Of Asselbergs heeft dit zelf bevolen en is hij minder beschaafd dan hij zich voordoet," zei Bakker.
De drie mogelijkheden hingen in de ruimte als drie draden die naar hetzelfde punt leidden maar via verschillende routes. Maarten voelde de vermoeidheid als een gewicht achter zijn ogen, maar eronder, als een stroom onder ijs, was er iets anders. Niet woede — hoewel er woede was. Niet angst — hoewel er angst was. Het was het besef, koud en helder als water, dat er geen weg terug was.
Kaspar is dood. Zijn data zijn weg. En de mensen die dit hebben gedaan, weten dat wij bestaan.
"Er is nog iets," zei Bakker. Ze opende haar aktetas en haalde er een tablet uit. Op het scherm stond een overzicht dat Maarten herkende als een Europol-database. "De zeven eerdere verdwijningen. Ik heb ze laten heronderzoeken nadat u mij de verbindende factor gaf — het type onderzoek dat ze deden. Tot nu toe stonden ze geregistreerd als vrijwillige vertrekken. Volwassen mensen die ervoor kozen om te verdwijnen. Geen misdrijf, geen onderzoek."
"En nu?"
"Nu vraag ik me af of die classificatie net zo betrouwbaar is als de camerabeelden van gisteravond." Ze draaide het scherm naar hen toe. "In vijf van de zeven gevallen is de classificatie 'vrijwillig vertrek' gebaseerd op een enkel rapport, opgesteld door een lokale autoriteit, binnen twee weken na de verdwijning. Geen getuigen. Geen aanvullend onderzoek. Geen navraag bij familie of collega's. Alsof iemand haast had om het dossier te sluiten."
"En de andere twee?"
"Ferrini en Whitfield. In hun gevallen zijn er persoonlijke bezittingen achtergebleven die suggereerden dat ze uit vrije wil waren gegaan — het dagboek, de dictafoon. Maar wie zegt dat die niet zijn achtergelaten om precies die indruk te wekken?" Bakkers stem had een scherpe rand gekregen die Maarten niet eerder had gehoord. "Ik heb twintig jaar lang aangenomen dat deze mensen ervoor hadden gekozen om te verdwijnen. Dat het drempels waren die hen hadden geroepen. Maar misschien — misschien heb ik naar de verkeerde verklaring gegrepen omdat de juiste verklaring te afschuwelijk was."
De woorden vielen als stenen in het lege laboratorium. Maarten dacht aan Ferrini's dagboek: Ik denk dat ik begrijp wat de drempel is. Aan Whitfields laatste opname: Dit is geen ontdekking. Dit is een terugkeer. Had hij die woorden zelf geschreven, zelf ingesproken? Of had iemand anders ze voor hem geschreven?
"We weten het niet," zei hij. "We weten niet of ze vrijwillig zijn gegaan of zijn meegenomen. We weten niet of Asselbergs dit heeft bevolen of dat een fractie binnen het Consortium op eigen houtje opereert. We weten niet of Weizenbaum een hartstilstand heeft gehad of is vermoord. Wat we wel weten —" Hij keek naar de lege muur, naar de schaduwafdruk van dertig jaar onderzoek. "Is dat er iemand met aanzienlijke middelen en kennis systematisch elk bewijs uitwist dat de drempelzones bestaan. En dat ze bereid zijn om verder te gaan dan ooit tevoren."
"De vraag is," zei Yara, "of wij dat ook zijn."
Bakker keek hen beiden aan. Ze zei niets. Het was een stilte die ruimte gaf, die wachtte tot de beslissing viel die alleen zij konden nemen.
Maarten dacht aan Lotte. Zijn dochter in Amsterdam, vijftien, te slim voor haar eigen bestwil. Het fragiele bouwwerk van hun relatie, dat hij om het weekend onderhield met gesprekken en pizza en het soort aandacht dat een vader geeft als hij beseft dat de tijd opraakt. Wat zou er met haar gebeuren als hij het achtste tabblad in Bakkers dossier werd?
Hij dacht aan Weizenbaum. Aan de Biergarten met de kastanjebomen, het bier en de Obatzda, de man die vierendertig jaar lang zijn data had bewaakt en er uiteindelijk voor was gestorven. Aan de hoop in zijn stem toen hij het woord Weltbild uitsprak, een woord dat groter was dan een carrière, groter dan een leven.
Hij dacht aan de drempels. De plekken waar de wereld dun werd. De kamers die de aarde en de mens met elkaar verbonden op een manier die vierduizend jaar oud was en die iemand koste wat het kost verborgen wilde houden.
"Ik kan niet stoppen," zei hij. Het was geen heldhaftige verklaring. Het was een vaststelling, uitgesproken met de vlakke toon van iemand die een feit constateert dat hij liever zou ontkennen. "Niet na dit. Niet na Kaspar."
"Ik ook niet," zei Yara. Drie woorden. Geen aarzeling.
Bakker knikte. Als ze opgelucht was, liet ze het niet zien. "Dan moeten we slimmer worden. Geen digitale communicatie meer die niet versleuteld is. Geen data meer op servers die door universiteiten worden beheerd. Geen patroon in jullie reisbewegingen. En alles wat jullie hebben — elke kopie, elk bestand, elke aantekening — wordt op meerdere plekken opgeslagen. Fysiek en digitaal. Verspreid. Zodat ze niet met een nacht kunnen wissen wat jaren heeft gekost."
"Zoals Kaspar had moeten doen," zei Maarten. De woorden smaakten naar schuld.
"Zoals Kaspar niet de kans heeft gehad om te doen." Bakker pakte haar tablet in. "Ik open een officieel onderzoek naar de datadiefstal. Niet naar de dood — daar heb ik nog niet genoeg voor. Maar de inbraak, de wissing, de sabotage van de camerabeelden — dat is genoeg om een dossier te openen. En zodra ik een dossier heb, heb ik middelen."
Ze vertrok om zes uur, samen met de twee technici die weinig hadden gevonden maar veel hadden genoteerd. Maarten en Yara bleven achter met Schell, die niet naar huis wilde, die bleef rondhangen in het laboratorium alsof haar aanwezigheid iets kon terughalen van wat er was weggenomen.
"Ik ga nog een keer door het gebouw," zei Yara. "Er zijn bergingen. Kelders. Plekken waar Kaspar misschien iets bewaarde wat niet in het laboratorium stond."
Ze verdween in de gang. Maarten hoorde haar voetstappen wegsterven, een deur die openging, stilte.
Hij stond alleen in het laboratorium. Schell was naar het toilet gegaan. De tl-buizen zoemden boven zijn hoofd, dat eeuwige, tonloze gezang van institutionele verlichting. Hij liep naar de plek waar Weizenbaum was gevonden. Naast het bureau, tussen de bureaustoel en de stellingkast. Op zijn rechterzij. Zijn hand op de onderkant van de stellingkast.
Alsof hij ergens naar reikte.
Maarten hurkte neer. De stellingkast was een standaard grijs metalen geval, op poten die het tien centimeter boven de grond hielden. Eronder was een smalle, donkere ruimte — het soort plek waar stof zich verzamelde en pennen verdwenen en niemand ooit keek.
Niemand behalve een man die wist dat ze kwamen.
Maarten stak zijn hand onder de stellingkast. Zijn vingers streken over de koude vloer, door stof en een verloren paperclip, tot ze iets raakten wat niet thuishoorde. Plat. Rechthoekig. Vastgeplakt aan de onderkant van de kast met tape die begon los te laten.
Hij trok het los.
Een envelop. Klein, bruin, het soort dat je bij de Schreibwarenladen koopt. Op de voorkant, in Weizenbaums hoekige handschrift, twee woorden: Für Vos.
Maartens handen trilden. Hij opende de envelop. Erin zat een SD-kaart — klein, zwart, ongelabeld — en een gevouwen vel papier. Hij vouwde het open.
Weizenbaums handschrift, gehaast maar leesbaar. Duits met hier en daar een Engels woord, alsof de taal niet snel genoeg ging voor wat hij wilde zeggen.
Vos — als je dit leest, ben ik er niet meer. Niet melodramatisch bedoeld. Realistisch. Ze zijn dichterbij dan ik dacht. De SD-kaart bevat de kerndata: de veldmetingen van alle 42 locaties, de spectrogramanalyses, het resonantiemodel, en de biologische interactiedata. Niet alles. Niet de ruwe meetgegevens. Maar genoeg om het te reconstrueren. Genoeg om te bewijzen dat het echt is.
Eén ding nog. Ik heb vorige week een bezoeker gehad. Een man die zich voorstelde als dr. Reinhardt van de Max-Planck-Gesellschaft. Hij stelde vragen die te specifiek waren. Hij kende details die hij niet kon kennen — locaties die ik nooit met iemand buiten mijn directe kring had gedeeld. Saqqara. De biologische interactiedata. Hij wist het. En hij bood me een positie aan. Financiering. Bescherming. Op voorwaarde dat ik mijn onderzoek exclusief aan zijn organisatie beschikbaar zou stellen.
Ik heb geweigerd.
Pas op jezelf. Vertrouw de data, niet de mensen. En als je ooit voor dezelfde keuze staat: weiger ook.
— K.W.
Maarten las de brief twee keer. Drie keer. De woorden brandden door het papier heen, door zijn handen, door de muren van het lege laboratorium. Ze zijn dichterbij dan ik dacht. Een man die zijn eigen dood had voorzien en de tijd had genomen om een boodschap achter te laten op een plek waar alleen iemand zou kijken die wist hoe hij dacht.
Zijn hand lag op de onderkant van de stellingkast.
Kaspar had zijn laatste seconden gebruikt om naar de envelop te wijzen. Niet voor de ambulancebroeders. Niet voor de politie. Voor Maarten.
De deur ging open. Yara. Ze zag zijn gezicht en stopte halverwege de drempel.
"Wat heb je gevonden?"
Hij gaf haar de brief. Ze las zwijgend, haar ogen die snel over de regels gingen. Toen ze opkeek, zag hij de tranen die ze niet liet vallen, de woede die ze niet uitte, de vastberadenheid die ze niet hoefde uit te spreken.
"Een SD-kaart," zei ze.
"De kerndata. Alle tweeenveertig locaties."
"De biologische interactiedata?"
"Ja."
Yara sloot haar ogen. Een seconde. Twee. Toen ze ze opende, was er iets verschoven achter haar blik, als een lens die scherp stelt.
"Ze hebben niet alles." Haar stem was laag, bijna een fluistering. "Ze denken dat ze alles hebben. Maar Kaspar was hen voor."
Maarten stopte de SD-kaart in de binnenzak van zijn jas, tegen zijn borst, naast Bakkers visitekaartje. Het ene beloofde bescherming. Het andere beloofde waarheid. Hij had beide nodig en wist dat geen van beide genoeg zou zijn.
Buiten was het donker geworden. München gloeide in de novemberavond, een stad van ordentelijke straten en functionele lantaarns en mensen die naar huis gingen om te eten en niet dood te gaan. Maarten stond bij de zij-ingang van Gebäude C en keek naar de binnenplaats waar de klimop zwarte patronen tekende op de bakstenen muur, en hij dacht aan Weizenbaum die hier elke dag had gelopen, dertig jaar lang, met data in zijn hoofd die de wereld konden veranderen en een sleutel in zijn zak voor een laboratorium dat nu leeg was.
"We moeten de SD-kaart kopiëren," zei Yara naast hem. "Vanavond nog. Drie kopieën. Op drie verschillende plekken. Fysiek gescheiden. En de originele kaart op een plek die niemand kan raden."
"Ja."
"En we moeten met Bakker praten over Reinhardt. De man van Max-Planck. Dat is een naam, een link, een draad die naar het Consortium kan leiden."
"Ja."
"En we moeten —" Ze stopte. Keek hem aan. In het licht van de straatlantaarn waren haar ogen donker en vochtig. "We moeten accepteren dat dit niet meer hetzelfde onderzoek is, Maarten. Dit is geen academisch project meer. Dit is geen puzzel. Er is iemand dood."
"Ik weet het."
"Ze kunnen ons doden."
"Ik weet het."
De novemberlucht rook naar natte bladeren en uitlaatgassen en het verre, metaalachtige aroma van sneeuw die ergens boven de Alpen hing en wachtte om te vallen. Maarten dacht aan de vraag die onuitgesproken bleef: had Asselbergs dit bevolen? Was dit de wil van het Consortium, of de daad van een fractie die het geduld had verloren? Was er ergens binnen dat netwerk iemand die dit had voorkomen als hij had gekund — of had niemand het zelfs geprobeerd?
Het maakte niet uit. Niet nu. Wat uitmaakte was de SD-kaart tegen zijn borst, het gewicht van Weizenbaums laatste woorden in zijn binnenzak, en de zekerheid — koud, zwaar, onwankelbaar — dat stoppen geen optie meer was. Niet omdat hij moedig was. Niet omdat hij een held wilde zijn. Maar omdat er een man op de vloer van zijn laboratorium was gestorven die dertig jaar van zijn leven had besteed aan het bewijzen dat de werkelijkheid groter was dan wij dachten, en de enige manier om die dood betekenis te geven was om door te gaan waar hij was gestopt.
Maarten haalde diep adem. De koude lucht brandde in zijn longen.
"Laten we gaan," zei hij.
Ze liepen de novembernacht in. Achter hen lag een leeg laboratorium. Voor hen lag alles wat ze nog niet wisten, en alles wat iemand niet wilde dat ze zouden weten.
In zijn binnenzak, in het donker, bewaarde een SD-kaart de geheimen van een dode man die gelijk had gehad.