De Drempel van Hermes
Hoofdstuk 23 – Onder de Zee
De Atlantische Oceaan was niet blauw. Niet hier, niet op deze diepte.
Vanaf het achterdek van de Pelagia II keek Maarten naar water dat de kleur had van donker leisteen, een grijs dat zo oud was dat het geen kleur meer was maar een toestand. De golven rolden traag en zwaar, met de logge cadans van een dier dat ademt in zijn slaap. De lucht was een ononderbroken laag wolken die zo laag hing dat de horizon niet bestond; zee en hemel gingen in elkaar over als twee tinten van dezelfde stilte.
Ze waren vier dagen uit Ponta Delgada. De Pelagia II was een Noors onderzoeksvaartuig van vierenzestig meter, gebouwd voor seismische surveys en later omgebouwd voor oceanografisch onderzoek. Dynamisch positioneringssysteem, multibeam sonar, twee ROV's, een bemanning van negentien man die de afgelopen dagen steeds kortere antwoorden gaven op Maartens vragen.
Asselbergs had het schip geregeld. Binnen achtenveertig uur na het doorgeven van de coordinaten: een charterovereenkomst, een vaartijdschema, de naam van een kapitein — Eriksen, een Noor van ergens boven de zestig met een gezicht als geschuurd graniet. Het geld kwam van een Zwitserse stichting waarvan Yara vermoedde dat het een schil was van Asselbergs' netwerk. Hun missie, zijn middelen. De ongemakkelijke alliantie die Maarten wakker hield.
Laat hem maar weten wat hier ligt. De vraag is of hij begrijpt wat het betekent.
Yara verscheen in de deuropening van de brug, een mok thee in haar hand, haar haar samengebonden met het potlood dat haar vaste gewoonte was. Ze droeg een marineblauw fleecejack dat twee maten te groot was en ze zag eruit alsof ze niet had geslapen, wat klopte.
"De multibeam is klaar. Bjornsen wil dat we naar de kaartenkamer komen."
Bjornsen was de eerste officier, verantwoordelijk voor de sonarinstallaties. Begin dertig, met de nerveuze energie van te veel koffie en te weinig slaap. Hij had achttien uur achter de console doorgebracht met een uitdrukking die geleidelijk was verschoven van professionele concentratie naar ongeloof.
De kaartenkamer rook naar koffie en elektronica. Bjornsen zat achter twee schermen. Eriksen stond achter hem, armen over elkaar, gezicht onleesbaar.
"Kijk," zei Bjornsen.
Het scherm toonde een bathymetrische kaart — de zeebodem in drie dimensies, opgebouwd uit achttien uur sonardata. De typische topografie van de Mid-Atlantische Rug: onderzeese bergketens, breukvlakken, diepe kloven.
Maar in het midden, op een diepte van tweeduizendvierhonderd meter, was iets wat er niet hoorde.
Bjornsen zoomde in. Het was geen berg, geen kloof, geen vulkanische formatie. Het was een patroon. Parallelle richels, acht tot twaalf meter hoog, over een oppervlak van vier bij zes kilometer. De richels liepen in hoeken die terugkeerden, die zich herhaalden, die een geometrie suggereerden die niets met erosie of tektoniek te maken had.
"De tussenafstanden," zei Yara zacht. Ze stond naast Bjornsen met die intensiteit die Maarten kende als het moment waarop ze iets zag wat anderen nog niet zagen. "Wat is de verhouding?"
Bjornsen trok meetlijnen. Getallen verschenen. Maarten zag Yara's lippen bewegen terwijl ze rekende, zag het moment waarop het antwoord haar bereikte — een lichte verwijding van haar ogen.
"Phi. 1,618. De gulden snede." Ze keek Maarten aan. "Dezelfde proportie als in Saqqara. Als in Andalusie. Als in het Calvetti-manuscript."
Bjornsen keek van Yara naar Maarten. "Ik breng al tien jaar zeebodems in kaart. Ik heb nog nooit een natuurlijke formatie gezien die de gulden snede volgt. Dat doet de natuur niet. Niet op deze schaal."
"Het is geen natuurlijke formatie," zei Maarten.
In de stilte die volgde was het schip zelf hoorbaar: krakend staal, zoemende generatoren, water langs de romp.
"Er is meer," zei Bjornsen. Hij opende de side-scan sonar. Hogere resolutie. De richels waren glad — niet de verweerde ruwheid die je verwacht na millennia op de oceaanbodem. Onder de korsten van zeeleven, de sponsen en buiswormkolonies, was de structuur intact. Scherpe hoeken. Rechte lijnen. En het materiaal verschilde van de omringende basalt. De akoestische impedantie was veel hoger.
"Het reflecteert sonar anders dan alles wat ik ken," zei Bjornsen. "De densiteit suggereert iets kunstmatigs. Maar op tweeduizendvierhonderd meter diepte —" Hij schudde zijn hoofd. "Dat is onmogelijk."
"Het is geen stad," zei Maarten. "Geen gebouwen, geen wegen, geen haven." Hij wees naar het scherm. "Het is een patroon. Hetzelfde patroon dat we in de tempels vonden, in de verhoudingen van de kamers, in het netwerk van overgangszones —"
Yara sprak het voor hem uit. "Het is een drempel. De grootste drempel op aarde. Een permanente overgangszone."
Eriksen sprak voor het eerst. Laag en droog. "Ik wil de ROV naar beneden sturen. Maar ik heb een probleem." Hij wees naar een derde scherm. "De magnetometer."
De lijn op het scherm sprong in uitbarstingen — pieken die vijf keer zo hoog waren als de achtergrondwaarde, gevolgd door dalen die bijna op nul lagen. Het leek op de hartslag van iets wat niet sliep maar ook niet echt wakker was.
"Sinds we boven de structuur liggen," zei Eriksen. "Het GPS schommelt tussen tien en zeventig meter nauwkeurigheid. En het dynamisch positioneringssysteem maakt steeds wildere correcties, terwijl de zee kalm is. Alsof de coordinaten zelf verschuiven."
"De multibeam geeft returns die elkaar tegenspreken," vulde Bjornsen aan. "Soms suggereert de structuur drieduizend meter diepte. Soms vijfduizend. En twee keer —" hij aarzelde — "een return die suggereert dat de structuur ondieper is dan de omringende bodem. Achthonderd meter, terwijl alles eromheen op tweeduizendvierhonderd ligt."
Maarten dacht aan Saqqara. De kamer waar muren tegelijkertijd dichtbij en ver weg leken, waar afstanden niet klopten. Een anomalie van twee bij drie meter. Wat hier lag was hetzelfde, maar op een schaal die alles overtrof.
"Stuur de ROV naar beneden," zei hij.
Eriksen maakte een afweging die op zijn gezicht te lezen was. Voorzichtigheid tegen nieuwsgierigheid. "Bij het eerste teken van problemen halen we hem op."
Het ROV-controlecentrum: drie stoelen voor een muur van monitoren, joysticks, mengpanelen. De bemanning liet het apparaat in het water zakken. Het verdween in het grijs-leiblauwe water als een duiker die zich laat vallen in een poel waarvan niemand de bodem kent.
Op het scherm: eerst blauw water, steeds donkerder. Op honderd meter schakelden de schijnwerpers aan — twee bundels wit licht in de duisternis. Plankton danste als sneeuw in koplampen.
Vijfhonderd meter. Zwart water. Vier graden.
Duizend meter. De magnetometer op de ROV begon dezelfde sprongen als die op het schip, maar heftiger. De kompasroos draaide langzaam rond, alsof het noorden hier een suggestie was.
Vijftienhonderd meter. Maarten voelde de druk toenemen — niet de fysieke druk van het water, maar de andere druk, die hij kende van Saqqara en Andalusie. Het gevoel vlak voor een onweer. De wereld die inhoudt.
Tweeduizend meter. De zeebodem verscheen. Donker basalt, een dun laagje sediment. Een slangster, een zee-egel, een oppervlak dat millennia niet was aangeraakt door mensenhanden.
En toen veranderde de bodem.
Het sediment hield op. In plaats daarvan: een glad, donker oppervlak met een flauw blauwe gloed die niet van de schijnwerpers kwam. Rechte lijnen. Scherpe hoeken. Geen erosie. Het zag eruit alsof het vorige week was neergelegd.
"Jezus," fluisterde Bjornsen.
Van dichtbij waren de richels geen richels. Het waren muren — verticale structuren, acht tot twaalf meter hoog, in parallelle lijnen met een regelmatigheid die elke geologische verklaring uitsloot. Onder de begroeiing van eeuwen was de vorm onmiskenbaar. Recht. Vlak. Precies. Het materiaal was donkerder dan basalt, bijna kristallijn, en het weerkaatste het licht op een vreemde manier — alsof het licht werd aangenomen en vertraagd teruggegeven, net genoeg om je ogen te laten twijfelen.
"De afstanden kloppen niet," zei Bjornsen. Zijn stem beefde. "De camera zegt tien meter. De sonar zegt vijfentwintig. De laserpointer zegt veertien. Drie instrumenten, drie afstanden."
Tenzij de ruimte hier niet doet wat ruimte hoort te doen, dacht Maarten. Tenzij het is wat het Calvetti-manuscript beschrijft: een plek waar hier en daar in elkaar overlopen, waar afstand en positie niet meer volledig opgaan.
Bjornsen manoeuvreerde de ROV verder. Na tweehonderd meter maakte de muur een scherpe hoek van honderdacht graden — dezelfde hoek als in de tempel van Dendera, de ademhoek uit het manuscript.
"Het is het origineel," fluisterde Yara terwijl ze het scherm filmde. "De tempels zijn kopieeen. Dit is wat ze kopieerden."
Toen begon het beeld te trillen. Niet de camera — de ROV was stabiel. De ruimte zelf rimpelde, als het oppervlak van een vijver waar iemand een steen in had gegooid. De muren leken te ademen. De randen pulseerden, verscherpten en vervaagden, alsof ze oscilleerden tussen twee toestanden: er zijn en niet er zijn.
De instrumenten gingen wild. Alle tegelijk. De magnetometer piekte buiten de schaal. De temperatuur sprong van vier naar elf graden en terug. De druksensor gaf de lezing van zeshonderd meter, terwijl de ROV op tweeduizendvierhonderd hing. Het kompas draaide snel, alsof het noorden een ronddraaiende illusie was geworden.
"Ik haal hem op," zei Eriksen.
"Nog even —"
"Nu."
Bjornsen trok de ROV op. Het apparaat reageerde traag, alsof de diepte het niet wilde loslaten. Het beeld verschoof — de structuren zakten weg — maar net voordat de camera de bodem uit het zicht verloor, ving het iets op.
Een licht. Niet de schijnwerpers. Niet bioluminescentie. Een licht van binnenuit, vanuit de structuren zelf. Blauw-wit, pulserend met een ritme dat te langzaam was voor een machine en precies langzaam genoeg om te lijken op ademhaling.
Het beeld verdween. Zwart water, stijgend naar de oppervlakte.
De stilte in het controlecentrum was totaal.
"Ik sla alles op," zei Bjornsen ten slotte, met de stem van een man die terugvalt op routine. "Maar ik weet niet wat ik heb opgenomen. En ik weet niet of ik het wil weten."
Eriksen verliet het controlecentrum zonder een woord.
Maarten en Yara bleven staan voor het lege scherm.
"Atlantis was geen beschaving die de drempelkennis gebruikte om te bouwen," zei Yara zacht. "Atlantis is een drempel. Het centrale knooppunt. De tempels en kamers die we overal vonden zijn kopieeen, miniaturen, pogingen om op kleine schaal te repliceren wat hier op de zeebodem ligt."
"Het licht," zei Maarten. "Het pulseerde. Als ademhaling."
"I punti del respiro della terra. Het Calvetti-manuscript had het letterlijk bedoeld. De structuur ademt. Na millennia op de zeebodem — het functioneert nog."
Ze gingen naar het dek. De wolken waren opgeklaard. De zee was kalm, maar er was iets veranderd. Maarten voelde het zodra hij buiten stond — een elektriciteit in de lucht, een spanning op zijn huid. Het gevoel van een naderende storm, maar de hemel was helder. Het gevoel van iets groots dat onder hen lag en wist dat ze er waren.
De bemanning voelde het ook. Ze bewogen sneller dan nodig over het dek, met de gespannen alertheid van dieren die een roofdier vermoeden. Een matroos, een Noor met een verweerd gezicht, draaide zich om bij de reling. "Voelt u het ook?"
"Ja."
"Mijn grootvader was visser. Noorse kust, boven de poolcirkel. Hij vertelde over plekken in de zee waar het water anders was. Niet de stroming, niet de temperatuur — het water zelf. Alsof het je niet wilde hebben." De man keek naar het donkere oppervlak. "Dit is zo'n plek."
Yara kwam naast Maarten staan bij de reling. "De data zijn buitengewoon maar incompleet. De sonar toont de geometrie, niet het materiaal. De ROV geeft beelden, maar de anomalie maakt elke meting onbetrouwbaar. We weten dat het er is. We weten dat het actief is. Maar we weten niet hoe het werkt."
"Om dat te weten zou iemand naar beneden moeten."
De woorden kwamen eruit voordat hij ze had overwogen, en zodra ze in de lucht hingen wist hij dat ze waar waren.
Yara zei niets. De oceaan bewoog met die trage cadans die Maarten was gaan herkennen als ademhaling — van het water, of van wat eronder lag. Het onderscheid deed er niet meer toe.
"Tweeduizendvierhonderd meter," zei ze na een lange stilte. "Met een bemand submersible. De juiste apparatuur —"
"Welke apparatuur? Tegen wat?" Hij greep de reling. "Bjornsen stuurde een machine naar beneden en die machine registreerde verschijnselen die volgens de bekende fysica niet kunnen bestaan. Wat zou er met een mens gebeuren?"
Wat zou er met mij gebeuren?
Want dat was de vraag. Hij was de enige aan boord die begreep wat daar lag. De enige die de drempelervaring kende. Brouwer had op de drempel gestaan en was teruggekomen. Van Dijk en Moreau hadden op de drempel gestaan en waren verdwenen. Weizenbaum had jaren op de drempel gestaard en was eraan gestorven. De drempel respecteerde geen protocollen. De drempel was de plek waar de regels ophielden.
"Asselbergs weet het al," zei Maarten. "Het schip is van hem. Hij volgt alles."
"En dat is wat hij wil," zei Yara. "Data, geen actie. Controleren door te observeren. Maar dat is niet genoeg. Wat daar beneden ligt wordt sterker. De overgangszones over de hele wereld worden actiever omdat het centrum actiever wordt." Ze draaide zich naar hem toe. "Alsof het wakker aan het worden is."
Bakhuizen in zijn verpleeghuis. Ze komen terug. Ze komen terug.
De nacht viel met de snelheid van een gordijn dat wordt dichtgetrokken. De sterren verschenen — meer dan Maarten ooit had gezien, weg van alle lichtvervuiling, midden op de oceaan. De melkweg strekte zich uit als een litteken van licht, en eronder lag het water, zwart en glad en ademend, en het schip zweefde ertussen als een splinter hout op een onmetelijke zee.
Yara bracht thee. De warmte van de mok was een anker in de bekende wereld.
"Ik heb Bakker gebeld," zei ze. "Via de versleutelde lijn. Ze wil dat we terugkomen. De data zijn genoeg voor een internationaal onderzoek."
"Tegen de tijd dat een internationaal team de bureaucratie heeft doorlopen, is het te laat." Hij wist niet eens wat te laat betekende. Maar hij voelde het — een urgentie die niet van hemzelf kwam, die opsteeg vanuit het water, vanuit het patroon dat ouder was dan de mensheid en dat nu, na millennia van stilte, sterker werd.
"We gaan terug," zei hij ten slotte. "Morgen. We varen naar Ponta Delgada, nemen de data mee, maken een plan." Hij keek haar aan. "Maar we komen terug. Niet met een team dat niet weet wat het zal vinden. Met iemand die het begrijpt."
"Met iemand die bereid is om naar beneden te gaan."
"Ja."
Het woord hing tussen hen in, klein en zwaar als een druppel kwik. Maarten dacht aan Lotte — haar glimlach, de pizza's op zaterdagavond, de toekomst die hij haar verschuldigd was. Hij dacht aan Brouwer: Wat doe je als je op die drempel staat en het biedt je alles aan? Hij dacht aan de glimlach van Van Dijk en Moreau. De glimlach van thuiskomst.
De oceaan ademde onder hen. De sterren draaiden boven hen. En ergens op tweeduizendvierhonderd meter diepte, in de eeuwige duisternis van de Atlantische zeebodem, pulseerde een licht dat ouder was dan de mensheid, langzaam en geduldig, als een hart dat wacht tot iemand het vindt.
Maarten dronk zijn thee. Die was al koud.