De Drempel van Hermes

Hoofdstuk 2 – De Anomalie

De regen sloeg in vlagen tegen het raam van zijn werkkamer op de tweede verdieping van het Van Steenis-gebouw. Maarten Vos zat achter zijn bureau en staarde naar het scherm van zijn laptop zonder de woorden te lezen die erop stonden. Buiten gleed het licht van een februarimiddag traag over de daken van Leiden, waterig en kleurloos, als een aquarel die te lang in de regen had gelegen.

Hij was drie dagen terug uit Egypte. Drie dagen waarin hij colleges had gegeven over stratigrafie en keramiekdatering, drie dagen waarin hij koffie had gedronken in de faculteitskantine en had geknikt naar collega's die vroegen hoe Saqqara was geweest. Goed. Warm. Interessant. De gebruikelijke antwoorden. Niemand had doorgevraagd.

Op zijn bureau lag het veldnotitieboekje opengeslagen. De pagina's waren licht gekreukt van het zweet, de inkt hier en daar uitgelopen. Hij had de metingen drie keer overgeschreven, thuis aan zijn keukentafel, met een fris hoofd en een kop sterke thee. De cijfers veranderden niet.

De kamer in het ondergrondse complex bij Saqqara mat 7,84 bij 4,31 meter. Dat was wat zijn laserafstandsmeter aangaf. Dat was wat zijn meetlint bevestigde. Dat was wat de ruimte was.

Volgens de officiële documentatie mat de kamer 7,20 bij 3,95 meter.

Een verschil van vierenzestig centimeter in de lengte. Zesendertig in de breedte. Niet het soort afwijking dat je kon verklaren met een slordige meting of een verouderd instrument. Het was alsof iemand een andere kamer had opgemeten.

Maarten opende de map met foto's op zijn laptop. Hij had er meer dan honderd gemaakt, systematisch, zoals hij dat altijd deed: de vier wanden, de hoeken, het plafond, de vloer, details van de blokken, de voegen, de eventuele inscripties. Hij klikte door de reeks en zocht naar iets — een aanwijzing, een vergissing, iets dat hem het gevoel zou geven dat hij zich had vergist.

Maar de foto's bevestigden wat hij zich herinnerde. De kamer was groter dan ze hoorde te zijn. Op enkele opnames was het meetlint zichtbaar dat hij langs de westelijke muur had gelegd. De cijfers waren scherp genoeg om te lezen als hij inzoomde.

7,84.

Hij leunde achterover in zijn stoel en wreef over zijn slapen. Het kantoor rook naar oud papier en koffie die te lang op het warmhoudplaatje had gestaan. Aan de muur hing een ingelijste kaart van het Middellandse Zeegebied uit 1780, een cadeau van zijn promotor bij zijn aanstelling. Planken vol boeken en tijdschriften. Een foto van Lotte bij haar schoolmusical, drie jaar geleden, in een zilveren lijstje dat ze zelf had uitgezocht.

Gewoon een meetfout in de archieven, zei hij tegen zichzelf. Dat is alles. Iemand heeft in 1978 slordig werk afgeleverd, en jij maakt er een raadsel van omdat je te weinig slaapt.

Maar hij wist dat het niet klopte. De oorspronkelijke metingen uit 1978 waren wél correct geweest — ze kwamen immers overeen met wat hij zelf had gemeten. Het waren de gecorrigeerde cijfers uit 1979 die niet klopten. Iemand had bewust de juiste metingen vervangen door onjuiste.

Hij opende de universitaire bibliotheekcatalogus en typte de naam in die hij in het archief van de Egyptian Antiquities Organization had gevonden: Pieter van Dijk.

De zoekresultaten verschenen binnen enkele seconden. Dr. Pieter Hendrik van Dijk, 1931-1983, verbonden aan de Rijksuniversiteit Utrecht, afdeling Egyptologie. Gepromoveerd in 1961 op een studie over de bouwmethoden van het Oude Rijk. Veldwerk in Gizeh, Luxor, Abydos en Saqqara. Een respectabele maar niet opzienbarende carrière, beëindigd door zijn overlijden op tweeënvijftigjarige leeftijd.

Van Dijk had in 1978 de opmeting geleid van het complex waarin Maarten had gestaan. Zijn team had zorgvuldig werk afgeleverd — de oorspronkelijke rapporten, die Maarten via een interbibliothecair leenverzoek had weten te bemachtigen, getuigden daarvan. Gedetailleerde plattegronden, doorsneden, fotografische documentatie. Alles netjes volgens de standaarden van die tijd.

En dan, in 1979, de correctie. Een administratieve notitie, niet langer dan een halve pagina, die vermeldde dat de oorspronkelijke metingen 'instrumentele fouten' bevatten en verving door nieuwe cijfers. Ondertekend door een zekere R. Harwood, wiens naam Maarten nergens in de Egyptologische literatuur kon terugvinden. Geen institutionele affiliatie. Geen verdere publicaties. Alleen die ene pagina die de metingen van een heel team tenietdeed.

Wie corrigeert andermans veldwerk zonder uitleg?

Maarten stond op en liep naar de kantine om verse koffie te halen. In de gang kwam hij Sandra Meulenbelt tegen, zijn collega Griekse Archeologie, die hem vroeg of hij meedeed met de borrel op vrijdag. Hij zei ja, zonder erbij na te denken, en liep door. Zijn hoofd zat vol getallen.

Terug achter zijn bureau begon hij systematisch te zoeken. Als de metingen in Saqqara waren gecorrigeerd, was het dan mogelijk dat dit elders ook was gebeurd? Hij opende JSTOR, de digitale archieven van het Deutsches Archäologisches Institut, de database van het Oriental Institute in Chicago. Hij zocht op trefwoorden: survey corrections, measurement discrepancies, revised dimensions. De meeste resultaten waren onbruikbaar — het gewone ruis van wetenschappelijk werk, fouten die werden rechtgezet, methoden die werden bijgesteld.

Maar na twee uur zoeken, toen het licht buiten al begon te vervagen en de lampen op de parkeerplaats aanfloepten, vond hij iets.

Een Duits rapport uit 1974 over een ziggurat in Ur, het huidige Irak. Een team van de Universiteit van Tübingen had een van de binnenste kamers opgemeten. In 1975 waren de metingen herzien, met als reden — Maarten las de woorden twee keer om er zeker van te zijn — 'Korrekturen aufgrund instrumenteller Abweichungen'. Instrumentele afwijkingen. Dezelfde formulering. Het verschil: vierenvijftig centimeter in de lengte, eenentwintig in de breedte. De kamer was kleiner gemaakt op papier.

Zijn hart begon sneller te slaan. Hij merkte het op als een klinisch feit, alsof hij het bij een patiënt constateerde, en dwong zichzelf rustig door te ademen.

Eén geval is een anomalie. Twee is een patroon dat er misschien niet is.

Maar hij kon niet stoppen. De methodische onderzoeker in hem had bloed geroken, en er was geen weg terug. Hij doorzocht de archieven van de Egypt Exploration Society en vond een opmeting van de tempel van Hathor in Dendera, uit 1971. Een binnenste heiligdom, beschreven als een ruimte met ongewone akoestische eigenschappen. De oorspronkelijke metingen waren in 1972 gecorrigeerd. De reden: 'errors in original survey instrumentation'. Het patroon was hetzelfde. De kamer was op papier kleiner gemaakt dan ze in werkelijkheid was.

Om halfzeven belde Lotte. Hij nam op terwijl hij met zijn andere hand door een PDF scrollde.

'Pap, eet je vanavond thuis?'

'Ja. Nee. Ik weet het niet, schat. Hoezo?'

'Omdat het dinsdag is en je zou koken.'

Hij keek naar de klok in de hoek van zijn scherm. Dinsdag. Ze had gelijk. Ze had altijd gelijk.

'Ik ben over een halfuur thuis,' zei hij. 'Pasta?'

'Liever nasi.'

'Dan nasi.'

Hij klapte de laptop dicht en stopte het notitieboekje in zijn tas. Maar terwijl hij door de donkere straten naar zijn appartement aan de Hooigracht fietste, regende het niet meer en was zijn hoofd nog steeds onder de grond. In Saqqara, in Ur, in Dendera. Kamers die groter waren dan ze mochten zijn.

Die avond, nadat Lotte naar haar kamer was gegaan om huiswerk te maken en het geluid van haar muziek gedempt door de muur drong, opende hij zijn laptop aan de keukentafel en ging verder.

Het derde geval vond hij in een obscure publicatie van de Italiaanse School voor Archeologie in Athene. Knossos, Kreta. Een kamer in het zogenaamde Paleis van Minos, opgemeten in 1969 door een Grieks-Italiaans team. In 1970 gecorrigeerd. De bewoording was bijna identiek: 'rettifica delle misure originali a causa di errori strumentali'. Instrumentele fouten. De kamer was op papier verkleind met achttien centimeter in de lengte en veertien in de breedte.

Het vierde geval kostte hem nog een uur. Göbekli Tepe, Turkije. Een van de oudste bekende monumentale structuren ter wereld. Een team van het Deutsches Archäologisches Institut had in 2008 een van de deels blootgelegde enclosures opgemeten. In 2009 was er een revisie gepubliceerd. De formulering was iets anders — 'Überarbeitung der Vermessungsdaten' — maar het patroon was onmiskenbaar. De originele afmetingen waren groter. De herziene afmetingen waren kleiner. Het verschil paste in dezelfde orde van grootte als de andere gevallen.

Maarten stond op en liep naar het aanrecht. Hij vulde een glas water en dronk het in één keer leeg. Zijn handen trilden licht. Dat kon de koffie zijn, of de vermoeidheid, of iets anders.

Vijf locaties. Vijf keer dezelfde gang van zaken. Oorspronkelijke metingen die worden vervangen door kleinere cijfers, steeds binnen een jaar, steeds met dezelfde vage verwijzing naar instrumentele fouten.

Hij wist hoe dit klonk. Hij was geen complotdenker, geen pseudowetenschapper die in elke steen een buitenaards signaal zag. Hij was universitair hoofddocent aan een van de beste universiteiten van Europa. Hij beoordeelde papers, begeleidde promovendi, zat in redactieraden. Hij wist het verschil tussen een hypothese en een fantasie.

Maar de cijfers waren er. Ze waren controleerbaar, verifieerbaar, gedocumenteerd in archieven die iedereen kon raadplegen. Het was geen interpretatie. Het was data.

Hij ging weer zitten en opende een nieuwe zoekopdracht. Pieter van Dijk had meer gepubliceerd dan zijn Saqqara-rapporten. Maarten werkte zich door de bibliografie heen — artikelen over baksteenformaten in het Middenrijk, een bijdrage aan een handboek over opmeetmethoden, een boekbespreking in het Journal of Egyptian Archaeology. Degelijk, onopvallend werk.

Tot 1980.

In dat jaar publiceerde Van Dijk een kort artikel in het Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, een tijdschrift dat voornamelijk gelezen werd door een handjevol Nederlandse archeologen en cultuurhistorici. De titel was: 'Responsieve architectuur: een verkennende notitie over variabele ruimtelijke eigenschappen in oudheid-bouwwerken'.

Maarten vond de volledige tekst via de digitale collectie van de Koninklijke Bibliotheek. Het artikel besloeg zeven pagina's, inclusief voetnoten en een korte bibliografie. Hij las het twee keer, langzaam, met het gevoel dat de keukenvloer onder hem zachtjes helde.

Van Dijk beschreef, in voorzichtige en bijna overdreven academische taal, het fenomeen dat Maarten zojuist zelf had ontdekt. Bepaalde ruimten in oude bouwwerken leken hun afmetingen te veranderen. Niet dramatisch, niet op een manier die het blote oog kon waarnemen, maar meetbaar — afwijkingen van tien tot zeventig centimeter die verschenen en verdwenen zonder verklaring. Van Dijk noemde het 'responsieve architectuur', alsof de gebouwen reageerden op iets. Waarop, daar liet hij zich niet over uit. Het artikel eindigde met een oproep tot systematisch vervolgonderzoek.

De reactie van de vakgemeenschap was — voor zover Maarten kon nagaan — volledige stilte. Geen reacties, geen citaties, geen brieven aan de redactie. Het artikel was verdwenen in de plooien van de academische geschiedenis, als een steen in een vijver die geen kringen achterlaat.

En drie jaar later was Van Dijk dood.

Maarten zocht naar een overlijdensbericht, een In Memoriam, iets dat uitlegde wat er was gebeurd. Hij vond een korte necrologie in Phoenix: Bulletin uitgegeven door het Vooraziatisch-Egyptisch Genootschap Ex Oriente Lux. Dr. Pieter van Dijk was op 12 november 1983 overleden, 'na een kort ziekbed'. Geen verdere details. Geen specificatie van de ziekte. De necrologie prees zijn bijdragen aan de Egyptologie en vermeldde zijn veldwerk, maar niet het artikel over responsieve architectuur. Het was alsof die zeven pagina's nooit waren geschreven.

Na een kort ziekbed. De standaardformulering wanneer men niet wilde zeggen wat er werkelijk was gebeurd. Maarten kende die eufemismen. Zijn eigen vader was ook 'na een kort ziekbed' overleden, terwijl iedereen wist dat het zijn lever was geweest, kapotgedronken in vijftien jaar.

Hij schoof zijn stoel naar achteren en stond op. Liep naar het raam en keek naar de gracht, waar het water zwart en stil lag onder de straatlantaarns. Een fietser reed voorbij, het licht van zijn koplamp een dansende vlek op het natte wegdek.

Wat doe je nu, Maarten? Je bent een wetenschapper. Je hebt data. Wat doe je met data?

Hij ging terug naar de laptop en opende het artikel van Van Dijk opnieuw. Dit keer las hij de voetnoten. De meeste waren standaardverwijzingen — Petrie, Borchardt, Lauer, de gebruikelijke namen uit de Egyptologie. Maar voetnoot 14 was anders.

Voetnoot 14 verwees naar een niet-gepubliceerd manuscript van een zekere Dr. Y. El-Masri, Oxford, getiteld: 'Spatial Anomalies in the Inner Sanctuary of Hathor Temple, Dendera: A Preliminary Report'. Het manuscript was volgens Van Dijk geschreven in 1976 maar 'om redenen die de auteur niet nader heeft toegelicht' nooit ter publicatie aangeboden.

El-Masri. Dendera.

Maarten typte de naam in het zoekveld van de Oxford University-website. Dr. Yara El-Masri, Faculty of Oriental Studies, Fellow van St Antony's College. Specialist in de architectuur en astronomie van Ptolemaeïsch en Romeins Egypte. Een lange publicatielijst, een indrukwekkend cv, een profielfoto van een vrouw met donker haar en een ernstige blik die de camera recht aankeek.

Ze leefde. Ze was er nog. Ze was professor in Oxford en ze had veertig jaar geleden iets gezien in Dendera dat ze nooit had gepubliceerd.

Maarten opende zijn e-mail en begon te typen. Wiste de eerste zin. Begon opnieuw. Wiste weer. Hij stond op, liep een rondje door de keuken, ging weer zitten.

Hoe schrijf je iemand die je niet kent een e-mail over iets dat niet kan bestaan?

Hij moest precies het juiste register vinden. Te enthousiast en hij klonk als een amateur. Te voorzichtig en ze zou het als onbelangrijk terzijde schuiven. Hij moest klinken als wat hij was: een serieuze academicus die een serieuze vraag had.

Na een kwartier had hij een tekst die hij kon verdragen.

Dear Dr El-Masri,

My name is Maarten Vos, and I am an associate professor of Comparative Archaeology at Leiden University. I hope you will forgive this unsolicited message.

I am currently conducting research into surveying methodologies for ancient architectural spaces, with a particular focus on discrepancies between original field measurements and their subsequent published revisions. In the course of this work, I came across a reference to an unpublished manuscript of yours concerning spatial observations in the inner sanctuary of the Hathor Temple at Dendera, cited in a 1980 paper by the late Dr Pieter van Dijk.

I would be most grateful for the opportunity to discuss Dr van Dijk's work and the observations he references. My own recent fieldwork has produced findings that appear to intersect with the questions he raised, and I believe your expertise in the Dendera complex would be invaluable in helping me understand their significance.

I will be presenting at the European Archaeological Association conference in Dublin in April and would welcome the chance to meet in person, should that be convenient. Alternatively, I am happy to arrange a visit to Oxford at a time that suits your schedule.

With kind regards,

Maarten Vos, PhD
Associate Professor, Comparative Archaeology
Faculty of Archaeology, Leiden University

Hij las de e-mail nog een keer. En nog een keer. Hij had bewust niet geschreven wat hij werkelijk dacht. Niets over kamers die van afmeting veranderden. Niets over vijf locaties met hetzelfde patroon. Niets over correcties die geen correcties waren. Hij had het verpakt in de neutrale taal van academische belangstelling, als een geschenk in onopvallend bruin papier.

Ze zal het begrijpen of ze zal het niet begrijpen. En als ze het begrijpt, zal ze weten waarom ik het zo schrijf.

Hij bewoog de cursor naar de verzendknop. Aarzelde. Dacht aan Van Dijk, die in 1980 had gepubliceerd wat niemand wilde lezen en drie jaar later dood was. Na een kort ziekbed.

Toen klikte hij op verzenden.

De e-mail verdween in het niets, zoals e-mails dat doen — opgeslokt door kabels en servers en protocollen, een reeks enen en nullen op weg naar een computerscherm in Oxford. Maarten sloot de laptop en bleef een moment stil zitten in de keuken. Het was bijna middernacht. Boven draaide Lotte zich om in haar slaap, het bed kraakte zacht.

Hij stond op en waste zijn koffiemok af. Zette hem ondersteboven op het afdruiprek. Deed het licht in de keuken uit. In het donker gloeide het standby-lampje van de laptop als een klein rood oog.

In bed lag hij naar het plafond te staren. De regen was teruggekomen en tikte tegen het slaapkamerraam, onregelmatig, als vingers die ongeduldig op een tafelblad trommelen. Hij dacht aan de kamer onder Saqqara. Aan de manier waarop de lucht daar anders had gevoeld, dikker, alsof de ruimte zelf iets bevatte dat er niet hoorde te zijn. Aan de muren van vierduizend jaar oud kalksteen die er hadden gestaan alsof ze op hem wachtten.

Responsieve architectuur. Van Dijks term. Gebouwen die reageren. Maar waarop? Op wie? En waarom had iemand er zoveel moeite voor gedaan om dat te verbergen?

De slaap kwam laat en was onrustig. Hij droomde over lange gangen van wit steen die smaller werden naarmate hij verder liep, tot hij zich zijwaarts moest wringen, en dan breder, veel breder, als de longen van een slapend dier dat langzaam in- en uitademt.