De Drempel van Hermes
Hoofdstuk 25 β Lotte's Droom
Het was kwart over elf 's avonds op de Azoren toen Maarten zijn telefoon pakte.
Hij zat op het terras van het guesthouse in Horta, de haven van Faial, waar de straatlantaarns oranje vlekken wierpen op de kade en de masten van de afgemeerde zeilboten traag heen en weer bewogen als metronomen die de tijd maten van een oceaan die nergens heen hoefde. Achter hem, in de kamer die ze deelden als werkruimte, zat Yara achter haar laptop met de sonardata van die middag. Ze had drie uur niet gesproken. Dat was haar manier van verwerken: stilte, data, orde aanbrengen in het onmogelijke.
Die middag, vanaf de boot van kapitein Soares, hadden ze de zeebodem ten zuiden van Faial in kaart gebracht. Op zeshonderdveertig meter diepte had het sonar iets teruggekaatst wat niet thuishoorde op een vulkanische oceaanbodem. Geometrische structuren. Rechte hoeken. Concentrische cirkels over een oppervlak van ruim driehonderd meter. En toen Yara de frequentie had aangepast, had de sonar iets teruggekaatst wat geen echo was maar licht β pulsen die ritmisch waren geweest, responsief, alsof de structuur antwoordde op hun signaal.
Ze hadden het allebei gevoeld. De lucht op de boot die veranderde β dichter, geladen, met die minerale geur die Maarten inmiddels kende als de signatuur van een drempelzone. Yara had zijn arm gegrepen. Het netwerk, had ze gefluisterd. We zitten er middenin.
En nu zat hij op een terras met een telefoon in zijn hand en een gevoel in zijn borst dat hij niet kon benoemen. Hij scroldde naar de L. Lotte mob. Het was kwart over twaalf in Nederland. Te laat om een zestienjarige te bellen op een dinsdagavond.
Morgenochtend, dacht hij. Bel haar morgenochtend. Normaal tijdstip. Normale vader.
Zijn telefoon ging. Het scherm lichtte op. Lotte mob.
Hij nam op.
"Lot?"
"Pap." Haar stem klonk anders. Niet de gebruikelijke toon β dat mengsel van nonchalance en verborgen warmte dat de standaardfrequentie was van hun gesprekken. Dit was hoger. Sneller. Maar er zat iets onder. Iets donkerder. "Sorry dat het zo laat is. Sliep je al?"
"Nee. Ik zit buiten. Hoe is het?"
"Goed. Ja. Goed." Een stilte die te lang was voor goed. "Nee. Niet goed. Niet slecht. Maar β pap, kan ik je iets vertellen wat echt heel raar klinkt?"
Maartens vingers sloten zich strakker om de telefoon. De masten in de haven bewogen. Een hond blafte ergens in de straten boven de kade, twee keer, scherp, en was toen stil.
"Altijd," zei hij.
"Oke. Dus." Ze haalde adem β een bewuste inademing, het soort dat je neemt voor je iets zegt waarvan je weet dat het gek klinkt. "Ik heb de afgelopen week elke nacht dezelfde droom. Niet precies dezelfde, maar dezelfde plek. En het voelt niet als een droom. Het voelt als iets wat echt is en wat ik bezoek als ik slaap."
Nee, dacht Maarten. Het woord was een reflex, een muur die hij optrok zonder erbij na te denken. Nee, niet dit. Niet zij.
"Vertel me over de droom," zei hij. Zijn stem was kalm. Hij was er dankbaar voor β die automatische rust die jaren van veldwerk hem had aangeleerd.
"Oke, dus ik ben onder water. Maar ik kan ademen. Dat is het eerste rare β ik weet dat ik onder water ben, ik voel het water, het is koud en donker en zwaar, maar ik kan ademen alsof het lucht is. Alleen dan dikkere lucht. En ik daal. Steeds dieper. En het licht wordt minder en minder tot er bijna niets meer is. En dan β"
Ze stopte. Maarten hoorde haar slikken.
"Dan zie ik het."
"Wat zie je?"
"Structuren. Op de bodem. Het is alsof iemand een stad heeft gebouwd op de zeebodem. De vormen zijn geometrisch. Cirkels. Cirkels binnen cirkels. En lijnen die vanuit het midden naar buiten lopen, als een soort β weet je die tekening van Da Vinci, die man met zijn armen en benen gespreid?"
"De Vitruviaanse Mens."
"Ja! Maar dan als een plattegrond. En de muren zijn van steen β donker steen, bijna zwart β maar ze gloeien. Van binnenuit. Niet fel, meer zoals β je weet die sterren die je soms ziet op de bodem van een zwembad als de zon erop schijnt? Dat lichtpatroon dat beweegt? Zo. Alsof het steen zelf licht geeft."
Maarten had het notitieboek gepakt dat naast zijn stoel lag. Zijn hand bewoog sneller dan zijn gedachten β documenteer eerst, analyseer later.
Concentrische cirkels. Radiaire lijnen. Bioluminescent steen. Zeebodem.
Het was de structuur. Punt voor punt. De structuur die ze die middag op de sonar hadden gezien, zeshonderdveertig meter onder het oppervlak van de Atlantische Oceaan, ten zuiden van een eiland waar Lotte nooit was geweest.
"Ga door," zei hij. Zijn stem klonk vreemd in zijn eigen oren. Te vlak. Te beheerst.
"Er is een kamer. In het midden van alles. Niet groot β meer een soort kapel. En de verhoudingen zijn β perfect. Niet dat het mooi is, hoewel het dat ook is, maar dat elke maat klopt. Alsof de kamer een wiskundige formule is die je kunt binnenlopen." Ze lachte, kort, nerveus. "Dit klinkt echt alsof ik te veel Netflix heb gekeken."
"Het klinkt niet gek. Ga door."
"De kamer heeft gouden muren. Niet goud-goud, niet bling, meer als de kleur van honing als er licht doorheen schijnt. En de verhoudingen β pap, ik weet dit omdat ik het voor wiskunde heb gehad β het is de gulden snede. De hele kamer. Lengte-breedteverhouding, hoogte van het plafond, zelfs de positie van de deur. En ik kan het in de droom voelen. Alsof de verhoudingen een geluid maken dat ik kan horen."
Maartens pen stopte. Gouden verhoudingen. Auditieve perceptie van geometrische verhoudingen. Weizenbaums data β de biologische interactiegegevens op de SD-kaart uit Munchen. Proefpersonen in actieve drempelzones die ruimtelijke verhoudingen beschreven alsof ze klonken. Synesthetische perceptie.
Lotte had dat nooit gelezen. Lotte wist niet eens dat die data bestonden.
"Is er nog meer?" vroeg hij.
"Ja. Het licht. In de kamer is licht, maar het komt nergens vandaan. Geen ramen, geen lampen, niets. En het pulseert. Heel langzaam, als ademhaling. En elke keer dat het licht pulseert, voel ik β" Ze haperde. "Dit is het rare deel."
"Alles wat je vertelt is belangrijk, Lot."
"Elke keer dat het licht pulseert, voel ik andere plekken. Alsof de kamer verbonden is met alles. Ik voel de woestijn. Bergen. Een oude kerk ergens in Europa. Een bos. En het is niet dat ik ze zie β ik voel ze. Alsof ik op al die plekken tegelijk ben. Alsof de kamer een soort knooppunt is." Haar stem was zachter geworden. "Alsof alles met alles verbonden is en die kamer de plek is waar je dat kunt voelen."
Ze beschrijft het netwerk, dacht hij. Precies wat Yara en ik hebben gevoeld op de boot. Maar wij stonden fysiek in een actieve zone, met instrumenten. Lotte ligt in haar bed in Amsterdam en ziet het in haar slaap.
"Hoe lang heb je deze dromen al?"
"Een week. Misschien iets langer. Maar elke nacht wordt het duidelijker. Meer detail. Alsof iemand elke nacht de resolutie omhoog draait." Ze pauzeerde. "Pap, ik word er wakker van. Niet van schrik. Maar omdat het zo intens is. Alsof mijn hersenen te veel informatie krijgen."
"Ben je bang?"
Een stilte. Langer dan hij had verwacht.
"Een beetje," zei ze. En de manier waarop ze het zei β zacht, met dat kleine trekje van kwetsbaarheid dat ze normaal bewaarde voor momenten die ze niet kon controleren β sneed door alles heen. De wetenschappelijke afstand. De analytische kalmte. Het sneed er dwars doorheen en liet niets over behalve dit: zijn dochter was bang en hij was drieduizend kilometer ver weg.
"Lotte. Luister naar me." Hij stond op. Liep naar de rand van het terras, waar de kademuur begon en de haven zwart en rusteloos onder hem lag. "Je bent niet gek. Wat je droomt is niet gevaarlijk. Maar ik wil dat je me precies vertelt wat je voelt. Niet alleen 's nachts. Overdag ook."
Stilte. Dan: "Hoe weet je dat er overdag ook iets is?"
De vraag raakte hem als een klap die hij had zien aankomen maar niet kon ontwijken. Ze is te slim. Ze hoort het aan mijn stem. Ze hoort dat ik niet verrast ben.
"Omdat dromen altijd een dagzijde hebben," zei hij. Waar genoeg om geen leugen te zijn. Vaag genoeg om geen waarheid te zijn.
"Oke. Ja. Er is overdag ook iets." Haar stem had een nieuwe klank β opluchting dat ze het eindelijk tegen iemand kon zeggen. "De Pieterskerk. Ik loop er bijna elke dag langs op weg naar Sophie. De laatste twee weken voelt het anders. Alsof de kerk me ziet. Niet eng. Meer alsof hij me herkent."
"En de Sterrewacht," ging ze verder. "Die oude sterrenwacht bij het Rapenburg. Gisteren moest ik stoppen. Ik moest van mijn fiets af en ik stond voor de deur en ik voelde β het was alsof het gebouw zoemde. Heel laag. Niet met mijn oren, meer met mijn botten. Alsof de frequentie zo laag was dat ik het niet kon horen maar wel kon voelen, in mijn ribben, in mijn kaken."
Infrasonore resonantie. Weizenbaum beschreef dit. Frequenties onder de twintig hertz. Typisch voor actieve zones.
"En Katwijk," zei Lotte. "Het strand bij Katwijk. Sophie en ik zijn er zondag geweest. Ik stond bij de waterlijn en ik voelde de zee trekken. Niet de golven β iets onder de golven. Alsof er iets op de bodem lag dat mij riep. Niet met een stem. Met een gevoel. Een soort magnetisme. Alsof ik een kompas was en ergens op de zeebodem lag het noorden." Ze lachte, maar het was geen vrolijke lach. "Sophie merkte niets. En ik stond daar en ik dacht: er ligt iets daarbeneden wat ik zou moeten kennen."
Maarten had opgehouden met schrijven. Katwijk. De Noordzee. Er was geen bekende zone bij Katwijk. Maar de Noordzee was oud β Doggerland, het verdronken land dat tienduizend jaar geleden boven water lag. De oudste sporen van rituele architectuur in Noord-Europa.
Er zou een zone kunnen zijn. Onder de Noordzee. Ongekaarteerd. En Lotte voelt hem.
"Lot. De gebouwen onder water, in je droom. Kun je me vertellen hoe de cirkels eruitzien?"
"Ik heb het getekend. Na gisterennacht. Wacht β"
Het geluid van een la die openging. Papier dat ritselde.
"Een grote cirkel. Daaromheen nog een cirkel. En nog een. Drie cirkels. En vanuit het midden gaan er β even tellen β acht lijnen naar buiten, als een ster. Maar de lijnen zijn niet recht. Ze buigen een beetje. Alsof ze spiralen zijn die er van veraf uitzien als rechte lijnen."
Maarten greep de leuning van zijn stoel. Drie concentrische cirkels. Acht radiaire structuren met een lichte spiraalvormige afwijking. Zes uur geleden voor het eerst gezien op het scherm van kapitein Soares' sonarapparatuur.
Lotte had het getekend in haar slaapkamer in Amsterdam. Vanuit een droom.
"Pap? Ben je er nog?"
"Ja. Lotte, ik wil dat je die tekening bewaart. Bewaar hem."
"Pap, je klinkt raar. Wat is er?"
"Er is niets." Er is alles. "Ik neem je serieus. Meer dan je denkt."
"Dat is precies wat iemand zegt die iets weet wat hij niet vertelt." Haar stem was scherper geworden. "Pap. Heeft dit iets te maken met je werk?"
De vraag hing tussen hen in, drieduizend kilometer glasvezelkabel en radiogolven. Hij dacht aan de laatste keer dat ze samen in de Pieterskerk hadden gestaan en ze had gezegd dat de ruimte luisterde, en hij had gelogen. Een omissie. Een versmalling van de waarheid tot het stuk dat veilig was.
Maar de dromen waren niet veilig. De dromen betekenden dat Lotte niet alleen gevoelig was β ze was verbonden. Op een manier die hij niet begreep en niet kon controleren.
"Lotte. Heb je de afgelopen weken iets gezien op mijn laptop? Kaarten, tekeningen, data?"
"Nee. Pap, ik snuffel niet in je spullen. Ik ben zestien, niet zes."
"Ik weet het. Sorry. Ik moest het vragen."
"Waarom moest je het vragen?"
Omdat wat je beschrijft onmogelijk is tenzij je het ergens hebt gezien. Omdat de structuur in je droom identiek is aan iets wat ik vandaag voor het eerst heb waargenomen op een sonarscherm halverwege de Atlantische Oceaan.
"Omdat je vader een wetenschapper is en wetenschappers vervelende vragen stellen. Beroepsafwijking."
"Hmm." Het geluid dat ze maakte als ze hem niet geloofde maar besloot het te laten gaan. "Pap. Denk je dat de dromen iets betekenen?"
"Lotte, wat je beschrijft β die gevoeligheid, de dromen, het gevoel dat de zee trekt β dat is niet niks. Het is ook niet gevaarlijk. Maar het is iets wat ik serieus neem. Ik wil dat je me belooft dat je belt als het sterker wordt. Dag of nacht."
"Je maakt me nu juist bang, pap."
De woorden raakten hem als koud water. Hij hoorde het in haar stem β de trilling van een zestienjarige die had gebeld om iets raars te delen met haar vader en die nu besefte dat hij niet reageerde als een vader die geruststelde, maar als iemand die een diagnose hoorde.
"Lot. Hey. Ik maak me geen zorgen." Hij dwong warmte in zijn stem. "Je bent ongelooflijk gevoelig. Dat is altijd zo geweest. Sommige mensen voelen dingen die anderen niet voelen. Dat maakt je niet gek. Het maakt je bijzonder."
"Dat is wat alle vaders zeggen."
"Maar deze vader is toevallig ook archeoloog. En ik vertel je er alles over als ik terug ben. Vrijdag. Zaterdag op zijn laatst."
"Oke." Een stilte. Hij hoorde haar vinger tegen haar telefoonhoesje tikken, die gewoonte die ze had sinds ze veertien was. "Pap? Nog een ding."
"Ja."
"In de droom. In die kamer met de gouden muren. Er is iemand. Niet een persoon β meer een aanwezigheid. Een gevoel dat er iemand is die al heel lang wacht. Niet op mij specifiek. Op wie dan ook die komt. En het voelt niet boos of eng. Het voelt β moe. Heel oud en heel moe. Alsof het wachten zo lang heeft geduurd dat het vergeten is waarop het wacht."
Maarten zei niets. De woorden echoden iets wat hij had gelezen in een Byzantijns manuscript dat twaalfhonderd jaar oud was, geschreven door een monnik op de Athos: In het hart van de drempel wacht de bewaker, en zijn wachten is ouder dan het wachten van de sterren.
"Pap?"
"Ik ben er." Zijn stem was schor. "Lotte, als de droom komt, observeer. Kijk. Probeer te onthouden wat je ziet. Maar wees niet bang."
Dat weet ik niet, dacht hij. Dat weet ik helemaal niet.
"Oke." Ze klonk geruster. Of misschien wilde ze geruster klinken, voor hem. Dat deden kinderen van zestien β ze beschermden hun ouders tegen hun eigen angst. "Slaap lekker, pap. En eet iets. Je vergeet altijd te eten als je aan het werk bent."
"Ik vergeet niet te eten."
"Mama zegt het ook."
"Mama en ik zijn het in ieder geval ergens over eens."
Ze lachte. Kort, warm, echt. Het mooiste geluid dat hij die dag had gehoord β mooier dan de pulsen van de oceaanbodem, mooier dan de ontdekking die zijn carriere had moeten definiΓ«ren.
"Welterusten, Lot."
"Welterusten."
De verbinding werd verbroken. Het scherm werd donker. Maarten bleef staan bij de kademuur, zijn telefoon in zijn hand, zijn gezicht naar de Atlantische Oceaan. Ergens daaronder, zeshonderdveertig meter diep, lagen de structuren die zijn dochter in haar dromen had gezien.
De glazen deur achter hem ging open.
"Maarten?" Yara droeg haar leeshandschoenen nog. "Ik hoorde je praten. Is allesβ" Ze stopte. Ze zag zijn gezicht. "Wat is er?"
"Lotte."
"Is zeβ"
"Fysiek is ze okΓ©." Hij liep terug naar de tafel. Legde het notitieboek voor haar neer. Concentrische cirkels. Acht radiaire lijnen. Spiraalvormige afwijking. Gouden verhoudingen. Pulserend licht. Netwerkperceptie.
Yara las. Haar ogen gingen van het notitieboek naar de laptop β het scherm nog verlicht, de sonardata van die middag nog zichtbaar. De cirkels. De lijnen. De structuur.
"Dit heeft ze beschreven?"
"Vanuit een droom. Ze heeft het getekend. Drie cirkels, acht lijnen. Precies wat wij vandaag hebben gezien."
"Ze is nooit hier geweest."
"Ze weet niet eens wat wij hier doen." Hij wreef met beide handen over zijn gezicht. "Yara. Ze beschreef de synesthetische perceptie. De infrasonore resonantie. Punt voor punt wat Weizenbaum documenteerde. Ze beschreef een aanwezigheid in de centrale kamer die overeenkomt met het Byzantijnse manuscript van de Athos. Ze voelt het netwerk."
Yara zette haar bril af. Wreef over de brug van haar neus β haar versie van een diepe ademhaling.
"Ze activeert," zei ze. Zacht. Alsof het woord zelf een drempel was.
"Ja."
"Tegelijk met de zones."
"Ja."
Een stilte die de textuur had van iets dat scheurt β langzaam, onherroepelijk.
"Weizenbaums data," zei Yara. "De biologische interactiegegevens. Elf proefpersonen met natuurlijke gevoeligheid. Bij drie van hen nam de gevoeligheid toe naarmate de zones actiever werden. Resonantiekoppeling β de persoon en de zone die op dezelfde frequentie afstemmen, elkaar versterken."
"Ik weet het."
"En als het Consortium dit weet β als ze naar gevoelige personen zoeken β"
"Dan is Lotte zichtbaar." Maarten stond op. De stoel schraapte over de stenen. "Misschien niet nu. Maar als de zones blijven activeren en zij blijft reageren β hoe lang voor iemand het opmerkt? Hoe lang voor een leraar haar opvalt, een psycholoog, een arts? En hoe lang daarna voor de verkeerde persoon er lucht van krijgt?"
Hij liep naar de kademuur. De zee was zwart en de hemel was zwart en het enige verschil was de lijn van de horizon, vaag en onzeker.
Dit is niet meer van mij, dacht hij. Dit is niet meer mijn puzzel. Mijn intellectuele avontuur. Saqqara was van mij. Het Vaticaan was van mij. De Azoren waren van mij. Maar dit is van haar. Lotte. Mijn dochter die in haar slaap de zeebodem ziet en in haar ribben de frequentie voelt van gebouwen die vierduizend jaar wachten op iemand die ze kan horen.
En ik kan haar niet beschermen door het geheim te houden. Maar ik kan haar ook niet beschermen door het te onthullen.
Er is geen goede optie. Er zijn alleen opties.
Yara stond naast hem. Ze zei niets. Ze hoefde niets te zeggen.
"We moeten sneller," zei Maarten. Zijn stem klonk anders β harder, dringender, de stem van iemand die niet langer zocht maar rende. "We moeten begrijpen wat er gebeurt met de zones voor het Lotte bereikt. Of voor iemand anders Lotte bereikt."
"Wat stel je voor?"
"We analyseren alles vannacht. Morgen duiken we. Ik wil zien wat daar beneden ligt β niet op een scherm, met mijn eigen ogen. En zodra we terug zijn in Nederland praat ik met Bakker. Over bescherming. Niet voor ons. Voor Lotte."
"En Lotte zelf?"
De vraag die hij niet wilde horen.
"Ik vertel het haar." De woorden kwamen eruit als een beslissing die al was genomen voordat hij het wist β niet een keuze maar een erkenning, het verschil tussen een deur openen en beseffen dat de deur al open was. "Niet alles. Niet nu. Maar genoeg om haar te laten begrijpen wat ze is. Genoeg om haar te laten weten dat ze niet gek is en niet alleen."
"Dat is gevaarlijk."
"Het is gevaarlijker om te zwijgen. Als iemand haar benadert β iemand zoals Reinhardt β dan staat ze daar zonder context, zonder verdediging, zonder enig idee waarom een vreemde zo geinteresseerd is in een zestienjarig meisje dat droomt over de zeebodem."
Yara knikte. Langzaam. Niet als iemand die het eens was, maar als iemand die begreep.
"We hebben drie dagen," zei ze. "Drie dagen om zoveel mogelijk te begrijpen. En dan gaan we naar huis. Naar Lotte."
Maarten pakte zijn telefoon. Opende de foto's van het sonarscherm. De cirkels. De lijnen. Toen opende hij de berichten van Lotte. Haar laatste bericht, van die ochtend: een foto van een pannenkoek met een gezicht van slagroom en blauwe bessen. Ontbijt van kampioenen.
De sonarstructuur en de pannenkoek. De zeebodem en het ontbijt. Twee werelden die in elkaar overliepen als water door een barst β langzaam, onvermijdelijk, en niet te stoppen.
"Laten we beginnen," zei hij.
Ze liepen naar binnen. De glazen deur viel achter hen dicht. Buiten lag de haven van Horta in de duisternis, de masten van de zeilboten als vingers die naar een hemel wezen waarin geen antwoorden stonden.
In Amsterdam sliep Lotte. En in haar slaap daalde ze af naar een zeebodem die ze niet kende, door water dat ze kon ademen, naar een kamer met gouden verhoudingen waar iets wachtte dat moe was van het wachten.
En in de kamer naast de haven opende haar vader de sonardata en begon te zoeken naar een manier om haar te beschermen tegen een wereld die groter was dan hij haar had verteld, groter dan hij zelf had gewild, en groter dan welke vader dan ook alleen kon dragen.