De Drempel van Hermes
Hoofdstuk 24 β De Nacht op de Azoren
De zon ging onder alsof ze niet van plan was terug te komen.
Maarten stond op de rand van een klif aan de noordkust van Sao Miguel en keek toe hoe de hemel boven de Atlantische Oceaan zich openvouwde in lagen van rood en paars die de kleur hadden van verse wonden. Het water was zwart eronder β niet het donkerblauw dat je verwachtte van een oceaan bij schemering, maar een diep, ondoordringbaar zwart dat het daglicht leek op te slokken. Beneden hem brak de branding tegen basaltrotsen: hoekig, zwart, bedekt met een glanzende laag zeewier.
Het pad achter hem was bezaaid met hortensia's. Blauwe en paarse bollen die in het afnemende licht hun kleur verloren en overgingen in iets grauw en spookachtigs, als lantaarns die net waren gedoofd. De lucht rook naar zout, naar vochtige aarde, naar de zwavelige ondertoon die hier overal aanwezig was β de adem van het eiland zelf, dat zijn vulkanische verleden nooit helemaal had losgelaten.
Achter hem hoorde hij Yara's voetstappen op het pad. Ze liep langzaam, voorzichtig op de ongelijke basaltstenen. Hij hoorde haar stoppen toen ze de rand bereikte en naast hem kwam staan.
Ze zeiden niets. Dat was de afgelopen uren een gewoonte geworden β een gedeeld zwijgen dat niet ongemakkelijk was maar noodzakelijk, als de stilte in een museum waar de objecten in de vitrines een eigen geluid hebben dat alleen hoorbaar is als je ophoudt met praten.
Het was acht uur geleden dat ze uit het water waren gekomen. Acht uur sinds de duik naar de structuur op de zeebodem β die enorme, onmogelijke constructie die geen stad was maar iets anders. Een drempel. De grootste die ze tot nu toe hadden gezien, op een diepte van honderdtwintig meter, precies op de coΓΆrdinaten die het Vaticaanse manuscript had aangegeven.
De bemanning van de Meridian was die middag aan land gegaan. Rui, de Portugese kapitein, was met de technici de stad in gelopen, op zoek naar een restaurant en een avond normaliteit. Ze hadden Maarten en Yara gevraagd of ze meekwamen. Yara had beleefd geweigerd. Maarten had alleen zijn hoofd geschud.
Hoe eet je een biefstuk na zoiets?
In plaats daarvan waren ze gaan lopen. Eerst door de smalle straten van Ponta Delgada, waar de kasseien nat glommen van een bui die net voorbij was getrokken en de lucht de zoete, zware geur droeg van massa sovada uit een bakkerij op de hoek. Daarna langs de kust, het pad dat zich als een litteken over de vulkanische rotsen slingerde. Ze waren niet gestopt. Hadden niet gesproken. Hadden alleen gelopen, twee uur, drie uur, tot de stad een verre lichtgloed was achter hen en de zon begon te dalen boven de oceaan.
Nu stonden ze hier. Aan de rand van Europa. Aan de rand van een continent dat zichzelf het middelpunt van de wereld noemde en dat op een eiland als dit β deze vulkanische uitstulping midden in de Atlantische Oceaan β ineens zijn pretentie verloor. Hier was Europa niets. Een paar vierkante kilometer lava die uit de zee was geduwd door krachten die niets wisten van grenzen, talen of beschavingen.
"Ik ben bang," zei Maarten.
Het was eruit voor hij het kon tegenhouden. De woorden hingen in de zilte lucht als iets fysieks, als rook die niet verwaait.
Yara draaide haar hoofd naar hem toe. In het halfdonker kon hij haar gezicht niet goed lezen β alleen de contouren, het profiel dat hij inmiddels kende als een kaart die hij te vaak had bestudeerd.
"Niet van de drempel," vervolgde hij. Zijn stem klonk vreemd in zijn eigen oren. Hees. Kwetsbaar op een manier die hij zichzelf zelden toestond. "Niet van wat we vandaag hebben gezien. Dat is angstaanjagend, ja, maar het is de angst van een wetenschapper die iets vindt wat niet in zijn model past. Die angst ken ik. Die kan ik hanteren."
Hij zweeg. De branding beneden hen klonk als een langzame hartslag.
"Ik ben bang omdat ik het wil," zei hij. "Omdat ik daar beneden stond, voor die structuur, en het enige wat ik voelde geen angst was maar β verlangen. Om erdoorheen te gaan. Om over te steken. Om alles achter me te laten."
Lotte.
De naam van zijn dochter verscheen in zijn hoofd als een anker dat werd uitgeworpen. Zestien jaar oud. In Leiden, bij haar moeder, in een wereld van schoolroosters en vriendinnen en eindexamenstress. Een wereld die echt was. Tastbaar.
"En het eerste wat ik dacht toen ik die drempel zag was niet: hoe vertel ik dit aan de academische wereld. Het was: ik wil erdoorheen." Hij haalde adem. De lucht smaakte naar zout en naar iets metaalligs dat van het vulkanische gesteente onder hun voeten kwam. "Dat gevoel β dat ik bereid was alles los te laten, iedereen, Lotte, mijn leven β dat maakt me banger dan wat er aan de andere kant is."
Yara zei een hele tijd niets. De zon was nu bijna onder. Alleen een dunne streep oranje lag nog op de horizon, als de gloeiende naad van een deur die op een kier stond.
"Weet je wat het Arabische woord voor drempel is?" zei ze uiteindelijk.
Maarten schudde zijn hoofd.
"Atabah." Ze sprak het uit met een zachte a en een keelklank die uit een diepere laag van haar stem leek te komen. "Maar het heeft een tweede betekenis. Het kan ook verwijt betekenen. Of berisping. Atabah β de plek waar je wordt terechtgewezen. Waar je wordt herinnerd aan wat je achterlaat."
Ze ging op de rand van het klif zitten. Haar benen bungelden over de afgrond β twintig, dertig meter boven de rotsen en het schuim. Maarten ging naast haar zitten. Het basalt was koud door zijn broek heen, ruw onder zijn handpalmen.
"Ik ben opgegroeid tussen twee werelden," zei Yara. Haar stem had een klank die hij niet eerder had gehoord β niet de scherpe, analytische toon van de academicus, niet de beheerste warmte van hun gesprekken over het onderzoek, maar iets rauwer, iets dat dichter bij de bron lag. "Mijn vader is Egyptenaar. Koptisch christen uit Assiut, een stad in Opper-Egypte waar de zomers zo heet zijn dat de honden onder de auto's liggen en niet meer bewegen tot de zon ondergaat. Mijn moeder is Nederlandse. Uit Haarlem. Ze ontmoetten elkaar op een conferentie in CaΓ―ro in 1982. Hij was ingenieur. Zij was restaurateur β schilderijen, geen restaurants."
Een glimlach die in het donker bijna onzichtbaar was maar die hij hoorde in haar stem.
"Ik groeide op in Haarlem. Sprak Nederlands op school en Arabisch thuis. At boterhammen met hagelslag om twaalf uur en koshari om zes uur. Las Roald Dahl en Naguib Mahfouz. Ging op zondag naar de protestantse kerk met mijn moeder en op vrijdag naar de koptische dienst met mijn vader als we in Egypte waren."
Ze pakte een steentje op van de rand en draaide het tussen haar vingers.
"Iedereen noemde het verrijkend. Wat een rijke achtergrond. Het beste van twee werelden. Alsof ik een buffet was waar je van beide kanten kon opscheppen." Ze gooide het steentje over de rand. Maarten hoorde het niet landen β het werd opgeslokt door het geluid van de zee. "Maar het voelde niet als twee werelden. Het voelde als geen wereld. Als een tussenruimte. Een gang zonder deuren. Ik was nergens helemaal thuis. In Egypte was ik de Nederlandse. In Nederland was ik de Egyptische. In de wetenschap was ik de vrouw met de intuΓ―tie. Bij mijn familie was ik het meisje met de boeken."
Maarten luisterde. Het was donker nu, echt donker β niet het stadsdonker van Leiden waar altijd ergens een lantaarn brandde, maar het duister van een eiland midden op de oceaan waar de dichtstbijzijnde grote stad twaalfhonderd kilometer verderop lag.
"En toen ik voor het eerst in Saqqara stond," ging Yara verder, "in die kamer β jouw kamer, Maarten, de kamer die jij als eerste vond β toen voelde ik iets wat ik niet kon verklaren. Het voelde als thuiskomen. Niet in een land of een taal of een cultuur. Maar in dat gevoel zelf. In het ertussen zijn."
Ze draaide zich naar hem toe. In het donker waren haar ogen niet te zien, maar hij voelde haar blik als een fysieke aanraking.
"De drempels voelen voor mij niet als iets vreemds. Ze voelen als een plek die ik mijn hele leven heb gezocht zonder te weten dat hij bestond. En dat β" Haar stem stokte. Een fractie van een seconde maar. "Dat maakt mij niet bang op de manier die jij beschrijft. Het maakt mij bang omdat het vertrouwd voelt. Omdat het betekent dat er misschien iets mis is met mij. Dat ik niet hoorde thuis te komen op een plek die geen mens hoort te betreden."
De wind was gaan liggen. De oceaan beneden hen was een vlak van zwart geluid β niet meer het ritmische breken van golven maar een constant, laag gegrom, als het draaien van een motor diep in de aarde.
Maarten reikte naar haar hand. Het was geen bewuste beslissing β zijn lichaam bewoog voor zijn gedachten het konden tegenhouden, zoals je je hand uitsteekt naar iemand die valt. Zijn vingers raakten de hare. Ze trok niet terug.
Ze zaten zo. Twee mensen op een klif aan de rand van de Atlantische Oceaan, in een donker dat steeds voller werd van sterren die verschenen als speldenknopjes in zwart fluweel. Eerst een paar. Toen tientallen. Toen honderden. De Melkweg tekende zich af als een rivier van licht die van horizon tot horizon liep.
Wanneer heb ik voor het laatst de sterren zo gezien?
En toen veranderde er iets.
Het begon met de lucht. Een subtiel verschil, als het moment waarop je beseft dat de verwarming is aangesprongen in een koude kamer β niet een plotselinge hitte maar een geleidelijke verdichting, een toename van iets wat al aanwezig was maar onder de drempel van waarneming lag. De zoutige oceaanlucht kreeg een bijsmaak. Iets koperligs. Iets ouds.
Maarten verstijfde. Naast hem voelde hij Yara's hand zich spannen in de zijne.
"Voel je dat?" fluisterde ze.
Hij knikte. Wist niet of ze het kon zien in het donker. Het deed er niet toe. Ze voelde het.
De sterren.
De sterren waren veranderd.
Niet hun posities β de sterrenbeelden waren hetzelfde, Orion hing boven de zuidwestelijke horizon, de Grote Beer stond waar hij hoorde te staan. Maar hun helderheid. Hun nabijheid. Ze leken gezakt te zijn, dichter bij de aarde gekomen, alsof de atmosfeer dunner was geworden of verdwenen. Elke ster had een scherpte die niet natuurlijk was β niet het zachte fonkelen van licht dat door lagen lucht was gefilterd, maar het harde, onbewogen branden van vuren die je van dichtbij zag.
Dit is het. De zone. Ze reikt omhoog.
De drempel onder de oceaan was niet inert. Was nooit inert geweest. Het was een knooppunt in een netwerk dat zich uitstrekte door het water, door de lucht, door het gesteente van het eiland onder hen.
Het water beneden het klif begon te gloeien.
Niet overal. Niet zoals bioluminescentie, die willekeurig oplicht in golven en wervelingen. Dit was geometrisch. Diep onder het oppervlak verscheen een patroon van licht dat Maarten herkende. Dezelfde vormen als in Saqqara. Dezelfde patronen als in de crypte onder het Vaticaan. Concentrische cirkels, verbonden door spiralen, Fibonacci-achtige krommingen die naar binnen draaiden en tegelijkertijd naar buiten expandeerden.
Het licht pulseerde. Langzaam. Met een ritme dat Maarten herkende als de frequentie die Weizenbaum had gemeten in Bretagne β 7,83 hertz, de Schumann-resonantie, de elektromagnetische hartslag van de aarde zelf.
Maar het was meer dan licht.
Het was meer dan een patroon.
De werkelijkheid werd transparant.
Er was geen ander woord voor. Het was alsof de wereld om hen heen β het klif, de oceaan, de lucht, de sterren β plotseling zijn dichtheid verloor. Niet dat het verdween. Niet dat het onwerkelijk werd. Maar het werd doorzichtig, als een schilderij op glas dat je tegen het licht hield, zodat je zowel het schilderij zag als wat erachter lag.
En wat erachter lag.
Maarten voelde het voor hij het zag. Een netwerk. Uitgestrekt, levend, pulserend. Niet als een kaart met punten en lijnen β dat was de metafoor die hij altijd had gebruikt, de metafoor van de wetenschapper die alles terugbracht tot data en coΓΆrdinaten. Dit was iets anders. Dit was een organisme. De drempels β Saqqara, Bretagne, de crypte, de zeebodem hier beneden hen, en tientallen andere die hij nooit had bezocht maar nu kon voelen β waren geen losse objecten. Ze waren organen. Knooppunten in een levend weefsel dat zich uitstrekte over de hele aarde, door de oceanen, door de continenten, door de lagen van gesteente en magma onder hun voeten.
De aarde zelf was een drempelorganisme.
Het was de enige formulering die paste. Niet een planeet mΓ©t drempels. Maar een wezen β of een structuur, of een systeem, de woorden schoten tekort β dat in zijn geheel functioneerde als een overgangszone. Een drempel tussen iets en iets anders.
Waartussen?
De vraag vormde zich in zijn hoofd en loste onmiddellijk op, als een druppel inkt in water. Hij stelde de verkeerde vraag. Er was geen waartussen. Er was alleen het overgaan zelf. De drempel was geen grens tussen twee kamers. De drempel was de kamer.
Naast hem ademde Yara snel en ondiep. Haar hand in de zijne trilde. Maar ze trok niet terug. Ze hield vast. En door dat vasthouden voelde hij wat zij voelde β niet als telepathie, niet als het lezen van gedachten, maar als een resonantie, zoals twee snaren van hetzelfde instrument die meetrillen als je er een aanslaat.
Ze zag hetzelfde. Het netwerk. De verbindingen. De levende architectuur van iets wat ouder was dan de mensheid, ouder dan het leven zelf, misschien ouder dan de planeet.
En ze voelde wat hij voelde. De verleiding. De roep om verder te gaan. Om niet alleen te kijken maar over te steken.
En daaronder, onder de verleiding, onder het verlangen β een herkenning die pijn deed.
Dit is mijn thuis.
Maarten wist niet of die gedachte van hem was of van haar.
Het licht in het water pulseerde nog een keer. Twee keer. Drie keer. Elke puls was langzamer dan de vorige, als een hart dat tot rust komt. De sterren leken terug te wijken, centimeter voor centimeter, alsof iemand een lens langzaam terugdraaide van close-up naar totaal. De lucht verloor zijn koperige smaak. De wind kwam terug β een zachte, vochtige wind die naar zeewier rook en naar regen die ergens boven de oceaan viel.
De patronen in het water vervaagden. Eerst verloren ze hun scherpte, toen hun helderheid, toen hun kleur. Ze gloeiden nog een moment na, als het nabeeld op je netvlies als je te lang in een lamp hebt gekeken. Toen waren ze weg.
De oceaan was donker.
De sterren waren gewoon.
De lucht smaakte naar zout en naar niets anders.
Maarten merkte dat hij zijn adem had ingehouden. Hij ademde uit, lang en beverig, en de lucht verliet zijn longen als iets wat hij te lang had vastgehouden. Naast hem deed Yara hetzelfde. Hun ademhaling synchroniseerde β in, uit, in, uit β als een tij dat zichzelf herstelt na een storm.
Ze hielden elkaars hand nog vast. Haar vingers waren koud. De zijne ook. Alles was koud op een manier die normaal was, aards, gewoon, en die precies daarom ontroerend was β de koude van een planeet die rond een ster draaide en die af en toe, op plekken die bijna niemand kende, iets liet zien van wat ze werkelijk was.
Maarten keek naar Yara. In het gewone sterrenlicht kon hij haar gezicht zien. Ze huilde niet. Maar er lag iets in haar blik wat hij alleen kon beschrijven als de uitdrukking van iemand die na een lange reis thuiskomt en ontdekt dat het huis er nog staat maar dat zijzelf is veranderd.
Ze keek terug. Zei niets.
Wat zeg je na zoiets?
Niets. Je zegt niets. Elk woord zou een reductie zijn β een poging om iets wat groter was dan taal terug te duwen in het keurslijf van grammatica en betekenissen.
Yara liet haar hoofd zakken tot het op zijn schouder rustte. Het gebaar had niets romantisch β of het had alles romantisch, in de oorspronkelijke, negentiende-eeuwse betekenis van het woord: het sublieme, het overweldigende, de ervaring die zo groot was dat het lichaam eronder bezweek en steun zocht bij het dichtstbijzijnde andere lichaam.
Maarten leunde tegen haar aan. Haar haar rook naar zout en naar de shampoo van het hotel in Ponta Delgada, iets met lavendel, en daaronder naar iets wat alleen van haar was, een geur die hij niet kon benoemen maar die hij zou herkennen tussen duizend anderen.
Ze zaten zo. Minuten. Misschien een uur. Het was onmogelijk te zeggen. De tijd had een andere textuur gekregen β niet de vloeibare, versnelde tijd van de transitie, maar een langzame, dikke tijd die aanvoelde als honing, als iets kostbaars dat je langzaam uitschonk.
De sterren draaiden boven hen. De oceaan ademde beneden hen. Het eiland lag stil en donker en vulkanisch onder hen, zijn zwarte bodem vol herinnering aan vuur.
Ergens achter hen blaften honden. Een auto reed over een onzichtbare weg. De wereld ging door met zijn gewone bezigheden terwijl twee mensen op een klif zaten en probeerden te bevatten wat er zojuist was gebeurd.
Maarten dacht aan Lotte. Niet met de schuldige, beangstigende intensiteit van eerder β het verlangen om alles achter te laten, de drempel over te gaan β maar met iets zachters. Iets wat leek op de manier waarop je aan iemand denkt die je liefhebt terwijl je in een ander land bent: met een pijn die tegelijkertijd bewijs is van de liefde en van de afstand.
Ik ga niet weg, Lot. Ik ga niet over. Maar ik ben wel veranderd.
En dat was misschien het moeilijkste. Niet de keuze om te gaan of te blijven. Maar het besef dat je hoe dan ook veranderd was, dat de drempel je al had veranderd door het simpele feit dat je hem had gezien. De Maarten die drie maanden geleden was afgedaald in een kamer in Saqqara bestond niet meer. Deze Maarten was iets anders. Of dezelfde, maar meer. Opengebroken. Als een huis waarvan een muur is weggeslagen zodat je ineens de horizon ziet waar vroeger behang was.
Yara bewoog. Tilde haar hoofd van zijn schouder. Keek naar de oceaan.
"We zijn geen waarnemers meer," zei ze. Haar stem was zacht. Niet fluisterend β fluisteren zou geheimzinnig hebben geklonken, samenzweerderig, en dit was geen geheim en geen samenzwering. Het was een vaststelling. Een diagnose. Een zin die uitgesproken moest worden zodat hij echt werd.
Maarten knikte. De beweging voelde zwaar, alsof zijn hoofd meer woog dan normaal. Alsof de zwaartekracht was toegenomen.
"Nee," zei hij. "Dat zijn we niet."
Ze stond op. Veegde het stof van haar broek. Stak haar hand naar hem uit. Hij pakte hem en stond op. Ze lieten niet los. Liepen zo terug over het pad, hand in hand, door het donker, tussen de uitgedoofde hortensia's, over het basalt dat glom in het sterrenlicht.
Ze spraken niet over wat er was gebeurd. Niet over het licht in het water. Niet over de sterren. Niet over het netwerk dat ze hadden gevoeld. Niet over het feit dat ze hadden gedeeld wat niet te delen was β een ervaring die zo intiem was dat elke beschrijving ervan een schending zou zijn.
Ze liepen. De nacht was gewoon. De weg terug was lang.
Maar iets was anders. Iets in het ritme van hun stappen dat zonder overleg synchroon was, in de stilte die niet meer de stilte was van twee individuen die toevallig hetzelfde pad bewandelden maar de stilte van twee mensen die hetzelfde hadden gezien en die wisten β met de zekerheid die voorbij bewijs en redenering ligt β dat er geen weg terug was.
Ze waren deelnemers nu.
De drempel had hen niet gevraagd. Had niet gewacht op toestemming. Had hen niet uitgenodigd of verleid of gedwongen. De drempel had eenvoudigweg gedaan wat drempels doen.
Hij had hen laten overgaan.
En terwijl ze over het donkere pad liepen, terug naar het hotel, terug naar de wereld, voelde Maarten voor het eerst sinds Saqqara iets wat leek op vrede. Niet de vrede van antwoorden β die had hij niet, en misschien zou hij die nooit hebben. Maar de vrede van iemand die ophoudt met rennen. Die stopt met vluchten voor de vraag en zich omdraait en de vraag aankijkt en zegt: goed. Ik ben hier. Wat nu?
Naast hem liep Yara. Haar hand in de zijne. Haar ademhaling rustig. Haar stappen vast op het donkere pad.
Boven hen draaiden de sterren. Gewoon, onbereikbaar, onverschillig ver.
Beneden hen, diep onder de donkere oceaan, pulseerde iets. Langzaam. Geduldig. Zoals het al pulseerde voor er mensen waren om het te voelen.
Zoals het zou blijven pulseren lang nadat zij er niet meer waren.