De Drempel van Hermes

Hoofdstuk 17 – De Keuze van Brouwer

De regen was terug. Niet de zachte motregen van overdag, maar de zware, verticale regen van een Amsterdamse avond in november, het soort regen dat de grachten deed koken en de straten leegveegde alsof de stad een collectieve beslissing had genomen om binnen te blijven. Maarten Vos stond voor het grachtenpand aan de Herengracht, nummer 287, en staarde naar de verlichte ramen op de eerste verdieping. Achter de zware gordijnen brandde licht. Brouwer was thuis.

Hij was die ochtend nog in München geweest. De kamer in Weizenbaums appartement waar de politie haar werk had gedaan, de contouren op de vloer, de apparatuur die nog zachtjes had staan zoemen toen ze hem vonden. Hartfalen, zeiden de artsen. Natuurlijke oorzaak. Maar Maarten had in Weizenbaums ogen gekeken, twee dagen voor zijn dood, en wat hij daar had gezien was niet de blik van een man wiens hart het zou begeven. Het was de blik van een man die iets had gezien wat hij niet meer kon dragen.

Hij drukte op de bel. Het diepe, ouderwetse gerinkel klonk ergens in de diepte van het huis. Dezelfde bel als de vorige keer. Dezelfde geur van grachtenwater en natte steen. Maar alles was anders nu. De vorige keer was hij hier gekomen als onderzoeker, als wetenschapper met vragen. Nu kwam hij als iemand die antwoorden nodig had om te overleven.

Voetstappen in de gang. Het klikken van een slot. De deur ging open.

Brouwer was verouderd. Niet in weken of maanden, maar alsof de tijd een sprong had gemaakt. Zijn witte haar, dat de vorige keer nog zorgvuldig gekamd was geweest, hing in slierten langs zijn slapen. Zijn blauwe ogen, die scherpe, onmogelijk blauwe ogen, waren nog steeds doordringend, maar er lag iets in wat Maarten niet eerder had gezien. Angst. Niet de angst van een moment, maar de chronische, diepgewortelde angst van een man die al decennia ergens bang voor is en die nu ziet dat het dichterbij komt.

"Brouwer."

"Kom binnen." De oude man stapte opzij. Zijn stem was schor, alsof hij in geen dagen had gesproken. "Snel."

Het halletje met de zwart-witte tegels. De ingelijste kaarten aan de muren. De geur van pijptabak en oud leer en boeken. Alles hetzelfde, en toch niet. Er hing een spanning in het huis die Maarten niet kon plaatsen, een geladen stilte alsof de muren luisterden.

Brouwer liep voor hem uit naar de studeerkamer. De boeken stonden er nog, van vloer tot plafond, de donkerhouten kasten die doorbogen onder hun gewicht. Maar het bureau was anders. De stapels papieren waren verdwenen. In plaats daarvan lagen er drie dossiers, elk gebonden met een leren band, naast een halfleeg glas whisky en een pijp die al uren geleden was uitgegaan.

"Ga zitten." Brouwer gebaarde naar dezelfde leren fauteuil als de vorige keer. Hij schonk geen thee. In plaats daarvan pakte hij de fles whisky van het bureau en schonk twee glazen in. "Je zult het nodig hebben."

Maarten ging zitten. Het leer kraakte. De regen sloeg tegen de hoge ramen. Ergens in het huis tikte de staande klok, langzaam en onverbiddelijk, als een hartslag die aftelde.

"Weizenbaum is dood," zei Maarten.

Brouwer sloot zijn ogen. Hij stond bij het raam, met zijn rug naar Maarten toe, zijn handen achter zijn rug gevouwen. Zijn schouders zakten een fractie, alsof er een gewicht op werd gelegd dat er al lag maar dat nu zwaarder werd.

"Ik weet het." Zijn stem was nauwelijks hoorbaar boven de regen. "Zijn buurvrouw heeft me gebeld. Gisterochtend."

"Hartfalen, zeggen ze."

"Ja. Dat zeggen ze." Brouwer draaide zich om. Zijn gezicht was oud en moe en kapot. "Maar jij gelooft dat niet. En ik ook niet."

De stilte die volgde was zwaar. Maarten nam een slok whisky. Die brandde en was goed.

"Professor. De vorige keer dat ik hier was, heeft u me veel verteld. Over de Hermesgroep. Over Van Dijk en Moreau. Over wat ze vonden in Spanje." Hij zette het glas neer. "Maar u heeft me niet alles verteld."

Brouwer liep naar zijn stoel en ging zitten. De beweging was die van een oude man, behoedzaam, met handen die de armleuningen grepen alsof hij anders zou vallen. Hij pakte de pijp op, draaide hem rond in zijn vingers, legde hem weer neer. Pakte het glas whisky. Dronk. Zette het terug.

"Nee," zei hij. "Dat heb ik niet."

"Waarom niet?"

Brouwer keek hem aan. De blauwe ogen boorden zich in de zijne, en Maarten zag daarin iets wat hij herkende van Weizenbaum, van de laatste keer dat hij de geofysicus had gesproken. Niet dezelfde angst. Iets ergers. Schuldgevoel.

"Omdat ik dacht dat als ik het niet uitsprak, het niet echt was. Dat als ik de woorden niet gebruikte, de waarheid niet bestond." Brouwer lachte kort, een droog geluid zonder humor. "Vijfendertig jaar. Vijfendertig jaar heb ik mezelf wijsgemaakt dat zwijgen hetzelfde was als vergeten. Maar het is niet hetzelfde, Maarten. Het is precies het tegenovergestelde."

Hij leunde naar voren. Zijn handen trilden licht.

"Kaspar is dood. Bakhuizen zit in een verpleeghuis en weet niet meer hoe hij heet. Khalil is al in '95 gestorven. Ik ben de laatste. De laatste die het weet. De laatste die het heeft gezien." Zijn stem brak. Hij haalde diep adem en herstelde zich, maar de breuk was er geweest, en ze hadden hem allebei gehoord. "Als ik sterf zonder het te vertellen, sterft het met mij. En ik weet niet of dat een genade zou zijn of een misdaad."

Maarten zweeg. Hij voelde dat dit moment zijn eigen gewicht had, zijn eigen zwaartekracht, en dat elke interventie het zou verstoren. Hij wachtte.

Brouwer stond op en liep naar de boekenkast achter zijn bureau. Hij haalde een van de drie dossiers en legde het op tafel tussen hen in. Het leer was donkerbruin, versleten aan de hoeken, en de band was zo vaak losgemaakt en weer vastgebonden dat het koord rafelde.

"Ik heb je verteld dat Van Dijk en Moreau in de zomer van 1984 naar Ronda gingen. Dat ze een grot vonden. Dat ze verdwenen." Hij opende het dossier. Er lagen foto's in, zwart-wit, vergeeld aan de randen. Aantekeningen in een klein, precies handschrift. Een kaart, met de hand getekend, van een berggebied. "Dat was allemaal waar. Maar het was niet het hele verhaal."

Hij schoof het dossier naar Maarten toe.

"Ze gingen niet alleen. We gingen met z'n vijven."

Maarten keek op. "Vijf?"

"Van Dijk, Moreau, Hoekstra, Bakhuizen en ik. Vijf van de zes leden van de Hermesgroep. Alleen Khalil was er niet bij, hij kon Egypte niet uit vanwege een visumprobleem." Brouwer ging weer zitten. Hij pakte het glas whisky maar dronk niet. Hield het alleen vast, als een anker. "Het was september 1989. Niet 1984. Het was vijf jaar later dan wat ik je heb verteld. Vijf jaar waarin we waren teruggegaan, keer op keer, om de grot te bestuderen. Om de zone in kaart te brengen. Om te begrijpen wat daar was."

Hij heeft gelogen, dacht Maarten. Over de datum, over de omstandigheden. Hij heeft de waarheid verpakt in een veiligere versie.

"In die vijf jaar hadden we de zone leren kennen. We wisten waar hij het sterkst was, op welke tijden, bij welke omstandigheden. We hadden de Fenicische tekens op de grotwanden vertaald, voor zover dat mogelijk was. Het waren geen inscripties in de gebruikelijke zin. Geen namen, geen goden, geen offers. Het waren instructies."

"Instructies?"

"Aanwijzingen. Hoe je moest staan. Hoe je moest ademen. Waar je je aandacht op moest richten. Het was een handleiding, Maarten. Een handleiding voor de drempel."

Brouwer stond op en liep naar het raam. De regen stroomde in dikke banen langs het glas, en de lichten van de Herengracht weerkaatsten erin als verzonken sterren.

"We hadden de verschuiving al vaker ervaren. Allemaal. Die verbreding van de waarneming. Die extra laag die over de werkelijkheid valt. We wisten hoe het voelde. Maar het was altijd kortstondig geweest. Seconden. Soms een minuut. Nooit langer. En altijd trokken we ons terug. We kwamen tot aan de rand en stapten achteruit."

Hij zweeg. Zijn adem maakte een klein wolkje tegen het koude raam.

"Behalve die laatste keer."

De klok tikte. De regen viel. Maarten voelde zijn eigen hartslag in zijn keel.

"Het was 14 september 1989. Een donderdag. Warm, maar niet onverdraaglijk. We waren bij de grot in de ochtend. De zone was actief, sterker dan we hem ooit hadden gemeten. Hoekstra's instrumenten sloegen uit alsof ze kapot waren. De naald van de magnetometer stond dwars. De temperatuur in de grot was zes graden lager dan buiten, maar op de plek van de zone, op die ene vierkante meter, was het nog kouder. Bijna nul."

Brouwer draaide zich om. Zijn gezicht was in de schaduw, maar zijn ogen vingen het licht van de bureaulamp en gloeiden blauw.

"We gingen naar binnen. Alle vijf. We hadden de instructies bestudeerd. We wisten wat we moesten doen. Het was geen impuls, geen roekeloze actie. We hadden het gepland. Maandenlang voorbereid. We dachten dat we het konden beheersen."

Hij lachte weer dat droge, holle lachje.

"Alsof je de oceaan kunt beheersen door er een zwemvest aan te trekken."

Brouwer liep terug naar zijn stoel maar ging niet zitten. Hij stond achter de leuning, zijn handen erop, alsof hij steun nodig had om te blijven staan terwijl hij dit vertelde.

"De verschuiving kwam sneller dan ooit. Binnen seconden waren we erop. Op de drempel. Alle vijf. En het was anders dan de keren daarvoor. Intenser. Dieper. De extra laag was er, maar nu was het geen doorzichtig vel meer. Het was solide. Het was reëler dan de steen om ons heen. Alsof de werkelijkheid die wij kennen de illusie was, en wat daarachter lag de echte wereld."

Zijn handen klemden zich om de leuning. Zijn knokkels werden wit.

"Drie van ons voelden de drempel als een grens. Hoekstra, Bakhuizen en ik. We stonden erop, we voelden wat erachter was, maar we konden niet verder. Of wilden niet verder. Er was een weerstand. Niet fysiek. In onszelf. Een deel van ons dat zich vasthield aan de gewone wereld, aan de bekende werkelijkheid. Dat niet los durfde te laten."

Hij zweeg lang. De regen vulde de stilte.

"Maar Van Dijk en Moreau gingen verder."

Maartens adem stokte. "Hoe?"

"Ze lieten los." Het was bijna een fluistering. Brouwer keek niet naar Maarten. Hij keek naar iets wat ver weg was, ver in de tijd, ver in de herinnering. "Ik stond naast Van Dijk. Onze schouders raakten bijna. Ik voelde hem naast me, zijn aanwezigheid, zijn warmte. En toen voelde ik hoe hij het deed. Hoe hij ophield zich vast te houden. Alsof je je vingers een voor een van een richel losmaakt. Niet gewild. Het was geen beslissing in de normale zin. Het was een overgave."

Brouwer liet de leuning los. Hij liep naar het midden van de kamer en bleef staan, zijn armen langs zijn lichaam, als een man die getuigt voor een rechtbank van zijn eigen geweten.

"Ik zag het. Ik stond erbij en ik zag het. Van Dijk draaide zich niet om. Moreau ook niet. Ze keken niet naar ons. Ze keken naar wat er voor hen was, naar wat er achter de drempel lag. En hun gezichten..."

Zijn stem haperde. Hij slikte.

"Ze schreeuwden niet. Ze worstelden niet. Ze glimlachten." De woorden kwamen langzaam, elk woord losgebikt van de stilte alsof het pijn deed. "Niet de glimlach van iemand die dapper is. Niet de glimlach van iemand die zich goedhoud. Het was de glimlach van iemand die thuiskomt. Van iemand die na een lang, lang leven de deur opendoet van het huis waar hij altijd al had moeten zijn."

Hij stond stil. De klok tikte.

"En toen waren ze er niet meer."

De woorden vielen in de kamer als een steen in diep water. Maarten voelde de koude rilling langs zijn ruggengraat, dezelfde rilling die hij in de kelder onder het klooster had gevoeld, dezelfde rilling die hij begon te herkennen als het signaal van iets wat groter was dan hijzelf.

"Niet langzaam. Niet geleidelijk. Het ene moment waren ze er, het volgende moment niet. Geen lichtflits, geen geluid, geen dramatisch effect. Ze waren er gewoon niet meer. Alsof ze nooit hadden bestaan. Maar de lucht waar ze hadden gestaan was warm. Warmer dan de rest van de grot. Alsof ze iets hadden achtergelaten. Een afdruk. Een echo."

Brouwer liep naar zijn stoel en liet zich erin vallen. Hij leek kleiner nu, alsof het vertellen hem had leeggelaten.

"Hoekstra begon te schreeuwen. Bakhuizen viel op zijn knieën. Ik..." Hij keek naar zijn handen. "Ik stond daar. Ik stond op de drempel en ik voelde het. Het trok aan me. Niet als een kracht, niet als een zuiging. Als een uitnodiging. Als de meest volmaakte, de meest liefdevolle uitnodiging die ik ooit had ontvangen. En ik wilde gaan. God, Maarten, ik wilde gaan."

Zijn ogen glinsterden. De oude professor, de man van logica en filosofie en zorgvuldig gewogen woorden, had tranen in zijn ogen.

"Maar ik was bang. Ik was bang en ik liet los en de drempel sloot zich en ik stond in een koude grot in de bergen boven Ronda en Van Dijk en Moreau waren weg en ik was er nog en het enige wat ik voelde was schaamte."

Hij veegde met de rug van zijn hand over zijn ogen. Een snel, boos gebaar, alsof hij kwaad was op zichzelf dat hij nog steeds kon huilen na vijfendertig jaar.

"Schaamte. Niet verdriet. Dat kwam later. Eerst was er alleen schaamte. Omdat ik het had gezien. Omdat ik had gevoeld wat erachter lag. En omdat ik te laf was geweest om te volgen."

Maarten zweeg. Er waren geen woorden die pasten bij wat hij zojuist had gehoord. Hij keek naar de oude man in de leren stoel, naar de boeken die hem omringden als een fort van kennis dat niets had kunnen beschermen tegen deze ene, onmogelijke waarheid, en hij voelde een medelijden dat zo diep was dat het pijn deed.

"Wat deden jullie daarna?" vroeg hij zacht.

Brouwer haalde diep adem. Hij rechtte zijn rug, langzaam, alsof hij de professor weer opzette als een masker over het gezicht van de man die eronder lag.

"We zijn de grot uit gelopen. Hoekstra en ik droegen Bakhuizen, die niet meer kon staan. We zijn naar het dorp gelopen. Drie uur over bergpaden, in het donker, zonder iets te zeggen. In het hotel hebben we ons opgesloten in een kamer. Hoekstra wilde de politie bellen. Bakhuizen wilde terug naar de grot. Ik wilde alleen maar dat het niet was gebeurd."

Hij pakte de pijp weer op. Dit keer stak hij hem aan. De zoete geur van tabak vulde de kamer en vermengde zich met de whisky en de geur van oud leer. De geur van dit huis. De geur van vijfendertig jaar stilte.

"We spraken af om het aan niemand te vertellen. We waren het daar snel over eens. Wie zou ons geloven? Drie academici die beweerden dat twee collega's in een grot waren verdwenen door een soort metafysisch portaal. We zouden onze carrières verliezen. Onze geloofwaardigheid. Alles." Hij trok aan de pijp. De rook kringelde omhoog. "We verzonnen het verhaal dat je kent. Dat Van Dijk en Moreau alleen waren gegaan. Dat ze waren verdwenen tijdens veldwerk. De Spaanse politie deed een onderzoek dat nergens toe leidde. Het dossier werd gesloten. Het leven ging door."

"En de mannen in de donkere pakken? Die u de vorige keer noemde?"

"Die kwamen ook. Maar later. En ze waren minder beleefd dan de vorige keer. Ze wisten meer. Ze wisten dat we met z'n vijven waren geweest. Ze wisten van de zone, van de instructies, van alles. Ik heb nooit begrepen hoe. Ze namen Hoekstra's apparatuur in beslag. Ze namen de Fenicische vertalingen. Ze namen alles mee, behalve de herinnering. Die konden ze niet meenemen."

Brouwer keek Maarten aan.

"En die herinnering, Maarten, die heb ik elke dag van de afgelopen vijfendertig jaar met me meegedragen. Elke ochtend als ik wakker werd, was het het eerste wat ik dacht. Elke avond voor ik in slaap viel, was het het laatste. De glimlach van Van Dijk. Het warme plekje in de lucht waar hij had gestaan. De uitnodiging die ik niet had aangenomen."

Hij dronk zijn whisky leeg en zette het glas neer met een precisie die in contrast stond met het beven van zijn handen.

"Ik heb vijfendertig jaar veilige papers geschreven. Over Plato's grotmythe. Over de pre-Socraten. Over epistemologie en perceptietheorie. Allemaal abstract. Allemaal onschadelijk. Ik heb een hele carrière gebouwd op het vermijden van de enige waarheid die ertoe deed." Hij glimlachte, en het was de glimlach van een man die zichzelf al lang geleden had doorgrond en het resultaat niet mooi vond. "Weet je wat het ergste is? Ik heb een boek geschreven over Plato's allegorie van de grot. Tweehonderdtachtig pagina's over het verschil tussen schaduw en werkelijkheid, en geen woord over het feit dat ik het verschil met eigen ogen heb gezien."

Maarten keek naar de foto's in het dossier. Een zwart-witfoto van vijf mensen voor een rotsformatie. Hij herkende Brouwer, jonger, met donker haar en dezelfde blauwe ogen. Naast hem een vrouw met kort haar en een intelligent gezicht. Moreau, dacht hij. Een lange man met een baard, een pijp in zijn hand. Van Dijk. En twee anderen, een man met een bril en een man met brede schouders. Hoekstra en Bakhuizen.

Ze glimlachten. Ze stonden in de zon. Ze wisten niet wat er zou gebeuren.

"Professor. Wat is er met de anderen gebeurd?"

Brouwer knikte, alsof hij de vraag had verwacht.

"Hoekstra is in 1995 gestorven. Longkanker. Hij rookte twee pakjes per dag. Maar in de maanden voor zijn dood belde hij me regelmatig. Midden in de nacht, soms. Hij vertelde me dat hij de zone kon voelen. Niet in Spanje. In zijn slaapkamer in Utrecht. Alsof het hem had gevolgd. Of alsof hij, doordat hij het had ervaren, er altijd mee verbonden bleef." Brouwer trok aan zijn pijp. "Ik heb hem gezegd dat het verbeelding was. Ik weet niet of ik dat geloofde."

"En Bakhuizen?"

"Frederik Bakhuizen woont in een verpleeghuis in Hilversum. Vasculaire dementie. Hij herkent niemand meer. Ik bezoek hem om de drie maanden. Hij zit in een stoel bij het raam en staart naar buiten. De verpleging zegt dat hij soms praat. Altijd dezelfde woorden." Brouwer keek Maarten aan. "Hij zegt: Ze komen terug. Ze komen terug."

De koude rilling was er weer. Maarten voelde hem langs zijn ruggengraat trekken als een vinger van ijs.

"Professor. U zei de vorige keer dat de zones sterker worden. Actiever. Dat de afwijkingen exponentieel toenemen."

"Dat klopt. Weizenbaum had het gedocumenteerd. Zijn netwerk van sensoren registreerde een gestage toename in activiteit op alle locaties. Niet lineair. Versnellend. Alsof iets dat lang had geslapen, wakker aan het worden was." Brouwer stond op en liep naar het raam. De regen was niet verminderd. De Herengracht was een donkere spiegel waarin de lantaarns trilden als lichtgevende kwallen onder het wateroppervlak. "Weizenbaum geloofde dat het te maken had met wat Van Dijk en Moreau hadden gedaan. Dat hun vertrek iets had veranderd. Alsof ze door de drempel te passeren een deur hadden geopend die niet meer helemaal dicht kon."

"En u? Wat gelooft u?"

Brouwer zweeg lang. De regen viel. De klok tikte. De pijp gloeide en doofde.

"Ik geloof dat wij, de mensheid, al duizenden jaren op de rand van iets leven. Dat de oude culturen het wisten. Dat ze hun tempels bouwden op de plekken waar de rand het dunst was. Niet om goden te aanbidden, maar om de grens te bewaken. Of te bewandelen. En ik geloof dat die grens aan het verschuiven is. Dat de drempels lager worden. De zones groter. Het bereik wijder."

Hij draaide zich om.

"Weizenbaum is niet gestorven aan hartfalen, Maarten. Hij is gestorven omdat hij te dicht bij de drempel stond. Al jaren. Zijn apparatuur, zijn sensoren, zijn obsessie met de metingen, het hield hem permanent verbonden met de zones. Hij hoorde het. Dag en nacht. De frequenties, de verschuivingen, de uitnodiging. Het heeft hem leeggevreten."

"Maar hij is niet gegaan. Niet zoals Van Dijk en Moreau."

"Nee. Hij is niet gegaan. En misschien is dat het ergste wat je kunt doen. Op de drempel staan en niet kiezen. Niet terug, niet vooruit. Alleen maar luisteren naar wat erachter ligt en weten dat je niet durft." Brouwer keek naar zijn eigen handen. "Dat is wat ik al vijfendertig jaar doe. Ik sta op de drempel en ik kies niet."

Er viel een stilte die zwaarder was dan alle voorgaande. Maarten keek naar de oude man en zag voor het eerst de volle omvang van wat hij droeg. Geen geheim. Een wond. Een wond die al vijfendertig jaar open lag en die hij elke dag opnieuw verbond met de windsels van routine en academisch werk en pijptabak en Darjeeling, wetend dat het nooit zou genezen.

"Waarom vertelt u me dit nu?" vroeg Maarten. "Niet de vorige keer. Nu."

Brouwer ging zitten. Hij boog zich naar voren, zijn ellebogen op zijn knieën, zijn handen gevouwen. Het was het gebaar van een man die een beslissing had genomen.

"Omdat Kaspar dood is. Omdat Bakhuizen niet meer weet wie hij is. Omdat ik tweeenzeventig ben en 's ochtends bloed hoest en de dokter dingen zegt die ik niet wil horen. Omdat ik binnenkort de laatste ben die het weet, en dan niemand meer."

Hij keek Maarten recht aan.

"En omdat jij de drempel hebt gevoeld. In dat klooster. Ik zag het aan je toen je hier voor het eerst kwam. Je hebt het gevoeld en je bent teruggekomen. Dat maakt je anders dan ik. Ik ben nooit teruggegaan naar de grot. Nooit. Ik was te bang voor wat ik zou voelen. Maar jij bent teruggegaan. Jij hebt ervoor gekozen om te weten."

Maarten dacht aan de kelder onder het klooster. Aan de stilte die luisterde. Aan de laag over de werkelijkheid die alles breder en dieper en werkelijker maakte. Hij dacht aan Yara naast hem, haar gesloten ogen, haar trillende handen. Hij dacht aan de echo die sindsdien in hem leefde, zwak maar onuitwisbaar, als een toon die net buiten het bereik van het gehoor lag.

"Ja," zei hij. "Ik heb het gevoeld."

"Dan moet je ook het volgende weten." Brouwer stond op en pakte het tweede dossier van het bureau. Hij opende het en legde het voor Maarten neer. Er zat een kaart in, met de hand getekend, met rode stippen op locaties verspreid over Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten. "Weizenbaum heeft dit samengesteld in de laatste jaren van zijn leven. Een overzicht van alle bekende zones. En van de nieuwe. De zones die er twintig jaar geleden niet waren."

Maarten telde de stippen. Het waren er meer dan vijftig.

"Twintig jaar geleden waren het er zeventien," zei Brouwer. "Tien jaar geleden dertig. Nu meer dan vijftig. En ze worden sterker. De drempels worden lager. Weizenbaum geloofde dat er een punt zou komen waarop de drempels zouden verdwijnen. Waarop de scheiding tussen wat wij werkelijkheid noemen en wat daarachter ligt, zou oplossen."

"Wanneer?"

"Dat wist hij niet. Jaren. Misschien decennia. Misschien minder." Brouwer sloot het dossier. "Maar het proces versnelt. Wat Van Dijk en Moreau ook hebben losgemaakt toen ze vertrokken, het is niet gestopt. Het breidt zich uit. Langzaam, maar onverbiddelijk. Als een scheur in een dam."

Maarten keek naar de kaart, naar de rode stippen die verspreid lagen over het continent als bloeddruppels op een oude landkaart. Hij dacht aan de woorden van Weizenbaum, de laatste keer dat ze hadden gesproken. Het luistert, Maarten. Wat het ook is, het luistert. En het wacht.

"Ik heb nog een vraag," zei Maarten.

"Stel hem."

"U zei dat Van Dijk en Moreau glimlachten. Dat ze eruitzagen alsof ze thuiskwamen. Denkt u dat ze nog ergens zijn? Dat ze nog bestaan?"

Brouwer stond bij de boekenkast. Zijn hand rustte op de rug van een oud boek, alsof hij troost zocht bij het vertrouwde gewicht van papier en leer.

"Ik heb vijfendertig jaar over die vraag nagedacht. Elke dag. En het eerlijkste antwoord dat ik kan geven is: ik weet het niet. Maar ik geloof het. Niet met mijn verstand. Met iets anders. Met het deel van mij dat op de drempel heeft gestaan en heeft gevoeld wat erachter lag. Dat deel zegt me dat ze niet dood zijn. Dat ze niet verdwenen zijn. Dat ze ergens zijn waar onze woorden niet reiken."

Hij draaide zich om naar Maarten. In het licht van de bureaulamp leek zijn gezicht jonger, alsof de biecht hem iets had teruggegeven wat de jaren hem hadden ontnomen. Niet jeugd. Iets anders. Eerlijkheid, misschien. De opluchting van een man die eindelijk de waarheid heeft uitgesproken.

"Maar ik heb ook een vraag voor jou, Maarten."

Maarten keek hem aan.

Brouwer liep naar hem toe. Hij bleef staan, recht, zijn handen langs zijn zij, en keek op Maarten neer met die doordringende blauwe ogen die meer hadden gezien dan de meeste mensen ooit zouden zien.

"Wat doe jij als je op die drempel staat en het biedt je alles aan?"

De vraag bleef in de kamer hangen als rook. Maarten voelde hem in zijn borst, niet als woorden maar als gewicht. Hij dacht aan Lotte. Aan haar gezicht in de deuropening van zijn dromen. Aan haar sms'jes met onbegrijpelijke memes. Aan de zaterdagen dat ze samen kookten en zij hem uitlachte omdat hij geen TikTok begreep. Hij dacht aan Yara, aan haar ogen in de kelder, aan de tweespalt die hij daarin had gezien. Hij dacht aan zijn kantoor in Leiden, aan de stapels ongelezen tijdschriften, aan het druppende kraantje. Aan een leven dat gewoon was en dat hij lief had, ondanks alles.

En hij dacht aan de drempel. Aan het moment dat de werkelijkheid breder werd. Aan het gevoel van thuiskomst dat geen thuis had. Aan de glimlach van twee mensen die vijfendertig jaar geleden waren vertrokken naar een plek die geen naam had.

"Ik weet het niet," zei hij.

Het was het eerlijkste antwoord dat hij had.

Brouwer knikte. Er lag geen teleurstelling in zijn blik. Alleen herkenning.

"Dat zei ik ook. Vijfendertig jaar geleden. Ik weet het niet." Hij glimlachte, en het was de droevigste, de meest menselijke glimlach die Maarten ooit had gezien. "Het verschil is dat jij het nog kunt uitvinden."

Brouwer liep naar de deur van de studeerkamer en opende hem. De gang lag in het halfduister, de zwart-witte tegels glinsterend in het licht dat uit de kamer viel. De oude kaarten aan de muren leken in het schemerdonker te bewegen, alsof de kustlijnen verschoven en de zeeën van plaats verwisselden.

"Neem de dossiers mee," zei Brouwer. "Alle drie. Weizenbaums data, de vertalingen van de Fenicische teksten, de kaart van de zones. Ik heb ze vijfendertig jaar bewaard voor dit moment. Neem ze mee en doe er iets mee wat ik niet heb gedurfd."

Maarten pakte de dossiers. Ze waren zwaarder dan hij had verwacht, of misschien was het niet het gewicht van papier en leer maar van vijfendertig jaar stilte die erin was opgeslagen.

Bij de voordeur bleef hij staan. De regen viel nog steeds, gestaag en zwaar, en de Herengracht lag er donker en glanzend bij alsof de stad zelf een drempel was, een grens tussen boven en onder, tussen licht en water, tussen wat gezien kon worden en wat eronder lag.

"Professor."

"Ja?"

"Dank u."

Brouwer legde een hand op zijn schouder. De hand was mager en oud en trilde licht, maar de greep was stevig.

"Dank me niet. Vergeef me. Dat ik zo lang heb gezwegen. Dat ik je niet alles heb verteld toen je hier voor het eerst kwam. Dat ik dacht dat ik je kon beschermen door je onwetend te houden." Hij liet los. "Niemand is veilig in onwetendheid. Dat is de leugen die ik mezelf vijfendertig jaar heb verteld. De drempel is er, of je hem kent of niet. Het enige verschil is of je met open ogen op hem afloopt of er blindelings overheen struikelt."

Maarten stapte naar buiten. De regen trof zijn gezicht als koude vingers. De stoep glom. De gracht was een zwarte spiegel waarin de lantaarns trilden. Ergens op het water voer een boot voorbij, donker en stil, zonder lichten.

Achter hem hoorde hij de deur van nummer 287 dichtgaan. Zacht. Definitief. Het geluid van een man die eindelijk had losgelaten wat hij te lang had vastgehouden.

Maarten stond op de stoep met drie dossiers onder zijn arm en de regen in zijn gezicht. In zijn hoofd echoden de woorden van Brouwer, niet als een vraag maar als een profetie, als een voorspelling van iets wat onvermijdelijk was, iets wat al in gang was gezet lang voor hij geboren was, lang voor de Hermesgroep, lang voor de Feniciërs hun tekens in de grotwanden hadden gekerfd.

Wat doe je als je op die drempel staat en het biedt je alles aan?

Hij had geen antwoord. Maar terwijl hij over de Herengracht liep, langs de donkere gevels en de verlichte ramen, langs de levens die achter die ramen werden geleefd zonder kennis van drempels en zones en verdwenen wetenschappers, voelde hij iets wat hij niet kon benoemen. Niet angst. Niet opwinding. Iets tussenin. Iets wat leek op het moment vlak voor een sprong, wanneer je voeten nog op de rand staan en je lichaam al in de lucht hangt en de zwaartekracht nog een seconde wacht voor ze je grijpt.

De regen viel. De grachten glinsterden. De stad ademde om hem heen, oud en onverschillig en vol van geheimen die in het water lagen te wachten.

Maarten liep door. De dossiers onder zijn arm. De vraag in zijn hoofd. De drempel voor zich uit.