De Drempel van Hermes

Hoofdstuk 21 – De Tweede Verdwijning

Het telefoontje kwam toen ze boven de Sahara vlogen.

Maarten zat aan het raam van het EgyptAir-toestel en keek naar de woestijn onder hem — een eindeloos vel gekreukt perkament in tinten oker en brons. Yara zat naast hem, haar ogen gesloten, een opengeslagen artikel op haar schoot dat langzaam naar de vloer gleed. Ze sliep voor het eerst in twee dagen.

Zijn telefoon trilde. Bakker.

"Waar bent u?"

"In een vliegtuig. Op weg naar Amsterdam."

"Verandering van plannen. U gaat naar Kreta."

De spanning in Bakkers stem was niet paniek — nooit paniek — maar de gecomprimeerde urgentie van een politievrouw die informatie verwerkt die sneller binnenkomt dan ze kan ordenen.

"Er is weer iemand verdwenen. Dr. Eleni Papadakis. Griekse archeologe, Universiteit van Athene. Gespecialiseerd in Minoïsche architectuur. Drie dagen geleden voor het laatst gezien op het paleis van Knossos."

Maarten voelde het in zijn maag. Niet verrassing. Herkenning.

"De lustralbassins," zei hij.

"Hoe weet u dat?"

"Yara correspondeerde met haar. Papadakis had theorieën over de reinigingskamers. Ze dacht dat de standaardinterpretatie niet klopte. Ze had meetgegevens die ze niet kon verklaren."

Bakker zweeg twee seconden. Toen: "Ik vlieg vanavond naar Heraklion. U ook. Ik regel de tickets." En zachter, bijna terloops: "Dit is de achtste, Vos. In twintig jaar."

Naast hem opende Yara haar ogen. Ze keek hem aan met de directheid die hij van haar kende.

"Wie?" vroeg ze.

"Eleni Papadakis. Knossos."

Yara's gezicht veranderde niet. De afwezigheid van verbazing was verontrustender dan schrik. "Ze had me twee weken geleden gemaild. Resonantiefrequenties die niet overeenkwamen met de afmetingen van de ruimte. Alsof de kamer groter was dan zijn fysieke muren toestonden."

Groter dan zijn fysieke muren toestonden. Dezelfde anomalie als in Saqqara.

Om tien uur 's avonds stonden ze op de luchthaven van Heraklion, waar de lucht rook naar kerosine en tijm en de warmte van de dag langzaam uit het asfalt opsteeg als de adem van het eiland zelf. Bakker stond bij de uitgang — herkenbaar aan die specifieke houding van politiemensen, de voeten iets uit elkaar, het gewicht gelijk verdeeld, klaar om in elke richting te bewegen. Ze droeg een linnen blazer over een donker shirt. Geen sieraden. Het horloge dat tegen een stootje kon. Ze zag eruit alsof ze dagen niet had geslapen, maar haar ogen waren scherp als koffie.

"Goed dat u er bent." Het klonk niet als een begroeting. Het klonk als een vaststelling. "Hotel is geregeld. Morgen gaan we naar de site."

"Eerst het hotel van Papadakis," zei Maarten.

Een fractie van een seconde — een taxatie. Toen knikte ze.

Ze reden door de nacht naar het centrum van Heraklion. De stad lag er warm en rumoerig bij, terrassen vol met Grieken die laat dineerden, scooters die door smalle straatjes ronkten, de geur van gegrild vlees en sigarettenrook. Het contrast met de stilte die ze zochten — de stilte van verdwijning, van een vrouw die er drie dagen geleden nog was en nu niet meer — was zo scherp dat het pijn deed.

Het hotel was een gerenoveerd Venetiaans pand aan een zijstraat van de Morosini-fontein. De Griekse politie had de kamer verzegeld en weer vrijgegeven — geen bewijs van een misdrijf, geen sporen van een worsteling, niets wat een verdere afsluiting rechtvaardigde.

Maarten stond in de deuropening en keek.

Het bed was opgemaakt. Een koffer stond open op de kofferstandaard, met keurig gevouwen kleren. Op het nachtkastje lagen twee boeken — een Griekse roman en een Engelse monografie over Minoïsche paleizenarchitectuur — en een leesbril in een leren etui. De badkamer was netjes: een tandenborstel in een glas, een tube tandpasta. Het leven van een vrouw die van plan was terug te komen.

Maar het bureau trok zijn aandacht. De laptop stond open, in slaapstand. Drie notitieboeken — blauw, rood, groen — en een pen die dwars over het bovenste lag, alsof Papadakis midden in een zin was gestopt.

"Precies zo aangetroffen," zei Bakker. "Geen sporen van braak. De receptie zegt dat ze drie dagen geleden 's ochtends vertrok, rond halfacht. Ze glimlachte. Ze droeg een rugzak en een zonnehoed. Ze is niet teruggekomen."

Yara boog zich over het groene notitieboek. Maarten zag haar ogen versnellen.

"Maarten. Kijk hier."

Onderaan de pagina, in een haastiger handschrift dan de rest, stonden drie woorden in het Grieks, gevolgd door een vraagteken.

"Ou kechōrismenē, alla metabainousa," las Yara voor. "Niet gescheiden, maar overgaand." Ze keek op. Haar ogen hadden die diepte die Maarten kende van Saqqara. "Het is dezelfde grammaticale constructie als het Egyptische aanwezig-elders. Een simultane toestand. Een werkwoordsvorm die twee posities tegelijk uitdrukt."

Aanwezig-elders. De hiëroglifische constructie die geen equivalent had in het moderne Nederlands. En nu dezelfde structuur in het Grieks, in het notitieboek van een verdwenen vrouw.

"Wat betekent dat, in mensentaal?" vroeg Bakker bij de deur.

"Het betekent dat Papadakis onafhankelijk van ons tot dezelfde ontdekking was gekomen. De Minoïsche cultuur bezat een talige categorie voor een tussentoestand. Een drempel."

"En dat heeft ze opgeschreven vlak voordat ze verdween."

Bakker haalde haar telefoon tevoorschijn. "Er is nog iets." Een foto. "Haar telefoon is gevonden op het terrein van Knossos. Op een stenen richel naast een van de lustralbassins. Niet gevallen. Neergelegd. Het scherm naar boven, netjes in het midden."

Maarten keek naar de foto. Een smartphone op gehouwen kalksteen. Het beeld trof hem als een vuist — de zorgvuldigheid ervan. Niet de telefoon van iemand die in paniek was. De telefoon van iemand die had besloten dat ze hem niet meer nodig had.

"Bewakingscamera's laten zien dat Papadakis om 7:14 uur het terrein betrad. Niemand anders via de hoofdingang. Geen sporen van derden. Geen afwijkend DNA." Bakker stopte haar telefoon weg. "Alsof ze alleen was."

"Zoals ze allemaal alleen waren," zei Yara.

Die nacht opende Maarten Papadakis' laptop. Het wachtwoord stond op een Post-it aan de onderkant — een gewoonte die elke IT-beveiliger tot wanhoop zou drijven. De bestanden waren geordend met obsessieve nauwkeurigheid. En een map genaamd Katharsis bevatte alles wat Papadakis had verzameld over de lustralbassins.

"Ze was verder dan wij dachten," zei Yara na een halfuur lezen. "De lustralbassins zijn gebouwd volgens proporties die niet overeenkomen met enig bekend Minoïsch bouwsysteem. De diepte, de hoeken van afdaling, de positionering — het is geoptimaliseerd voor resonantie. Dezelfde resonantie als in Saqqara." Ze keek op. "De bassins zijn geen badkamers. Het zijn geen reinigingsruimtes. Ze noemde het zelf metabatikai aulai. Overgangshoven. Transitiekamers."

Bakker stond bij het raam, haar rug naar hen toe.

"Ik heb een vraag," zei ze. "En ik wil een eerlijk antwoord. In alle acht gevallen is er geen enkel bewijs van geweld. Geen ontvoering, geen dwang. Ik heb altijd gewerkt vanuit de aanname dat deze mensen slachtoffers zijn." Ze draaide zich om. Haar gezicht was vlak, maar haar ogen hadden iets wat Maarten niet eerder had gezien — de blik van iemand die naar de rand van een klif loopt. "Dat klopt niet. Toch?"

"Nee," zei Maarten. "Dat klopt niet."

Bakker knikte. Eén keer. Langzaam. Het was het knikken van iemand die een diagnose hoort die ze al verwachtte maar hoopte niet te horen.

"Morgen gaan we terug naar het site. En 's avonds wil ik er nog een keer heen. Als het donker is. Als er niemand is." Ze keek hem recht aan. "Ik wil voelen wat u voelt."

Ze vertrok zonder gedag te zeggen. De deur viel dicht met een klik die definitiever klonk dan het geluid rechtvaardigde.

De volgende ochtend was Kreta een ander eiland. De zon stond meedogenloos hoog en sloeg het landschap plat tot een compositie van wit en oker en het diepdonkere groen van cipressen. Knossos lag voor hen als een palimpsest van steen en tijd. De gereconstrueerde zuilen — rood als geronnen bloed, met zwarte kapitelen — stonden als uitroeptekens in het landschap. Arthur Evans' beton naast Minoïsch pleisterwerk.

Het Noordelijke Lustrale Bassin lag rechts van het centrale hof. Een trap voerde vier treden naar beneden, naar een rechthoekige ruimte half onder het maaiveld. Gipsen muren, ooit beschilderd, nu gebleekt tot het vaalwit van oud bot.

Bakker had een vergunning geregeld via het Griekse ministerie van Cultuur — een contact dat ze niet uitlegde en dat Maarten niet bevroeg. Europol opende deuren die voor gewone burgers gesloten bleven.

Maarten daalde af. De lucht veranderde onmiddellijk — koeler, vochtiger, met die eigenaardige kwaliteit die hij kende uit Saqqara, alsof de lucht hier dichter was, alsof hij meer bevatte dan zuurstof en stikstof. Maar het was zwakker. Veel zwakker. Als een radio bijna uit bereik — af en toe een fragment van een signaal, een flard van iets wat misschien muziek was, dan weer ruis.

Overdag liep hij door de ruïnes en probeerde het paleis te lezen zoals Papadakis het had gelezen. De legende van het labyrint. De Minotaurus. Theseus en Ariadne en de draad die de weg terug wees door de duisternis.

Wat als het nooit een labyrint was geweest? Wat als de mythe een herinnering was aan kamers die niet leidden naar het centrum van een doolhof, maar naar de rand van de werkelijkheid?

En de draad van Ariadne — was dat niet de verbinding met de gewone wereld die je nodig had om niet te verdwalen aan de andere kant?

Papadakis had geen draad gehad. Of ze had hem losgelaten.

Om negen uur die avond keerden ze terug. De bewaker bij de ingang, een man met een snor en een sigaret, liet hen binnen met een schouderophalen dat suggereerde dat gekke buitenlanders die 's nachts door ruïnes wilden lopen niet het vreemdste was wat hij op Kreta had meegemaakt.

Het paleis bij nacht was een ander wezen. De zuilen, overdag theatraal rood, waren nu zwarte silhouetten tegen een hemel vol sterren. De schaduwen waren diep en absoluut. En in die schaduwen bewoog iets — niet zichtbaar, maar voelbaar, als een aanwezigheid die overdag werd overschreeuwd door de zon en de toeristen en die nu, in de stilte, ongehinderd kon bestaan.

Maarten voelde het onmiddellijk. Sterker dan overdag. Veel sterker. De zone fluctueerde, en vanavond was het een piek. De lucht in het bassin was ijskoud — hun adem vormde wolkjes in het sterrelicht. De trilling in de steen was niet langer subtiel maar een continue, lage pulsatie die hij voelde in zijn kiezen en zijn slapen en diep in zijn borst, als de hartslag van iets wat geen hart had.

Yara stond bij de kromming in de noordoostelijke muur — een vreemde, lichte buiging die je zou missen als je niet keek. Haar ogen waren gesloten. Haar lippen trilden.

"De resonantie is gericht," fluisterde ze. "Het komt van hier. Van dit punt."

Maarten legde zijn hand op de steen. De kou drong door zijn huid tot in zijn botten. En daar was het — die verbreding, die opening, die extra laag over de werkelijkheid die alles scherper en dieper en onmogelijk maakte.

Toen, in de stilte, hoorde hij iets. Niet met zijn oren. Met dat deel van hem dat in Saqqara was ontwaakt. Een resonantie die niet door de lucht reisde maar door de stof van de ruimte zelf, door de drempel die op deze plek zo dun was dat hij bijna transparant was.

Het klonk als een uitnodiging.

Hij deed een stap achteruit. De toon verflauwde. De nachtlucht rook naar tijm en zee en oud steen, en hij klampte zich vast aan die geuren als aan een touw dat hem in de gewone wereld hield.

Bakker stond aan de rand van het bassin, halfboven, halfonder, en Maarten zag aan haar gezicht dat ze het ook had gevoeld. Niet dezelfde intensiteit. Maar iets. Een flard. Een vermoeden van wat al die mensen had geroepen die zij al jaren probeerde te vinden.

"Mijn God," fluisterde ze.

Het was de eerste keer sinds hij haar kende dat Nadia Bakker haar composure verloor. Eén seconde. Twee. Toen was het voorbij en was ze weer de commissaris, de politievrouw, de vrouw van feiten en bewijslast. Maar die twee seconden waren genoeg geweest. Genoeg om te zien dat er iets was gebroken dat niet meer te lijmen was.

Ze liepen terug door het nachtelijke paleis. De schaduwen leken dieper nu, alsof de muren zich sloten achter hen als de wanden van een labyrint dat zijn functie hervond. Bij de uitgang stonden ze stil. De bewaker rookte in zijn hokje. De olijfbomen ruisten in een bries van zee. Heraklion gloeide aan de horizon als een handvol amber.

Bakker stond met haar rug naar hen toe. Ze keek naar het paleis, naar de donkere contouren van de zuilen, naar de diepte waar het bassin lag als een open mond in de aarde.

"Als ze vrijwillig gaan," zei ze. Haar stem was zacht — niet zwak, Bakkers stem was nooit zwak — maar zacht op de manier van iemand die woorden uitspreekt die ze lang heeft vermeden. "Als ze niet worden meegenomen. Als ze niet worden bedreigd. Als ze kiezen om te gaan." Ze draaide zich om. Haar ogen waren droog maar haar gezicht had de uitdrukking van iemand die huilt zonder tranen. "Moet ik ze dan nog zoeken?"

De vraag bleef hangen in de nachtlucht, tussen de olijfbomen en de sterren en de echo van vierduizend jaar beschaving. Het was een vraag die geen antwoord had, of waarvan het antwoord zo groot was dat het niet in woorden paste.

Maarten keek naar Yara. Yara keek naar de grond.

Niemand antwoordde.

Ze liepen naar de auto. Bakker voorop, haar rug recht, haar stappen gelijkmatig — de stappen van een vrouw die altijd wist waar ze heen ging en die nu, voor het eerst, liep zonder bestemming. De bergen van Kreta rezen op als de ruggen van slapende dieren. De zee was een geluid in de verte, ritmisch en eindeloos, water dat land ontmoet en zich terugtrekt en terugkomt, een grens die nooit vaststaat, een drempel die eeuwig in beweging is.

In de auto was het stil. Bakker reed. Yara zat naast haar. Maarten zat achterin en keek naar het voorbijschuivende landschap — de donkere contouren van olijfgaarden, de lichtjes van een dorp op een heuvel, de zwarte leegte van de zee. En in die stilte, in die duisternis, in de ruimte tussen drie mensen die elk op hun eigen manier werden geconfronteerd met iets wat groter was dan hun begrip, echode Bakkers vraag als een klok die was geluid en niet meer kon worden teruggedraaid.

Moet ik ze dan nog zoeken?

Maarten dacht aan Van Dijk en Moreau in de grot boven Ronda. Aan hun glimlach. Aan de warmte die ze hadden achtergelaten in de lucht. Hij dacht aan Papadakis, aan haar telefoon op de stenen richel, aan de woorden in haar notitieboek. Niet gescheiden, maar overgaand. Hij dacht aan de zeven andere namen in Bakkers dossier, aan al die levens die waren weggelopen uit de bekende wereld naar iets wat geen naam had en geen adres.

En hij dacht aan Lotte. Aan haar gezicht. Aan de zekere, onwrikbare band die hem vasthield aan de gewone wereld met een kracht die sterker was dan elke drempel, elke zone, elke uitnodiging die de duisternis kon doen.

Ik ga niet. Niet nu. Niet zo. Niet zonder haar.

Maar zelfs terwijl hij het dacht, wist hij dat het niet zo simpel was. Dat de drempel niet vroeg of je wilde. Dat de drempel er gewoon was, als de zwaartekracht, als de dood, als de waarheid die onder alles lag en die je niet kon negeren door er niet naar te kijken.

En ergens, diep onder het oude steen van Knossos, in een kamer die vierduizend jaar geleden was gebouwd voor een doel dat de wereld was vergeten, pulseerde iets geduldig en onverstoorbaar, wachtend op de volgende die zou komen en zou kiezen en zou gaan.

Zoals Eleni Papadakis was gegaan.

Zoals ze allemaal waren gegaan.