De Drempel van Hermes
Hoofdstuk 20 – De Taal van de Stilte
De ochtend brak aan als een wond.
Licht drong door de dunne gordijnen van het hotelraam en tekende een scherpe lijn over de vloer, over het notitieboek dat opengeslagen op het nachtkastje lag. Buiten klonk Caïro — het getoeter van claxons, het geratel van karren, de roep van een muezzin die oprees uit de chaos als een draad die omhooggetrokken werd uit een kluwen.
Maarten lag op zijn rug en staarde naar het plafond. Hij had drie uur geslapen. Misschien vier. Niet genoeg om te vergeten. Niet genoeg om de echo uit zijn hoofd te wissen van wat hij in de kamer onder Saqqara had gevoeld. Die verdubbeling. Die onmogelijke ervaring van tegelijkertijd hier en daar te zijn, van in zijn lichaam te staan en tegelijk ergens anders te bestaan waar lichaam een woord was dat geen betekenis had.
Ontologisch, dacht hij. Niet ruimtelijk. Het is een verschuiving in wat je bent, niet in waar je bent.
Hij had het de avond ervoor tegen Yara gezegd, in de taxi terug naar het hotel. Ze had geknikt, maar hij had gezien dat ze niet echt luisterde. Haar ogen waren gericht op iets wat zich niet buiten het raam bevond. Ze had haar telefoon gepakt en was begonnen te typen, snel, met twee duimen, en ze was niet meer gestopt tot ze bij het hotel waren.
Er werd geklopt. Drie korte tikken. Yara.
Hij deed open. Ze stond in de gang met twee kartonnen bekers koffie, een tas over haar schouder en ogen die gloeiden van iets wat hij herkende. Niet vermoeidheid. Het tegenovergestelde. De koortsige helderheid van iemand die de hele nacht wakker is geweest en in die slapeloosheid iets heeft gevonden.
"Heb je geslapen?" vroeg hij.
"Nee." Ze duwde een beker in zijn hand en liep langs hem heen de kamer in. Ze legde haar tas op het bureau, opende hem, en haalde er een stapel papieren uit. Het waren vellen uit een collegeblok, volgeschreven in haar kleine, hoekige handschrift. Sommige pagina's waren meer tekening dan tekst — hiërogliefen, diagrammen, pijlen die woorden verbonden met andere woorden. "Ik heb de hele nacht geschreven."
"Wat je hoorde in de kamer."
"Wat ik begreep in de kamer." Ze ging op de rand van het bureau zitten en pakte haar koffie. Haar handen trilden licht, maar haar stem was vast. "Maarten, ik ben taalkundige. Ik ken het Oud-Egyptisch beter dan ik het Nederlands ken, in sommige opzichten. En wat ik gisteravond hoorde in die kamer — het was geen geluid. Er waren geen stemmen. Maar er was taal."
Ze pakte een van de vellen papier.
"Het Oud-Egyptisch heeft een verbaalstructuur die we de sdm.f-vorm noemen. Sdm betekent horen, en de .f is het suffix voor hij. Dus sdm.f is hij hoort. Simpel. Maar het systeem is complexer dan dat. Er zijn variaties — de prospectieve sdm.f, de subjonctieve, de vetitieve. Verschillende nuances van tijd, aspect, modaliteit."
"En wat je hoorde —"
"Was een vorm die ik nooit eerder heb gezien. Nooit in een grammatica, nooit in een handboek." Ze hield het papier op. Er stonden hiërogliefen op, zorgvuldig getekend in zwarte inkt, met eronder transliteraties en vertalingen. "Maar ik weet dat het bestaat. Ik heb het begrepen. Niet met mijn verstand, maar met iets wat dieper zit. Zoals je een moedertaal begrijpt — niet door de regels op te zoeken, maar door ze te zijn."
Maarten ging op de rand van het bed zitten. "Vertel me wat je begrepen hebt."
Yara haalde diep adem. "Een werkwoordsvorm die geen equivalent heeft in welke moderne taal dan ook. Een tempus — nee, meer dan een tempus, een aspect — dat uitdrukt wat ik alleen kan omschrijven als aanwezig-elders. Niet hier en niet daar. Niet nu en niet toen. Maar volledig aanwezig op twee plekken tegelijk, of preciezer: volledig aanwezig terwijl je je tegelijkertijd op de drempel bevindt."
Aanwezig-elders. Het woord bleef hangen in de kamer, alsof het te zwaar was om te verdampen.
"Dat klinkt als wat ik voelde," zei Maarten langzaam. "In de kamer. Die verdubbeling."
"Precies. Maar het punt is niet dat het een gevoel beschrijft. Het punt is dat het een grammaticale categorie is. Net zo fundamenteel als verleden tijd of tegenwoordige tijd. Het was geen metafoor. Het was geen poëzie. Het was grammatica." Ze stond op en liep naar het raam. "Stel je voor dat je een taal spreekt die geen verleden tijd heeft. Je zou het concept verleden nog steeds ervaren. Maar je zou er niet over kunnen praten op dezelfde manier. Dat is wat er met ons is gebeurd, Maarten. Wij hebben een grammaticale categorie verloren. Een hele dimensie van ervaring die zo fundamenteel was dat ze er een werkwoordsvorm voor hadden, en wij hebben niet eens een woord meer om te beschrijven wat we kwijt zijn."
Stilte. Buiten toeterde een vrachtwagen. Caïro ging door.
"Ik moet het verifiëren," zei Yara. "Er is iemand die ik moet spreken."
Veertig minuten later zaten ze in een taxi die zich een weg baande door het ochtendverkeer van Caïro, een ondoorgrondelijke vloed van auto's, bussen, motorfietsen en ezelskarren. Yara belde. Ze sprak Arabisch, snel en vloeiend, met een Caïreens accent dat ze als kind had geleerd en dat terugkwam als een spier die je niet was vergeten.
Ze hing op. "Hassan Khalil. Niet dezelfde Khalil die Brouwer kende — zijn neef. Associate professor Egyptologie aan de Universiteit van Caïro. We hebben samen gepubliceerd over verbale morfologie in de Piramideteksten. Hij is een van de weinige mensen ter wereld die begrijpt wat ik bedoel als ik zeg dat er iets mis is met hoe we het Oud-Egyptische werkwoordssysteem classificeren."
"Vertrouw je hem?"
"Met de taal wel. Maar we hebben het archief nodig, Maarten. De universiteit heeft papyri die nooit volledig zijn gepubliceerd. Fragmenten uit Saqqara, uit Abydos, uit Deir el-Medina. De mainstream egyptologie heeft ze geclassificeerd als te fragmentarisch voor analyse. Maar ik heb altijd vermoed dat sommige van die fragmenten passages bevatten die niet in het standaardmodel passen."
"En die daarom zijn weggestopt."
"Niet weggestopt. Genegeerd. Dat is erger." Ze draaide het raampje open. Warme lucht stroomde naar binnen, doordrenkt van uitlaatgassen en de geur van gebakken bonen. "Een complot vraagt inspanning. Negeren is gratis."
De Universiteit van Caïro rees op uit de ochtendnevel — de grote poort met zijn Ottomaanse bogen, de brede lanen met ficusbomen. De faculteit Archeologie had de kleur van zand en de textuur van vergane glorie. Een portier keek op van zijn krant. Een telefoontje. Een knikje. Doorlopen.
Dr. Hassan Khalil wachtte hen op in zijn kantoor op de derde verdieping. Een kleine ruimte, overvol met boeken — Gardiner's Egyptian Grammar, Allens Middle Egyptian, de Wörterbuch der ägyptischen Sprache in al zijn delen, de ruggen vergeeld en gebarsten van gebruik. Aan de muur hing een poster van de Steen van Rosetta en een kalender van twee jaar geleden.
Hassan was een kleine, gedrongen man met een baard die grijs werd aan de randen en ogen die alles opnamen. Hij omhelsde Yara op de Egyptische manier — drie keer, wang aan wang — en schudde Maartens hand met een greep die sterker was dan zijn postuur deed vermoeden.
"Drie jaar," zei hij. "Drie jaar en dan bel je me om zes uur 's ochtends."
"Ik had een goede reden."
"Dat zeg je altijd." Hij glimlachte, maar zijn ogen waren alert. "Ga zitten. Ik heb thee."
Er was thee. Sterk en zoet, in kleine glazen met gouden randjes. Maarten dronk en luisterde terwijl Yara het uitlegde. Ze begon voorzichtig. Niet met de kamer onder Saqqara, niet met de drempels. Ze begon met de taal.
"De sdm.f-constructies in de Piramideteksten," zei ze. "Je herinnert je ons paper? We identificeerden zeventien gevallen van een verbale constructie die niet paste in de standaardclassificatie van Polotsky of Allen. We noemden het een dialectale variant."
"Omdat de reviewers ons anders hadden afgewezen," zei Hassan droog.
"Omdat het de veilige verklaring was." Yara zette haar glas neer. "Hassan, ik denk dat we het mis hadden. Ik denk dat het een apart tempus is. Een werkwoordsvorm die een toestand uitdrukt waarvoor we geen moderne term hebben. Iets wat het beste vertaald kan worden als aanwezig-elders."
De stilte die volgde was van een ander soort dan de stilte in het hotel. Dit was een academische stilte, geladen met de spanning van een bewering die decennia van consensus onderuit zou halen.
Hassan zette zijn glas neer. Langzaam. Precies. Toen stond hij op, liep naar de plank achter zijn bureau en haalde er een archiefmap uit — karton, zuurvrij, met een handgeschreven label.
"Drie jaar geleden, na ons paper, ben ik blijven zoeken. Niet officieel. In mijn eigen tijd. Ik heb de database van het Thesaurus Linguae Aegyptiae doorzocht op elke attestatie van de constructie die we hadden geïdentificeerd."
Hij haalde een vel papier uit de map. Een tabel, handgeschreven, met kolommen voor tekstbron, datering, context en grammaticale analyse.
"Drieënveertig attestaties. Verspreid over achthonderd jaar. Van de Piramideteksten tot het Nieuwe Rijk. Allemaal dezelfde constructie. Allemaal geclassificeerd als een scribal error, een dialectaal verschijnsel, een hapax legomenon, of simpelweg genegeerd."
Yara pakte het vel. Maarten zag hoe haar gezicht veranderde — de vermoeidheid viel weg als een masker, en daaronder verscheen iets rauwer, iets wat tegelijkertijd vreugde en schrik was.
"Hassan," fluisterde ze. "De contexten."
"Ja. Dat zag ik ook."
Maarten leunde naar voren. "Wat is er met de contexten?"
Yara wees. "Elke attestatie — elke — komt voor in een tekst die gerelateerd is aan een specifieke tempel. Saqqara, Piramide van Unas. Abydos, Tempel van Seti I. Dendera. Karnak, maar alleen de kapel van Sekhmet. Het zijn teksten die verbonden zijn aan plaatsen."
Dezelfde plaatsen, dacht Maarten, en hij voelde het als een koude hand langs zijn ruggengraat. Dezelfde plaatsen die op mijn kaart staan. Dezelfde plaatsen waar de breuklijnen en de magnetische anomalieën en het water samenkomen.
"Laat me het archief zien," zei Yara.
Hassan aarzelde. "Het archief is niet openbaar. Er zijn papyri die niet gefotografeerd mogen worden."
"Ik wil ze niet aanraken. Ik wil ze lezen."
Hij keek van Yara naar Maarten en weer terug. Toen pakte hij een sleutelbos uit zijn bureaulade en liep naar de deur. "Kom mee."
Het archief bevond zich in de kelder, achter twee deuren die elk een andere sleutel vereisten. Tl-buizen verspreidden het licht van een operatiekamer — wit, vlak, genadeloos. De lucht had de droge, minerale geur van oud papier en conserveringsmiddelen. Langs de muren stonden metalen kasten met glazen deuren, en achter het glas lagen ze: rollen en fragmenten van papyrus, sommige nauwelijks groter dan een ansichtkaart, allemaal in zuurvrije houders.
Drieduizend jaar oud, dacht Maarten. En bewaard in een kelder met tl-verlichting en een airconditioning die klinkt alsof ze het elk moment kan begeven.
Hassan liep naar een kast in de hoek. De lade ging open met het geluid van metaal op metaal, en hij haalde er een houder uit met drie fragmenten papyrus, elk beschermd door glasplaten.
"Saqqara-fragment 2187. Gevonden in 1934 door Firth en Quibell. Geclassificeerd als administratief fragment, vermoedelijk Zesde Dynastie. Nooit volledig gepubliceerd."
Hij legde het eerste fragment op de lichttafel. De papyrus lichtte op — een web van bruine en zwarte lijnen op een achtergrond die de kleur had van honing. Dit was hiëratisch — het cursieve schrift van het dagelijks gebruik, de handschriften van schrijvers die schreven om te worden gelezen, niet om te worden bewonderd.
Yara boog zich erover. Ze ademde langzaam, gecontroleerd, als een chirurg voor de eerste incisie. Haar lippen bewogen terwijl ze de tekens in stilte las, de klanken vormde die al millennia niet meer hardop waren uitgesproken.
"Hier," fluisterde ze na twee minuten. Haar vinger zweefde boven de papyrus, een centimeter erboven. "Kijk, Hassan. Regel vier. De determinatief na het werkwoord."
Ze spraken nu in een mengeling van Arabisch en vakjargon die Maarten niet kon volgen — termen als sdm.n.f en wnn en stativus — maar de opwinding in hun stemmen maakte duidelijk dat ze iets zagen wat ze eerder niet hadden durven zien.
Yara richtte zich op. Haar ogen waren vochtig.
"Daar staat het. Een werkwoordsvorm die letterlijk vertaald kan worden als: hij is horend terwijl hij aan de drempel verblijft. Maar het is geen omschrijving. Het is een enkele werkwoordsvorm. Een grammaticale constructie die in zichzelf uitdrukt dat het subject zich in een toestand bevindt van tegelijkertijd hier en elders."
Ze wees naar het determinatief — het kleine teken achter het werkwoord dat in het Oud-Egyptisch de semantische categorie aangaf. Een deuropening met daarin een menselijke figuur die tegelijkertijd binnen en buiten leek te staan, half in de opening, half erbuiten. Geen teken uit Gardiners standaardlijst.
"Dit determinatief," zei Hassan, en zijn stem had nu dezelfde klank als die van Yara — eerbiedig, bijna fluisterend. "Ik heb het in zes van de drieënveertig attestaties gevonden. Elke catalogiseerder heeft het geclassificeerd als beschadiging. Maar het is te consistent. Zes keer dezelfde vorm, over vijfhonderd jaar. Dat is geen beschadiging. Dat is een conventie."
Maarten liep naar de lichttafel. Hij keek naar de hiërogliefen die hij niet kon lezen, naar het kleine teken dat een wereld beschreef waarvoor zijn eigen taal geen woorden had. En hij voelde het weer — die desoriëntatie die niet fysiek was maar epistemisch. Het gevoel dat niet de grond onder zijn voeten bewoog, maar zijn begrip van wat grond was.
Ze hadden er grammatica voor. Wij noemen het een anomalie. Maar voor hen was het zo gewoon dat ze het in hun taal hadden ingebouwd, zoals wij verleden tijd en toekomende tijd hebben ingebouwd.
Hassan haalde de overige fragmenten tevoorschijn, een voor een. Papyrus uit Abydos, uit Deir el-Medina, uit de Fayoum. En op elk fragment, in verschillende handschriften, in verschillende eeuwen geschreven, verscheen dezelfde constructie. Dezelfde werkwoordsvorm. Dezelfde determinatief van de figuur in de deuropening.
Yara tekende. Vel na vel, met de precisie van iemand die wist dat wat ze zag misschien niet meer te zien zou zijn als ze deze kelder verliet. Na twee uur had ze veertien vellen vol.
"Het is geen hapax," zei ze. "Het is geen scribal error. Het is een productieve grammaticale categorie die systematisch is gewist uit de wetenschappelijke traditie. Niet door een complot. Maar door de simpele onmogelijkheid om te classificeren wat je niet kunt begrijpen."
Hassan stond bij de kast, met zijn rug naar hen toe. Toen hij zich omdraaide, zag Maarten dat er iets was veranderd in zijn gezicht.
"Er is meer," zei hij. "Iets wat ik drie jaar geleden heb gevonden en niet heb durven publiceren."
Hij haalde een tweede map uit een andere lade. Er zat een enkele foto in — een zwart-witopname van een muur, een reliëf, genomen met de schuine belichting die archeologen gebruikten om vervaagde inscripties zichtbaar te maken.
"Een secundaire kamer van de Tempel van Seti I in Abydos. De kamer staat niet in de officiële plattegrond — in de jaren vijftig dichtgemetseld vanwege instortingsgevaar. Ik vond deze foto in het archief van Calverley, die de tempel in de jaren dertig fotografeerde voor het Oriental Institute van Chicago."
Het reliëf toonde figuren in concentrische cirkels rond een centraal punt — een deuropening die nergens heen leidde. Een deur in een muur, zonder kamer erachter.
"Kijk naar de inscriptie boven de deur," zei Hassan.
Yara boog zich over de foto en las hardop. De Oud-Egyptische woorden vulden de kille archiefruimte met klanken die er niet thuishoorden en er tegelijkertijd meer thuishoorden dan wat ook.
"Wnn.tw m sbh.t n.t Dhwtj, sdm.tw-wn hr mAa.t n.t jwn.w..." Ze stopte. Haar handen lagen plat op de tafel. "Dit is onmogelijk."
"Wat staat er?" vroeg Maarten.
"Letterlijk: Men bevindt zich op de drempel van Thoth, men is horend-zijnd in de waarheid van de zuilen... Het werkwoord — sdm.tw-wn — dat is de constructie. De vorm die niet zou moeten bestaan. En het staat hier als een volledige, ondubbelzinnige zin. In een koninklijke tempel. In een officiële inscriptie."
Ze keek op. Haar ogen glinsterden.
"De drempel van Thoth. Dhwtj. De god van de kennis, van het schrift, van de overgangen. De Grieken noemden hem Hermes."
De drempel van Hermes, dacht Maarten, en het was alsof de woorden niet alleen in zijn hoofd bestonden maar ook in de lucht van het archief, in de stilte tussen de metalen kasten, in het zoemen van de airconditioning die al decennia oud papier bewaarde zonder te weten wat erop stond.
"Ze wisten het," zei hij. "Ze wisten niet alleen dát de drempels bestonden. Ze wisten hoe het voelde om er te zijn. En ze hadden er grammatica voor."
"Het is meer dan dat." Yara stond op en liep door het archief, haar handen achter haar rug. Ze sprak nu niet tegen Maarten of tegen Hassan. Ze sprak tegen de gedachte die vorm aannam terwijl ze hem uitsprak. "Een grammaticale categorie is niet zomaar een linguïstisch trucje. Het is een weerspiegeling van hoe een cultuur de werkelijkheid waarneemt. Wij hebben verleden tijd omdat we geloven dat het verleden bestaat als een aparte categorie van ervaring. Wij hebben toekomende tijd omdat we geloven dat de toekomst echt is. Elke taal codeert een ontologie. Elke grammatica is een wereldbeeld."
Ze draaide zich om.
"De Oud-Egyptenaren hadden een werkwoordsvorm voor het zijn op de drempel. Dat betekent dat het voor hen geen anomalie was. Geen uitzondering. Het was zo gewoon, zo alledaags, zo fundamenteel, dat hun taal het codeerde als een basiscategorie. Zoals wij zeggen: ik liep, ik loop, ik zal lopen — zo zeiden zij: ik was, ik ben, ik zal zijn, en ik ben-elders."
De stilte die volgde was anders dan alle stiltes die Maarten kende. Het was niet de stilte van afwezigheid. Het was de stilte van iets dat was teruggekeerd na een lange afwezigheid en dat nu in de ruimte stond als een gast die was vergeten maar niet verdwenen.
Hassan ging zitten. Hij keek naar de papyri op de lichttafel, naar de duizenden jaren oude tekens die geduldig hadden gewacht, eeuwenlang, geclassificeerd als fouten, als raadsels, als anomalieën.
"Ik heb altijd geweten dat er iets was," zei hij zacht. "Iets in de taal dat we niet begrepen. Niet omdat het te moeilijk was, maar omdat we de categorie misten om het te zien. Zoals een kleurenblinde niet weet dat hij rood niet ziet, omdat zijn hele wereld is opgebouwd zonder rood."
"De moderne wereld is kleurenblind," zei Yara. "We zijn niet dom. We zijn niet minder dan de Oud-Egyptenaren. Maar we missen een begrip. Een manier van waarnemen die zo vanzelfsprekend was dat niemand de moeite nam om het op te schrijven, behalve in de grammatica. En de grammatica is het laatste wat verdwijnt, omdat niemand erover nadenkt. Het is onzichtbaar, zoals de lucht onzichtbaar is."
Maarten keek naar de foto van de muur in Abydos. De figuren in hun concentrische cirkels. De deur die nergens heen leidde.
"We zijn niet iets kwijtgeraakt op een plek," zei hij langzaam, en de woorden voelden waar op een manier die dieper ging dan logica. "We zijn een manier van waarnemen kwijtgeraakt. De drempels zijn er nog. Ze zijn er altijd geweest. Maar wij hebben de taal verloren om ze te zien. De grammatica van de werkelijkheid is veranderd, en daarmee de werkelijkheid zelf."
Yara knikte. Ze stond bij de lichttafel, het licht van de papyrus op haar gezicht, en in dat moment zag Maarten in haar niet de blik van een wetenschapper die een ontdekking doet, maar de blik van iemand die thuiskomt op een plek waar ze niet wist dat ze vandaan kwam.
"De drempel van Thoth," zei ze. "De drempel van Hermes. Het is geen plek. Het is een toestand. En de Oud-Egyptenaren wisten het. Ze leefden het. Ze spraken het."
Hassan stond op en begon de papyri voorzichtig terug te leggen. Zijn handen bewogen met de zorg van iemand die wist wat hij vasthield — niet papier, niet inkt, maar het bewijs dat de wereld ooit groter was geweest dan het universum dat de moderne mens bewoonde.
"Wat gaan jullie doen?" vroeg hij, terwijl hij de lade sloot.
Yara en Maarten keken elkaar aan. Het was een blik die geen woorden nodig had — en misschien was dat het punt. Dat de belangrijkste dingen zich bevonden in de stilte tussen talen.
"We gaan de taal terugvinden," zei Yara.
Buiten wachtte Caïro. De zon stond hoog en de stad gonste van het leven van vijfentwintig miljoen mensen die hun dag leefden in een werkelijkheid met drie werkwoordstijden en niet vier. Die het verleden kenden en het heden en de toekomst, maar die de vierde dimensie waren vergeten — de dimensie die alleen bestond in de grammatica van een taal die al tweeduizend jaar niet meer werd gesproken.
De moderne wereld heeft geen plek verloren, dacht Maarten, terwijl ze over het universiteitsterrein liepen, langs de ficusbomen en de studenten. Ze heeft een werkwoordsvorm verloren. En met die werkwoordsvorm een hele manier van zijn.
De drempel was geen deur. De drempel was een woord.
En het woord was vergeten.