De Drempel van Hermes

Hoofdstuk 22 – Asselbergs Keert Terug

Het telefoontje kwam op dinsdagmiddag, in het kantoor van Commissaris Bakker in Den Haag, terwijl Maarten de satellietbeelden van Knossos bestudeerde die niets onthulden over waar Papadakis was gebleven. Bakkers telefoon ging. Ze keek naar het scherm, fronste, nam op. Luisterde dertig seconden zonder iets te zeggen. Toen legde ze neer en keek Maarten aan.

"Dat was een advocaat. Een Zwitsers kantoor in Geneve. Bonhote et Associes." Ze sprak de naam uit alsof ze hem proefde. "Victor Asselbergs wil je spreken."

De naam sloeg in als een steen in stil water. Maarten voelde de rimpelingen door zijn lichaam trekken — niet angst, niet woede, maar iets complexers. Herkenning. De echo van een gesprek in een bibliotheek in Wassenaar, maanden geleden, de geur van peated whisky en cederhout, een stem die de werkelijkheid beschreef alsof het een schaakbord was.

"Hij wil je in Geneve ontmoeten. Neutraal terrein, zegt de advocaat. Overmorgen. Om vijf uur 's middags." Bakker leunde achterover. "En hij biedt — ik citeer — garanties voor je veiligheid. Wat opmerkelijk is, want tot nu toe was het niet Asselbergs die jouw veiligheid bedreigde."

Yara keek op van haar seismische rapporten. "Het is een val."

"Misschien," zei Bakker. "Maar een val via een geregistreerd Zwitsers advocatenkantoor dat sinds 1872 bestaat is ongewoon. De toon was anders. Niet de toon van iemand die een machtsspel speelt. De toon van iemand die een probleem heeft."

"Ik ga," zei Maarten.

Yara zei niets meer. Maar haar kaak was strak en haar ogen hadden de koele helderheid die Maarten kende als het gezicht dat ze opzette wanneer ze zich voorbereidde op iets waarvan ze wist dat het gevaarlijk was en waarvan ze ook wist dat ze het niet kon tegenhouden. Bakker knikte kort. "Ik kan er zijn als burger. Als toerist met een interesse in lakeside hotels."

Geneve ontving hem twee dagen later met een koele precisie die bij de stad paste. De taxichauffeur reed langs het meer, dat zich uitstrekte als een vlakte van donkergrijs fluweel onder een hemel die dezelfde kleur had, de grens tussen water en lucht slechts te onderscheiden door de lijn van besneeuwde bergen aan de overkant. Lac Leman. Het meer dat Shelley had geïnspireerd, waar Byron had geschreven, waar Mary Shelley in een nacht van onweer het monster had bedacht dat haar beroemd zou maken. Een meer dat getuige was geweest van verdragen en revoluties, van het soort beslissingen dat aan oevers wordt genomen omdat water een geruststelling biedt die muren niet kunnen geven.

Het adres was een hotel aan de Quai du Mont-Blanc. Niet het soort hotel dat je op een website vindt — het soort dat je kent of niet kent, met een ingang zo discreet dat je eraan voorbij zou lopen. Een koperen plaquette naast een deur van donker hout. Geen naam. Alleen een huisnummer en een familiewapen — een sleutel boven een halve maan.

Een vrouw in een donkergrijs mantelpak leidde hem door een hal van marmer en gedempte verlichting naar een salon op de vijfde verdieping. Hoge ramen, uitzicht over het meer en de bergen — de Jura aan de ene kant, de Savoyer Alpen aan de andere. Twee fauteuils bij het raam, een tafel met een karaf water. Verder niets. Een ruimte ontworpen om neutraal te zijn.

Victor Asselbergs stond bij het raam met zijn rug naar de deur. Hij draaide zich om, en het eerste wat Maarten opviel was dat de man oud was geworden.

Niet oud in de zin van verval — hij was nog steeds lang, kaarsrecht, onnadrukkelijk gekleed. Maar er was iets verschoven. De leigrize ogen waren dezelfde, maar de huid eromheen was ingevallener, alsof het vlees zich had teruggetrokken van het bot. En zijn handen trilden licht toen hij ze uitstak.

"Meneer Vos. Dank u dat u bent gekomen."

Dank. Dat woord was nieuw. In Wassenaar had Asselbergs niet gedankt. Hij had uitgenodigd, met de vanzelfsprekendheid van een man die verwachtte dat zijn uitnodigingen werden aanvaard. Nu dankte hij, en het verschil was veelzeggend.

"U wilde me spreken," zei Maarten.

"Ik moet u spreken. Dat is niet hetzelfde." Asselbergs gebaarde naar de fauteuil. "Ik heb de controle verloren, meneer Vos."

De stilte die volgde had het gewicht van steen. Buiten gleed een zeilboot over het meer, een witte driehoek tegen het grijze water, onverschillig voor wat er in deze kamer werd gezegd.

"In Wassenaar vertelde ik u over het Consortium als een eenheid," ging Asselbergs verder. "Een organisatie met een gedeeld doel — het bewaken van de drempelkennis tot de mensheid er klaar voor zou zijn. Die consensus bestaat niet meer." Hij zette zijn glas neer. "Marcus Halder. Financier, voormalig inlichtingenofficier, lid sinds de jaren negentig. Hij heeft in twee jaar tijd een derde van het Consortium achter zich gekregen. Het Prometheus Initiative."

"We kennen de naam," zei Maarten.

"Dan weet u misschien ook dat ze Weizenbaum hebben vermoord."

Het was de eerste keer dat iemand binnen het Consortium dat woord gebruikte. Niet hartfalen. Niet natuurlijke dood. Vermoord.

"Ik wist het niet op voorhand," zei Asselbergs. Zijn stem had de toon van een man die deze woorden al honderd keer had gerepeteerd. "Ik heb het niet bevolen. Ik heb het niet goedgekeurd. Maar ik heb het evenmin voorkomen. En dat maakt me medeplichtig, in de enige zin die ertoe doet."

Maarten stond op. Hij kon niet zitten bij deze woorden. Hij liep naar het raam en keek naar het meer, naar de bergen, naar de wereld die eruitzag alsof er niets aan de hand was en die dat altijd deed, ongeacht wat er in kamers als deze werd gezegd. "En nu u de controle kwijt bent, nu uw eigen creatie zich tegen u keert, komt u naar mij."

"Ja." Geen verdediging. Geen rechtvaardiging. Alleen het woord, naakt en zwaar.

"Geef me een reden."

Asselbergs opende een leren map op de tafel. Grafieken, meetgegevens, satellietbeelden. "Omdat wat Halder van plan is erger is dan wat ik ooit heb gedaan. En omdat er iets gaande is dat groter is dan ons allemaal." Hij legde een grafiek neer. "De zones worden actiever. Alle zones. Negenenvijftig actieve locaties — een jaar geleden waren het er drieendertig."

Negenenvijftig. Het getal trof Maarten als een klap. Weizenbaum had er tweeenveertig gekend. Het Consortium kennelijk meer. En het aantal groeide.

"Halder wil ze weaponizen. Militaire inlichtingendiensten — Amerikaans, Chinees, Russisch. Hij speelt ze tegen elkaar uit, biedt fragmenten van onze kennis in ruil voor bescherming en financiering." Asselbergs' stem was vlak maar zijn ogen brandden. "Hij aast op de transitiezones als strategische locaties die bezet moeten worden wanneer ze volledig actief worden."

"Wanneer," herhaalde Maarten. "Niet als."

"Niet als." Asselbergs wees naar de grafiek. "Het aardmagnetisch veld. De Zuidatlantische Anomalie breidt zich uit. De polen verschuiven sneller dan ooit gemeten. En de activiteit van de zones correleert exact met de verzwakking van het veld. Naarmate het veld zwakker wordt, worden de zones sterker."

"Alsof het veld een deken is die de zones onderdrukt."

"Precies. En het is cyclisch. Tien- tot twaalfduizend jaar. De laatste excursie was aan het einde van het Younger Dryas. Circa 9700 voor Christus. Toen de ijstijd eindigde, de zeespiegel steeg — en een onbekende beschaving verdween." Asselbergs' stem had de urgentie die Maarten zich herinnerde uit Wassenaar, maar zonder de controle. "Het moment dat de Grieken noemden als de ondergang van Atlantis. Het moment waarop de Egyptenaren spraken van Zep Tepi."

"U zegt dat de transitiezones twaalfduizend jaar geleden volledig open waren."

"En dat ze weer opengaan. Niet over honderd jaar. In de komende jaren. De drempels worden doorlatender. Papadakis op Knossos — dat was geen ongeluk. De zone had zich uitgebreid. De drempel had zich verlaagd." Hij boog zich naar voren. "Er zijn in de afgelopen drie maanden op acht locaties wereldwijd mensen verdwenen. Geen onderzoekers — gewone mensen. Een herder in Anatolie. Een toerist in Peru. De zones trekken aan. Ze worden onvermijdelijk."

Maarten stond bij het raam en keek naar het meer dat donkerder werd naarmate de zon achter de Jura zakte. De implicatie dreunde door zijn hoofd als een klok die een vergeten uur sloeg.

De vraag is niet langer of we het geheim moeten bewaken. De vraag is wat we doen als het geheim zichzelf onthult.

"Wat wilt u van mij?" vroeg hij.

"Dat u de wetenschap doet die ik nooit heb durven toelaten. Als de zones opengaan, moet er iemand zijn die kan uitleggen wat er gebeurt. Niet een Consortium dat vanuit de schaduw controleert. Niet een Prometheus die vanuit de bunker exploiteert. Een wetenschapper die in het licht staat en de waarheid vertelt."

Hij vraagt me om te doen wat hij dertig jaar lang heeft verhinderd. De ironie sneed als glas.

"U hebt ongelijk gehad," zei Maarten. Het was geen vraag.

"Ja. Niet over het gevaar — het gevaar is reëel. Maar over de methode. Geheimhouding werkt alleen zolang het geheim bewaard kan worden. En het geheim gaat zich onthullen."

Asselbergs haalde een laatste document uit de map. Een zeebodemkaart. Bathymetrische lijnen en dieptemarkingen en, in het midden, een gemarkeerd punt met coördinaten in rood. Ten westen van Portugal, ten zuidwesten van de Azoren. Mid-Atlantische Rug.

"In 1967 vond een Portugees onderzoeksschip een structuur op de zeebodem. Rechte hoeken. Symmetrische patronen. Twee vierkante kilometer. De NAVO klassificeerde het rapport. Sindsdien hebben wij drie expedities georganiseerd. De structuur is reëel. Gebouwd. En de metingen zijn consistent met de sterkste transitiezone die we ooit hebben gemeten." Hij zweeg. "Tot vorig jaar was hij inactief. Slapend. Zes weken geleden toonde onze laatste meting activiteitsniveaus driemaal hoger dan alles op het land."

De coördinaten leken te gloeien in het schemerdonker. Maarten staarde ernaar en voelde de aantrekkingskracht — niet fysiek, niet meetbaar, maar onmiskenbaar.

Atlantis. Niet de mythe. Niet het verhaal dat Plato had opgetekend en dat sindsdien was verworden tot een cliche van pseudowetenschap en fantasia. Maar de werkelijkheid erachter. De plek. De structuur. Het bewijs dat twaalfduizend jaar onder water had gelegen en nu, langzaam, begon te ontwaken.

"Ik geef het u onder een voorwaarde," zei Asselbergs. "Dat u publiceert. Alles. Openlijk. Wetenschappelijk. Zodat het niet van een partij is. Zodat het van iedereen is."

Maarten keek naar de man tegenover hem en zocht naar de leugen, naar het verborgen motief. Hij zocht en vond niets. Geen bedrog. Alleen een oude man die het enige deed wat hij nog kon doen: loslaten.

Ik vertrouw hem niet. Ik kan hem niet vertrouwen. Niet na Weizenbaum. Maar ik geloof hem. En dat is niet hetzelfde, maar het is genoeg.

"Halder zal u benaderen," zei Asselbergs toen Maarten de map inpakte. "Hij zal hetzelfde aanbieden: informatie, middelen, bescherming. Maar zijn prijs is exclusiviteit. Controle. En als u weigert —" Hij liet de zin onafgemaakt. Weizenbaums naam vulde de leegte.

"Nog een ding." Asselbergs stond bij het raam, silhouet tegen de nachtelijke hemel. "In 1983, in die grot bij Göbekli Tepe — wat ik daar ervoer — het was niet angstaanjagend. Het was thuis. Ik heb veertig jaar besteed aan het beschermen van de wereld tegen dat gevoel. Misschien had ik die veertig jaar moeten besteden aan het voorbereiden van de wereld erop."

Het was het menselijkste dat Asselbergs ooit tegen hem had gezegd. Kwetsbaarder dan de bekentenis over Weizenbaum. Kwetsbaarder dan het verlies van controle. Het was de bekentenis van een man die besefte dat zijn levenswerk op de verkeerde premisse was gebouwd — niet op de verkeerde feiten, maar op de verkeerde conclusie.

Maarten zei niets. Er viel niets te zeggen dat niet te klein zou zijn voor het gewicht van het moment. Hij knikte, opende de deur, en liep de gang in.

De lift bracht hem geruisloos naar beneden. De hal was leeg. De vrouw in het grijze mantelpak was verdwenen.

Buiten was het nacht geworden, de straten nat van een regen die was gevallen terwijl hij boven zat. Hij belde Yara. Ze nam op voordat de telefoon een keer was overgegaan.

"Ik ben heel," zei hij. Dezelfde woorden als na Wassenaar. Een ritueel dat zich had gevormd.

"Vertel."

"Niet via de telefoon. Morgen. Maar Yara —" Hij liep langs het meer. Het water was zwart en stil, en ergens daaronder, honderden kilometers naar het westen, lag een structuur op de oceaanbodem die twaalfduizend jaar had geslapen en nu begon te ontwaken. "We hebben coördinaten."

De stilte aan de andere kant was de stilte van iemand die begrijpt dat een grens is overschreden.

"De Azoren," fluisterde ze.

"De Azoren."

Hij bleef staan aan de oever van Lac Leman. De bergen waren onzichtbaar in het donker, maar hij wist dat ze er waren — massief, geduldig, ouder dan elke beschaving. Het water kabbelde zacht tegen de kade, het oudste geluid ter wereld.

In zijn aktetas lagen de coördinaten van iets wat de wereld zou veranderen. In zijn hoofd echoden de woorden van een man die veertig jaar de verkeerde keuze had gemaakt. En ergens in een kantoor plande Marcus Halder hetzelfde wat Maarten plande, maar met middelen die geen scrupules kenden.

We hebben een gemeenschappelijke vijand. Dat maakt ons geen vrienden. Het maakt ons overlevenden van hetzelfde schipbreuk.

De drempels gingen open. De vraag was niet langer of iemand er klaar voor was. De vraag was wie er als eerste doorheen zou gaan.