De Drempel van Hermes

Hoofdstuk 18 – Het Netwerk Ontrafeld

De lijst groeide sneller dan Maarten had verwacht.

Het was halfvier 's nachts en hij zat aan de keukentafel in zijn appartement aan het Rapenburg met drie lege koffiebekers, een halfleeg pak stroopwafels en een laptop waarvan het scherm de enige lichtbron was in de kamer. Op het scherm stond een spreadsheet die inmiddels honderdzevenenveertig rijen had. Namen, functies, organisaties, verbanden. Een web dat begonnen was als een paar losse draden en dat nu, naarmate hij meer trok, de contouren onthulde van iets wat hij niet eerder had gezien.

Niet omdat het verborgen was. Maar omdat niemand de moeite had genomen om de punten te verbinden.

Het was Yara geweest die hem op het spoor had gezet. Twee dagen na Brouwers bekentenis had ze gebeld vanuit Oxford, laat op de avond, met die specifieke spanning in haar stem die hij inmiddels herkende als het geluid van iemand die een patroon had ontdekt en er nog niet helemaal in durfde te geloven.

"De Wyndham Foundation," had ze gezegd. "Ken je die?"

"Vaag. Brits? Cultureel erfgoed?"

"Opgericht in 1947 door Sir Geoffrey Wyndham. Doel: het bevorderen van wetenschappelijk onderzoek naar cultureel erfgoed in het Middellandse Zeegebied. Klinkt onschuldig. Is het ook, op het eerste gezicht." Yara pauzeerde. "Maar ik ben in hun jaarverslagen gedoken. De afgelopen vijf jaar hebben ze achttien onderzoeksbeurzen toegekend. Veertien daarvan gingen naar projecten in gebieden die niet overeenkomen met de transitiezones. De vier die wel in de buurt kwamen β€” drie zijn na het eerste jaar stopgezet wegens onvoldoende resultaten, en de vierde is omgeleid naar een aanpalend onderwerp."

"Omgeleid?"

"De oorspronkelijke aanvraag ging over akoestische anomalieeen in Minoische architectuur. Het goedgekeurde project ging over keramiekclassificatie in dezelfde regio. Zelfde onderzoeker, zelfde locatie, compleet andere vraagstelling."

Maarten had het notitieboek gepakt dat altijd naast zijn laptop lag. "Wie zit er in het bestuur?"

"Daar wordt het interessant. De voorzitter is Lord Alistair Pemberton. Zegt je niets, neem ik aan. Maar hij zit ook in de raad van toezicht van het Caldwell Institute for Ancient Studies. En in het bestuur van de European Heritage Preservation Trust. En β€” hier komt het β€” hij was van 1998 tot 2007 lid van de adviescommissie van het European Research Council voor de sectie Humaniora."

De sectie die beslist welke archeologische projecten Europese financiering krijgen.

"Eeen naam," zei Maarten langzaam. "Op drie plekken. Dat kan toeval zijn."

"Kan. Maar het is niet een naam. Het zijn er meer. En het zijn niet drie plekken. Het zijn er tientallen."

Die nacht was Maarten begonnen met zoeken. En nu, drie slapeloze nachten later, zat hij te staren naar een spreadsheet die eruitzag als het organogram van iets wat geen organogram had. Geen orgaan. Geen structuur. Geen naam op een deur. Alleen verbanden.

Hij pakte zijn telefoon en belde Yara. Ze nam op na twee keer overgaan. Het was halfvijf in de ochtend in Oxford, maar ze was wakker. Natuurlijk was ze wakker.

"Hoeveel heb je er?" vroeg ze zonder begroeting.

"Honderdzevenenveertig namen. Maar het gaat niet om de namen. Het gaat om de posities." Hij scrollde door de lijst. "Tweeentwintig mensen die in besturen zitten van musea die artefacten bezitten uit de gebieden die overeenkomen met onze transitiezones. Dertien die in commissies zitten die onderzoeksfinanciering toekennen. Negen die op redacties zitten van wetenschappelijke tijdschriften β€” Journal of Mediterranean Archaeology, Antiquity, Hesperia. En het overlapt. Dezelfde namen verschijnen op twee, drie, soms vier plekken tegelijk."

"Generaties?"

"Minstens drie. Ik heb namen gevonden die teruggaan tot de jaren zestig. En Brouwerβ€”" Maarten pauzeerde, dacht aan de oude man in zijn leunstoel in Oegstgeest, aan de tranen die over zijn wangen hadden gelopen toen hij vertelde over zijn eigen betrokkenheid. "Brouwer zegt dat sommige families al sinds de negentiende eeuw betrokken zijn. De Pembertons. De Caldwells. De Van Eck-Duivenvoordes. Het gaat van vader op zoon. Of van mentor op protege."

"Het is geen complot," zei Yara. "Dat is wat me dwarszit. Het is geen complot in de traditionele zin. Er is geen hoofdkantoor. Er is geen leider. Het is een β€” een cultuur. Een gedeelde overtuiging die zich voortplant via bestuurskamers en beurscommissies en redactievergaderingen. Ze hoeven niet samen te komen in een donkere kamer om af te spreken wat er moet gebeuren. Ze weten wat er moet gebeuren. Ze zijn erin opgegroeid."

Maarten wreef in zijn ogen. Ze waren droog en branderig. "Asselbergs noemde het een verantwoordelijkheid. Weet je nog? In het Rijksmuseum. Hij zei dat ze de mensheid beschermden."

"En misschien geloven ze dat ook. Dat is het ergste. Ze zijn geen schurken. Ze zijn β€” beheerders. Ze beheren de toegang tot kennis met de oprechte overtuiging dat ze het juiste doen."

Er viel een stilte die zwaar was van vermoeidheid en van iets anders. Iets wat leek op het gevoel dat je hebt als je een kamer binnenloopt waarvan je dacht dat die leeg was, en ontdekt dat er de hele tijd iemand heeft gezeten die je niet kon zien.

"Ik heb je iets te vertellen," zei Yara. Haar stem had een andere klank gekregen. Harder. Maar ook kwetsbaarder, op een manier die Maarten niet van haar kende.

"Vertel."

"Drie jaar geleden heb ik een beurs aangevraagd bij de Leverhulme Trust. Onderzoek naar anomale akoestische eigenschappen van pre-Griekse cultuslocaties. Het was een sterke aanvraag. Twee referenten hadden het als excellent beoordeeld. De derde β€” een zekere Professor Harrington van Cambridge β€” vond het methodologisch onvoldoende en adviseerde afwijzing."

"En?"

"Het is afgewezen. Ik heb het project aangepast, het akoestische deel eruit gehaald, me geconcentreerd op de architecturale aspecten. Die versie is wel gehonoreerd." Ze zweeg even. "Maarten, Professor Harrington zit in het bestuur van het Caldwell Institute. Hetzelfde instituut als Pemberton. Hetzelfde netwerk."

Maarten voelde het als een koude hand die zich om zijn maag sloot. "Ze hebben je onderzoek bijgestuurd."

"Ze hebben mijn carriere bijgestuurd. Zonder dat ik het wist. Zonder dat iemand het wist. Er is geen samenzwering nodig als je de juiste mensen op de juiste stoelen hebt zitten. Een afwijzing hier, een herziening daar, een subsidieaanvraag die net niet aan de criteria voldoet. Het is β€” elegant. Op een walgelijke manier is het elegant."

Maarten hoorde in haar stem iets wat hij herkende. De woede van iemand die ontdekt dat haar eigen pad niet helemaal van haarzelf was. Dat er handen aan de knoppen hadden gezeten die ze niet had gezien.

"We moeten Bakker erbij halen," zei hij.

"Europol? Wat kan Europol doen? Het is niet illegaal om in een bestuur te zitten. Het is niet illegaal om een subsidieaanvraag af te wijzen."

"Nee. Maar het geld moet ergens vandaan komen. Stichtingen, trusts, fondsen β€” die hebben financiele stromen. En Bakker kan die traceren."

Yara was even stil. "Je hebt gelijk. Bel haar."

Commissaris Nadia Bakker luisterde zwijgend. Dat was het eerste wat Maarten aan haar waardeerde β€” ze onderbrak niet. Ze stelde geen vragen tot hij klaar was. Ze liet het verhaal bestaan voordat ze het ging analyseren.

Het was de volgende ochtend, tien uur, en ze zaten in een koffietent aan het Pieterskerkplein in Leiden. Bakker had gedaan alsof het een toevallig bezoek was. Maar ze was vanuit Den Haag gekomen met een dienstauto die ze twee straten verderop had geparkeerd, en ze droeg een jas die net iets te ruim was om niet te suggereren dat er iets onder zat.

Ze vertrouwt het niet, dacht Maarten. Na Weizenbaum vertrouwt ze niets meer.

Hij had het allemaal verteld. De lijst. De verbanden. De Wyndham Foundation. De Caldwell Institute. De namen die terugkwamen als een refrein in een lied dat niemand bewust had geschreven.

Bakker roerde in haar koffie. Ze had er geen suiker in gedaan. Ze roerde uit gewoonte, of om haar handen iets te geven terwijl haar hoofd werkte.

"Het probleem," zei ze ten slotte, "is dat dit geen strafbare feiten zijn."

"Dat weet ik."

"Bestuurders die in meerdere organisaties zitten. Beurscommissies die aanvragen afwijzen. Redacties die artikelen niet plaatsen. Dat is het dagelijks leven van elke academische en culturele sector." Ze nam een slok koffie. "Ik kan geen onderzoek openen op basis van het feit dat dezelfde mensen op dezelfde plekken zitten. Dat is networking. Dat is de elite die doet wat de elite altijd doet."

"En Weizenbaum?"

Bakkers ogen werden een fractie smaller. "Weizenbaum is een moordzaak. Die loopt. Maar ik heb geen bewijs dat zijn dood verband houdt met wat jij me nu vertelt."

"Weizenbaum was bezig met de transitiezones. Hij was bezig met publiceren. En nu is hij dood."

"Correlatie is geen causatie, dokter Vos. Dat weet u beter dan ik." Maar er was iets in haar stem dat de woorden tegensprak. Een aarzeling. Een barst in het professionele pantser.

"Wat kunt u wel doen?" vroeg Maarten.

Bakker zette haar kopje neer. "Geldstromen. Daar kan ik naar kijken. Als uw stichtingen en fondsen financiele transacties verrichten die over landsgrenzen gaan β€” en dat doen ze, als het internationale organisaties zijn β€” dan kan ik via Europol inzage krijgen in de structuren. Niet in de individuele transacties, niet zonder gerechtelijk bevel, maar in de architectuur van het geld. Wie betaalt wie. Welke stichtingen zijn dochters van welke trusts. Waar het geld vandaan komt en waar het heen gaat."

"Kunt u dat doen zonder dat het opvalt?"

Bakker keek hem aan met een blik die zei dat ze hem niet ging vertellen hoe ze haar werk deed. "Ik kan discreet zijn."

Ze vertrok twintig minuten later. Maarten bleef zitten met zijn koffie en keek door het raam naar het plein. Studenten fietsten voorbij. Een moeder duwde een kinderwagen over de kinderkopjes. Het Pieterskerkplein deed wat het altijd deed β€” bestaan, onverstoorbaar, eeuwenoud, alsof er niets aan de hand was.

Misschien is er ook niets aan de hand. Misschien zie ik patronen die er niet zijn. Misschien ben ik een vermoeide academicus die te lang naar een spreadsheet heeft gestaard.

Zijn telefoon trilde. Yara.

"Ik heb de publicatiegegevens geanalyseerd. De afgelopen twintig jaar zijn er zeventien artikelen ingediend bij peer-reviewed tijdschriften die betrekking hadden op anomale metingen in archeologische contexten die overeenkomen met onze transitiezones. Zestien zijn afgewezen. De zeventiende is gepubliceerd in een obscuur Roemeens tijdschrift dat niemand leest."

"Zestien van de zeventien."

"Dat is geen normaal afwijzingspercentage. Niet voor goed onderbouwd empirisch onderzoek. En ik heb de reviewrapporten kunnen achterhalen van drie van de afwijzingen. De bezwaren zijn telkens dezelfde: methodologische twijfels, onvoldoende controlegegevens, de suggestie dat de metingen meetfouten zijn. Telkens in bijna identieke bewoordingen."

"Dezelfde reviewer?"

"Dat kan ik niet bewijzen. De reviews zijn anoniem. Maar de formuleringen zijn zo vergelijkbaar dat het ofwel dezelfde persoon is, ofwel een groep die dezelfde richtlijnen hanteert."

Maarten sloot zijn ogen. Een groep die dezelfde richtlijnen hanteert. Geen samenzwering. Een protocol. Een gedeeld begrip van wat er wel en niet gepubliceerd mocht worden. Geen instructies vanuit een centraal punt, maar een stilzwijgende consensus die zo diep geworteld was dat ze niet eens meer als consensus werd herkend.

"Er is meer," zei Yara. "Ik heb gekeken naar de musea die artefacten bezitten van de locaties op Brouwers kaart. Het British Museum. Het Louvre. Het Nationaal Archeologisch Museum in Athene. Het Archeologisch Museum van Heraklion. In totaal heb ik eenendertig objecten gevonden die afkomstig zijn van transitiezonelocaties. Drieentwintig daarvan zijn niet tentoongesteld. Ze staan in de depots. Officieel vanwege ruimtegebrek of conserveringsproblemen. Maar acht van die drieentwintig zijn in uitstekende staat. Er is geen reden om ze niet te tonen."

"Behalve dat iemand liever niet heeft dat ze gezien worden."

"Behalve dat."

Het was halftwee toen Maarten Brouwer belde. De oude professor nam op met de aarzelende stem van iemand die een telefoontje verwachtte maar hoopte dat het niet zou komen.

"Ik heb namen nodig," zei Maarten zonder omhaal. "Namen uit het verleden. De mensen die u kende, in de jaren tachtig, toen u nog actief was in het netwerk. Families. Kopstukken. De structuur."

Brouwer zuchtte. Het klonk als wind door droog riet. "Er was geen structuur. Dat is wat jullie niet begrijpen. Er is nooit een structuur geweest. Het is β€” het is als water. Het zoekt zijn eigen weg. Het vult de ruimte die beschikbaar is."

"Maar er waren namen."

"Er waren namen." Een stilte. "De Rocheforts. Drie generaties, misschien vier. Bankiers, oorspronkelijk. Later filantropen. Ze financierden opgravingen in de Levant en rondom de Middellandse Zee. Ze bepaalden welke expedities geld kregen en welke niet."

"En de Van Eck-Duivenvoordes?"

"Nederlandse tak. Oud geld, VOC-erfgoed. Zij controleerden de toegang tot de collecties. Niet de musea zelf β€” de depots. De achterkamers. De objecten die nooit in vitrines terechtkwamen." Brouwer hoestte. "In de jaren tachtig zat Willem van Eck-Duivenvoorde in het bestuur van het Rijksmuseum en tegelijkertijd in de adviesraad van het toenmalige Ministerie van CRM. Hij kon bepalen wat er werd aangekocht, wat er werd uitgeleend, en wat er in de kelder bleef."

"Zegt de naam Pemberton u iets?"

"Alistair? Natuurlijk. Ik heb met zijn vader gewerkt. Sir Edward Pemberton. Die zat in de jaren zestig in de UNESCO-commissie voor cultureel erfgoed. Hij heeft persoonlijk een resolutie geblokkeerd die onafhankelijk onderzoek naar anomale metingen in beschermde sites zou hebben vergemakkelijkt." Brouwer schraapte zijn keel. "Edward was een fatsoenlijk man. Dat is wat u moet begrijpen. Ze waren allemaal fatsoenlijke mensen. Ze geloofden oprecht dat ze de wereld beschermden tegen kennis die ze niet aankon."

"En nu? Wie zijn de huidige kopstukken?"

"Asselbergs is het gezicht. Maar hij is niet de kern. De kern β€” als die er al is β€” zit dieper. Namen die u niet zult vinden in jaarverslagen of bestuurslijsten. Mensen die adviseren maar nooit tekenen. Die aanwezig zijn op diners maar nooit op vergaderingen." Brouwer pauzeerde. "Er is een naam die ik u moet noemen, hoewel het me angst aanjaagt."

Maarten wachtte.

"Eleonore Desforges. Franse. Erfgoedjuriste. Officieel gepensioneerd, maar ze is de spin in het web, voor zover er een web is. Zij onderhoudt de contacten tussen de verschillende takken. De Europese families, de Britse trusts, de Amerikaanse fondsen. Als er iemand is die het overzicht heeft, is zij het."

"Hoe oud?"

"Begin zeventig. Maar scherp. Scherper dan ik ooit ben geweest." Brouwer aarzelde. "Maarten, u moet iets weten. Het netwerk is niet monolithisch. Er zijn stromingen. Altijd geweest. Asselbergs vertegenwoordigt de geduldige vleugel β€” de mensen die geloven dat de waarheid ooit onthuld kan worden, maar niet nu. Niet in deze generatie. Ze willen controle, maar geen geweld."

"En de andere vleugel?"

"Die is er altijd geweest, in de marge. Mensen die vinden dat geduld een luxe is die ze zich niet meer kunnen veroorloven. Dat de dreiging te groot is. Dat er β€” maatregelen nodig zijn."

"Weizenbaum."

De stilte die volgde was lang genoeg om de klok in Brouwers huiskamer te horen tikken.

"Ik kan het niet bewijzen," zei Brouwer. "Maar ja. Als Klaus Weizenbaum vermoord is β€” en ik geloof dat hij vermoord is β€” dan was dat niet Asselbergs' werk. Dat was de andere kant. De harde kant."

"Wie?"

"Dat weet ik niet. En ik wil het niet weten." Zijn stem was oud en bang. "Ik heb u alles verteld wat ik kan. Meer dan ik had moeten vertellen. Wees voorzichtig."

De lijn werd verbroken.

Maarten legde zijn telefoon neer en staarde naar de muur van zijn appartement. Er hing een ingelijste kaart van de Middellandse Zee uit de zeventiende eeuw die hij jaren geleden op een veiling in Amsterdam had gekocht. De kustlijnen klopten niet helemaal. De verhoudingen waren scheef. Maar de intentie was er β€” de poging om de wereld vast te leggen, te beheersen door hem in kaart te brengen.

Is dat niet precies wat zij ook doen? De wereld beheersen door te bepalen welke kaart er getekend wordt?

Om vijf uur 's middags belde Bakker.

"Ik heb iets," zei ze. Haar stem was anders dan die ochtend. Strakker. De toon van iemand die iets had gevonden wat ze liever niet had gevonden. "Uw Wyndham Foundation. Die krijgt het overgrote deel van haar financiering van twee bronnen. De eerste is een Zwitsers investeringsfonds genaamd Aureum Partners. De tweede is een Liechtensteinse stichting, de Fondation du Patrimoine Europeen."

"En?"

"Aureum Partners beheert vermogens voor een handvol zeer vermogende families. Ik kan de namen nog niet achterhalen β€” Zwitsers bankgeheim β€” maar de structuur is helder. Het geld stroomt van Aureum naar de Wyndham Foundation, en vandaar naar tientallen kleinere organisaties. Musea. Universiteiten. Uitgeverijen. Opgravingsprojecten." Bakker pauzeerde. "Het is volledig legaal. Elke transactie is gedocumenteerd, elke belastingaangifte klopt, elke jaarrekening is goedgekeurd door gerenommeerde accountants. Er is geen fraude. Er is geen witwassen. Het is β€” filantropie."

"Filantropie die bepaalt welke wetenschap bedreven mag worden."

"Precies. En daar houdt mijn jurisdictie op." Ze klonk gefrustreerd. "Ik kan geen onderzoek openen naar mensen die geld weggeven aan culturele instellingen. Zelfs niet als dat geld gebruikt wordt om specifieke onderzoekslijnen te blokkeren. Er is geen wet die dat verbiedt."

"En de Liechtensteinse stichting?"

"Daar wordt het interessanter. De Fondation du Patrimoine Europeen heeft een bestuur van zeven leden. Vier daarvan zitten ook in de adviesraad van de International Council on Cultural Heritage. En een van hen β€” een zekere Eleonore Desforges β€” is tevens bestuurslid van elf andere stichtingen en fondsen die allemaal, direct of indirect, betrekking hebben op archeologisch erfgoed."

Maarten voelde zijn hartslag versnellen. Desforges. De naam die Brouwer had genoemd. De spin in het web.

"Elf organisaties," herhaalde hij.

"Elf die ik heb gevonden in twee uur zoeken. Er zijn er waarschijnlijk meer. En het patroon herhaalt zich. Dezelfde mensen zitten op dezelfde stoelen in dezelfde organisaties die samen het landschap vormen waarbinnen archeologisch onderzoek plaatsvindt. Ze financieren. Ze beoordelen. Ze publiceren. Ze bewaren. Ze controleren de hele keten, van opgraving tot expositie."

"En niemand ziet het."

"Iedereen ziet het. Maar niemand noemt het. Omdat het er precies zo uitziet als het netwerk van elke andere sector. Kunst, financien, politiek β€” overal zitten dezelfde mensen op dezelfde stoelen. Dat is hoe macht werkt. Het is onzichtbaar omdat het overal is."

Maarten hing op en belde Yara. Hij legde haar uit wat Bakker had gevonden. Yara luisterde, en toen hij klaar was, bleef het lang stil.

"Ze hoeven niets te vernietigen," zei ze ten slotte, en haar stem had de kwaliteit van iemand die iets uitspreekt wat ze al lang heeft gedacht maar nog niet had geformuleerd. "Ze hoeven geen bewijs te laten verdwijnen. Ze hoeven geen mensen te bedreigen. Ze hoeven alleen maar te zorgen dat de juiste subsidie niet wordt toegekend. Dat het juiste artikel niet wordt gepubliceerd. Dat het juiste artefact in het depot blijft. Ze hebben een wereld gecreeerd waarin het bewijs overal is β€” in kelders, in depots, in metingen die als fouten worden afgedaan β€” maar waarin niemand het mag bestuderen."

"Het perfecte systeem," zei Maarten.

"Het bijna perfecte systeem. Want wij hebben het gevonden. En Weizenbaum had het gevonden. En wie weet hoeveel anderen het door de eeuwen heen hebben gevonden en er vervolgens het zwijgen toe zijn gedaan. Niet met een mes in de rug. Met een afgewezen beurs. Met een artikel dat niet door de peer review kwam. Met een carriere die langzaam een andere richting werd ingeduwd."

"Zoals die van jou."

De stilte die volgde was scherp.

"Ja," zei Yara. "Zoals die van mij."

Het was avond geworden in Leiden. Maarten stond bij het raam en keek naar de gracht. Het water was zwart en glad en weerkaatste de lantaarns als vlekken van goudgeel licht. Een fietser reed over de brug, het rode achterlicht een bewegend punt in de duisternis. Ergens speelde iemand piano, een paar akkoorden die door het open raam van een bovenwoning zweefden en weer verdwenen.

Een normaal leven in een normale stad op een normale avond.

Maar de normaliteit voelde nu als een masker. Als een laag verf over iets wat eronder zat en dat hij nu, onuitwisbaar, had gezien. Het Consortium β€” hij was de naam gaan gebruiken die Brouwer ervoor had, al was het geen officiele naam, al had het ding geen officiele naam β€” het Consortium was geen schaduwregering. Het was geen geheim genootschap met rituelen en inwijdingen en vergaderingen bij kaarslicht. Het was iets banalers en daarom iets machtiger. Het was een consensus. Een gedeelde overtuiging onder een netwerk van invloedrijke mensen dat bepaalde kennis niet vrijgegeven mocht worden. En die overtuiging had zich in de loop van generaties vertaald in structuren β€” stichtingen, besturen, commissies, redacties β€” die de overtuiging in stand hielden zonder dat iemand er opdracht toe hoefde te geven.

Zijn telefoon trilde. Een bericht van Bakker.

Er is een breuk in het netwerk. Twee kampen. Het diplomatieke kamp (Asselbergs) is in conflict met een hardere factie. Financiele stromen zijn de afgelopen twee jaar verschoven. Geld dat vroeger naar de Wyndham Foundation ging, gaat nu naar een nieuwere organisatie: het Prometheus Initiative. Opgericht in Zwitserland, drie jaar geleden. Bestuur: onbekend. Financien: ondoorzichtig. Maar hun uitgaven zijn gericht op β€” ik citeer β€” "bescherming van kwetsbaar cultureel erfgoed". In de praktijk: het opkopen van land rondom archeologische sites en het afdwingen van toegangsbeperkingen.

Maarten las het bericht twee keer. Het Prometheus Initiative. Een nieuwe naam. Een hardere aanpak. En als Brouwer gelijk had over de twee vleugels β€” de geduldige en de gewelddadige β€” dan was dit de andere kant. De kant die niet genoeg had aan subtiele sturing. De kant die land opkocht en toegang blokkeerde. De kant die misschien, als het nodig was, verder ging dan dat.

Weizenbaum.

Hij belde Bakker terug. "Het Prometheus Initiative. Kunt u nagaan of er een verband is met de moord op Weizenbaum?"

"Dat doe ik al." Haar stem was kort, professioneel, maar eronder hoorde hij iets wat klonk als opwinding. De opwinding van een politievrouw die een spoor rook. "Weizenbaum had twee weken voor zijn dood contact opgenomen met een journalist van Le Monde. Hij wilde publiceren. Niet in een wetenschappelijk tijdschrift β€” in de pers. Hij was de academische weg voorbij."

"En het Prometheus Initiative wist dat?"

"Iemand wist het. De journalist heeft na Weizenbaums dood niets gepubliceerd. Ze zegt dat de informatie 'onvoldoende geverifieerd' was. Maar ze heeft ook haar telefoon laten vervangen en is twee weken niet op haar werk verschenen."

Maarten voelde de koude hand om zijn maag weer. Niet angst β€” nog niet. Maar het besef dat de grond onder zijn voeten minder vast was dan hij had gedacht.

Die nacht werkte hij door. Hij legde de spreadsheet naast de kaart van transitiezones die ze in Brouwers kelder hadden gevonden. Hij legde Bakkers financiele gegevens naast Yara's publicatieanalyse. En langzaam, als een foto die zich ontwikkelt in een donkere kamer, verscheen het beeld.

Het Consortium opereerde op drie niveaus. Het eerste was het financiele niveau: de stichtingen en fondsen die de geldstromen controleerden. Het tweede was het institutionele niveau: de bestuurszetels in musea, universiteiten en beoordelingscommissies die bepaalden wat er onderzocht, gepubliceerd en tentoongesteld mocht worden. Het derde was het informele niveau: de persoonlijke netwerken, de diners, de mentorrelaties, de gedeelde overtuiging die van generatie op generatie werd doorgegeven.

En nu was er een vierde niveau. Het Prometheus Initiative. Harder. Directer. Bereid om middelen te gebruiken die de oudere garde zou afkeuren.

De scheur in het netwerk was misschien hun enige kans.

Het was na middernacht toen hij het laatste telefoontje van de dag pleegde. Yara nam niet meteen op. Toen ze het deed, klonk ze moe maar alert.

"Ik heb nagedacht," zei hij. "We kunnen dit niet alleen."

"Dat weet ik."

"Bakker heeft Europol, maar ze is gebonden aan procedures en jurisdicties. Brouwer heeft kennis, maar hij is oud en bang. Wij hebben het bewijs, maar het bewijs is een spreadsheet met namen en verbanden die allemaal legaal zijn."

"Waar wil je naartoe?"

"We hebben bondgenoten nodig. Mensen binnen het systeem die het ook zien. Onderzoekers wier werk is geblokkeerd en die weten waarom. Journalisten die vragen stellen. Misschien zelfs mensen binnen het Consortium zelf die twijfelen β€” als die er zijn."

"Dat is gevaarlijk. Elke persoon die we benaderen is een potentieel lek."

"Alles is gevaarlijk. Niets doen is ook gevaarlijk. Weizenbaum deed niets verkeerd en is dood." Maarten liep naar het raam. De gracht was leeg nu. Geen fietsers, geen muziek. Alleen het water, zwart en stil, en de weerspiegeling van een lantaarn die trilde in de wind. "Ze gaan bewegen, Yara. Ze weten van ons. Ze weten wat we hebben gevonden. En als er echt een hardere factie is die bereid is omβ€”"

Hij maakte de zin niet af.

"Dan moeten we sneller zijn," zei Yara.

"Dan moeten we sneller zijn."

Stilte. De verbinding kraakte zacht, duizend kilometer oceaan en glasvezel tussen Leiden en Oxford, en toch voelde Maarten haar aanwezigheid alsof ze in dezelfde kamer zat. Dezelfde vastberadenheid. Dezelfde angst. Hetzelfde besef dat er geen weg terug was.

"Ik vlieg morgen naar Leiden," zei Yara. "We hebben een plan nodig. Een echt plan. Niet alleen een spreadsheet met namen, maar een strategie. Wie we benaderen, in welke volgorde, met welke informatie."

"En Bakker?"

"Bakker houdt het Prometheus Initiative in de gaten. Dat is haar terrein. Maar het onze β€” het onze is de wetenschap. We moeten publiceren, Maarten. Niet in een tijdschrift dat ze controleren. Niet via een kanaal dat ze kunnen blokkeren. We moeten het de wereld in brengen op een manier die ze niet kunnen tegenhouden."

Maarten dacht aan Weizenbaum, die hetzelfde had geprobeerd. Die naar een journalist was gestapt. Die twee weken later dood was.

"We moeten het slim doen," zei hij. "We moeten het zo doen dat stoppen erger is dan laten gaan."

"Ja."

"En we moeten het snel doen. Voor het Prometheus Initiative beslist dat wij hetzelfde risico vormen als Weizenbaum."

Yara zei niets. De stilte was antwoord genoeg.

Maarten hing op en bleef staan bij het raam. De nacht was koud en helder. Boven de daken van Leiden stonden sterren die hij normaal niet zag β€” te veel lichtvervuiling, te weinig aandacht. Maar vanavond waren ze er. Klein en scherp en onverschillig.

Eeuwenlang, dacht hij. Eeuwenlang hebben ze dit volgehouden. Generatie na generatie. Niet met geweld β€” met geduld. Met stichtingen en bestuurszetels en peer reviews. Ze hebben de grenzen van het kenbare bepaald. Niet door muren te bouwen, maar door wegen af te sluiten. Niet door te vernietigen, maar door te verbergen. En het werkte. Het werkte eeuwenlang.

Hij keek naar de sterren en voelde twee dingen tegelijk. Angst β€” helder, concreet, de angst van iemand die wist dat hij een grens had overschreden waar geen terugkeer mogelijk was. En iets anders. Iets wat leek op de verschuiving die hij in die kelder in Andalusie had gevoeld. Een verbreding. Een opening. Het gevoel dat de wereld groter was dan de kaart die ervan was getekend, en dat hij nu, voor het eerst, de randen van de kaart kon zien.

We komen eraan, dacht hij, en hij wist niet of hij het tegen het Consortium zei of tegen de waarheid die ze eeuwenlang verborgen hadden gehouden.

Misschien tegen allebei.

Hij sloot het raam, ging aan de keukentafel zitten, en begon te schrijven. Geen spreadsheet dit keer. Een plan. Namen, contacten, data, deadlines. Een strategie voor wat komen ging.

Deel twee was voorbij. Het zoeken was gedaan. Ze wisten nu wat het Consortium was, hoe het werkte, en hoe diep het reikte. Ze wisten dat er een scheur was die ze konden gebruiken. Ze wisten dat de tijd drong.

Wat ze nog niet wisten β€” wat Maarten pas zou begrijpen in de weken die volgden β€” was dat het Consortium hen ook had gevonden. Dat er op dit moment, terwijl hij schreef en plande en dacht dat hij de jager was, iemand in een kantoor in Zurich een telefoontje pleegde. Een kort telefoontje. Twee zinnen.

Maar dat wist hij nog niet. En dus schreef hij door, alleen aan zijn keukentafel in Leiden, terwijl buiten de nacht langzaam overging in de eerste grijze aankondiging van de ochtend.