De Drempel van Hermes
Hoofdstuk 26 – Het Dagboek van Hermes
Het vliegtuig daalde door een laag wolken die het zonlicht veranderde in iets wits en vormloos, en toen ze erdoorheen braken, lag Alexandrië onder hen als een stad die zichzelf op de rand van de wereld had gebouwd.
Maarten keek door het raampje naar de kustlijn. De Middellandse Zee was een vlak van diep ultramarijn, en waar het water de stad raakte was er geen geleidelijke overgang — geen duinen, geen rietkragen, geen zachte grens. De stad stond er gewoon, met haar betonnen flatgebouwen en minaretten, alsof iemand een liniaal had getrokken tussen land en zee en gezegd: hier.
De stad van Alexander. De stad van de Bibliotheek. De stad waar de kennis van de antieke wereld bijeenkwam en weer uiteenviel.
Naast hem zat Yara met haar ogen dicht. Ze sliep niet — haar lippen bewogen zacht, en Maarten wist dat ze aan het vertalen was, ergens in haar hoofd een tekst aan het ontleden die niemand anders kon zien. Ze had de hele reis doorgebracht met kopieën van fragmenten uit het Corpus Hermeticum, passages uit de Asclepius, aantekeningen bij Demotische papyri uit het Ashmolean. Ze had ze gelezen en toen haar ogen gesloten, alsof ze de woorden niet op papier nodig had maar in de ruimte achter haar oogleden, waar ze ze kon draaien en kantelen en tegen het licht houden.
Dr. Hassan Khalil stond hen op te wachten achter de douane. Een compacte man van begin vijftig met een kort grijs baardje en ogen die de ruimte om hen heen leken te scannen met de waakzaamheid van iemand die gewend was aan omgevingen waar niet alles was wat het leek. Hij droeg een linnen pak dat de hitte elegant trotseerde.
"Yara." Hij omhelsde haar op de manier van oude collega's — kort maar warm, met een klopje op haar schouder. "Je ziet er moe uit."
"Ik ben moe, Hassan." Ze glimlachte, en Maarten zag voor het eerst in dagen iets in haar gezicht dat leek op ontspanning. "Dit is Professor Vos. Maarten."
Khalil schudde zijn hand. "Yara heeft me verteld over uw onderzoek. Niet alles, vermoed ik. Maar genoeg om te begrijpen dat het belangrijk is en dat het haast heeft." Zijn Nederlands was verrassend goed. "Ik heb zes jaar in Leiden gestudeerd. Uw kantoor in het Van Steenis-gebouw is drie deuren van mijn oude werkplek."
Ze reden door Alexandrië in Khalils oude Mercedes, langs de Corniche waar de zee glinsterde en vissers op de rotsen zaten als silhouetten tegen het licht. Bij een bocht in de kustweg wees Khalil naar het gebouw dat Maarten van foto's kende maar nooit in het echt had gezien: de nieuwe Bibliotheca Alexandrina. Het enorme cirkelvormige dak dat schuin uit de grond rees als een zonnewijzer, bedekt met letters uit alle schriftsystemen van de wereld — hiërogliefen, Arabisch, Grieks, Chinees, Latijn — alsof ze niet in de steen waren gehouwen maar eruit omhoogkwamen.
Alle schriften van de wereld op één muur. En ergens daarbinnen, als Khalil gelijk heeft, de oudste woorden van allemaal.
Khalil parkeerde niet bij de hoofdingang. Hij reed door een smal straatje en stopte bij een onopvallende deur met een elektronisch slot. "Wat jullie zoeken staat niet in de publieke collectie. Het is onderdeel van de collectie-Naguib — een privéverzameling, in bruikleen gegeven op voorwaarde dat ze niet publiek toegankelijk zou zijn zonder toestemming van de familie."
"En jij hebt die toestemming?" vroeg Maarten.
"Ik heb Farid Naguib — de kleinzoon — als student begeleid in Caïro. Hij vertrouwt me." Khalil hield zijn pasje voor de scanner. Het slot klikte. "Vertrouwen is de enige valuta die in dit land werkelijk telt, professor."
Ze daalden af via een gang die smal was en koel, de temperatuur merkbaar dalend bij elke stap. "De klimaatruimtes liggen acht meter onder zeeniveau," zei Khalil. "Constante temperatuur van achttien graden, luchtvochtigheid van vijfenveertig procent. Beter dan de meeste Europese archieven."
Kamer zeven was klein, zonder ramen, met indirect licht dat ontworpen was om papyrus en perkament te beschermen. In het midden stond een stalen tafel bedekt met archivaal schuim. Daarop lagen vijf objecten in zuurvrije dozen.
Yara bleef in de deuropening staan. Maarten zag het aan haar — de plotselinge stilte, de vernauwing van haar ogen, de manier waarop haar handen zich sloten en weer openden. Dezelfde reactie als in de British Library, in de Vaticaanse archieven, bij elk moment waarop ze in de nabijheid kwam van iets wat ouder was dan het menselijk vermogen om ouderdom te bevatten.
Khalil legde zijn hand op de grootste doos. "De vier kleinere dozen bevatten Ptolemeïsche papyri. Interessant, maar niet waarvoor jullie hier zijn." Hij opende de doos, trok katoenen handschoenen aan, en vouwde het zijdepapier open.
Het was geen rol. Het was een codex.
De band was van donker leer, gebarsten en verdroogd maar intact, met een patroon van geometrische lijnen die in het oppervlak waren gedrukt. De pagina's waren van perkament, dik en crèmekleurig, met de onregelmatige randen van handmatige productie.
"Derde, misschien vierde eeuw na Christus," zei Khalil. "Maar de tekst is ouder. Veel ouder. Een kopie van een tekst die volgens de colofon teruggaat op een origineel uit het Huis van Leven in Hermopolis."
Hermopolis. De stad van Thoth, de god van wijsheid en schrift. De stad die later geassocieerd werd met Hermes Trismegistus. Maarten voelde zijn hartslag versnellen.
"De taal?" vroeg Yara. Haar stem had een kwaliteit die hij niet eerder had gehoord — de toon van iemand die iets ziet waarvan ze wist dat het moest bestaan maar waarvan ze niet had durven geloven dat ze het ooit zou vinden.
"Demotisch Egyptisch, met Griekse annotaties van een latere hand."
Yara trok handschoenen aan. Er was een langzaamheid in haar bewegingen die verried dat ze zichzelf dwong om niet te haasten. Ze opende de codex bij de eerste pagina en las. Haar ogen bewogen van rechts naar links, haar lippen vormden woorden zonder geluid. Af en toe bewoog haar wijsvinger boven de tekst zonder het perkament aan te raken.
Ze keek op. Haar ogen waren vochtig. "Het is een handleiding," zei ze. "Maarten, het is een handleiding. Geen hymne. Geen gebed. Praktisch. Stap voor stap." Ze keek weer naar de tekst. "De titel: De Ademplaatsen van de Wereld."
Maarten boog zich voorover. Hij kon Demotisch niet lezen, maar hij zag de structuur: korte secties met koppen in rode inkt, en diagrammen — schematische tekeningen van menselijke figuren in verschillende houdingen, met lijnen die van hun lichaam uitstraalden naar punten in de ruimte.
"Het is toegeschreven aan Hermes Trismegistus," zei Yara, "maar niet als geopenbaarde wijsheid. Het staat hier: opgetekend door de priesters van het Huis van Leven, zij die de ademplaatsen bewaken, in de traditie van de Driemaal Grote, wiens naam wij dragen als titel en niet als persoon."
"Als titel," herhaalde Maarten. "Niet als persoon."
"Hermes Trismegistus is hier een functie. Een ambt. Een lijn van priesters die de kennis doorgaven." Haar ogen lichtten op. "De Renaissance-geleerden — Ficino, Pico della Mirandola — dachten dat ze mystieke openbaring vertaalden. Maar de oorspronkelijke bron was technisch."
Ze sloeg pagina's om, las snel, bladerde soms terug. Toen hield ze stil.
"Luister. Ik vertaal zo letterlijk mogelijk."
Haar stem had de cadans van iemand die woorden uitspreekt die tweeduizend jaar hebben gewacht om gehoord te worden.
"De wereld ademt. Op sommige plaatsen is haar adem zichtbaar. Op deze plaatsen wordt de drempel dun. Wie de adem volgt, betreedt de drempel. Wie de drempel betreedt, keert niet terug als dezelfde."
De woorden bleven hangen in de klimaatgecontroleerde lucht. Maarten voelde ze als gewicht — het gewicht van eeuwen waarin ze ongelezen waren gebleven.
De tekst was verdeeld in wat Yara ademwijzen noemde. De eerste beschreef de plaatsen zelf — geografisch, in termen van landschap, seizoenen en sterrenposities. "Waar het water de steen ontmoet en de wind uit het westen komt. Waar de aarde omhoogrijst tot een punt en de sterren van de Jager recht boven dat punt staan in het koudste deel van het jaar."
"Ze komen overeen met de transitiezones op Brouwers kaart," fluisterde Yara. "Ze kenden het netwerk. Ze hadden het al in kaart gebracht."
De tweede sectie bevatte de instructies zelf. "Sta met het gezicht naar het punt waar de adem het sterkst is. Dit punt is kenbaar doordat de lucht er trilt als water boven een vuur, hoewel er geen warmte is."
"Adem in het ritme van de plaats. Elke ademplaats heeft een eigen ritme. Het ritme is kenbaar doordat het lichaam het herkent wanneer het stil genoeg is om te luisteren. Adem in als de aarde inademt. Adem uit als de aarde uitademt. Doe dit tot het verschil tussen uw adem en de adem van de plaats verdwijnt."
"Akoestische resonantie," zei Maarten. "Het afstemmen van het lichaam op de frequentie van de locatie."
"Richt de aandacht op de grens van het gezichtsveld. Niet op wat u ziet, maar op de rand van wat u ziet. Daar waar het zien ophoudt en het niet-zien begint. De grens zelf is de drempel."
"Wanneer de drempel zichtbaar wordt — als een verandering in de kwaliteit van de lucht, een verdichting, als mist die geen mist is — loop niet naar voren. Loop niet naar achteren. Sta stil. De drempel komt naar u toe. Wie de drempel zoekt, verliest hem. Wie stilstaat, wordt gevonden."
"Wanneer de drempel u vindt, zult u voelen dat de wereld doorzichtig wordt. Niet onzichtbaar — doorzichtig. U zult haar nog zien, maar u zult ook zien wat erachter ligt. Dit is het moment van keuze. Wie op dit moment verlangt naar wat erachter ligt, zal erdoor worden opgeslokt. Wie aanwezig blijft — hier en daar tegelijk, ademend in beide werelden — die betreedt de drempel zonder erdoor verteerd te worden."
Stilte.
Maarten dacht aan Andalusië, aan het moment in de grot toen de lucht had getrild en de ruimte om hem heen niet veranderde maar verdubbelde, alsof er een tweede laag werkelijkheid onder de eerste vandaan scheen. Hij had het afgedaan als vermoeidheid. Maar het was echt. Het was precies wat deze tekst beschrijft.
"Er is nog een sectie," zei Yara. Haar stem klonk waarschuwend. Ze had doorgebladerd naar de laatste pagina's.
"De drempel is geen deur. Een deur scheidt twee kamers die elk op zichzelf bestaan. De drempel is de plek waar twee werelden samenvallen. Wie de drempel betreedt, betreedt de overlapping. En in de overlapping gelden de wetten van geen van beide werelden volledig."
"Wie hem betreedt om te vluchten, zal ontdekken dat er niets is om naartoe te vluchten. Wie hem betreedt om te bezitten, zal ontdekken dat er niets is om te bezitten. Wie hem betreedt uit nieuwsgierigheid zal veranderd worden, en die verandering is onomkeerbaar."
"Wij, de bewakers van de ademplaatsen, waarschuwen niet omdat de drempel slecht is. De drempel is noch goed noch slecht. De drempel is. Wij waarschuwen omdat de mens die de drempel betreedt zonder voorbereiding zichzelf zal verliezen — niet aan de dood, maar aan de onmogelijkheid om terug te keren naar wat hij was. En een mens die niet kan terugkeren naar wat hij was, maar niet begrijpt wat hij is geworden, is verloren op een manier die erger is dan de dood."
Maarten las de Griekse annotaties in de marge. De annotator — waarschijnlijk een priester uit de late oudheid — had geschreven: Dit is wat de Smaragden Tafel bedoelt met 'wat boven is, is als wat beneden is'. Niet een metafoor. Een beschrijving van de overlapping. De Driemaal Grote sprak niet in symbolen. Wij hebben er symbolen van gemaakt omdat we de letterlijke betekenis niet konden verdragen.
Wij hebben er symbolen van gemaakt omdat we de letterlijke betekenis niet konden verdragen. Maarten herhaalde de zin in zijn hoofd. De hele hermetische traditie — de Smaragden Tafel, het Corpus Hermeticum, de eeuwen van alchemie en mystiek — was gebouwd op teksten waarvan de oorspronkelijke betekenis niet symbolisch was geweest maar letterlijk. Bij elke vertaling, elke kopie, was het praktische iets meer mystiek geworden, het concrete iets meer abstract, tot niemand meer wist dat het handleidingen waren geweest.
"De werkwoordsvorm," zei Yara plotseling. "De tegenwoordige-elders-vorm uit Oxford. Die spr.tw-constructie. Dit is de context. De Egyptenaren hadden grammatica voor tegelijkertijd-hier-en-elders omdat het een ervaring was die ze regelmatig hadden."
Bij de waarschuwingspassage had de annotator geschreven: Ik heb gezien wat er gebeurt met hen die de drempel betreden zonder voorbereiding. In Thebe heeft een jonge priester de ademplaats betreden terwijl zijn geest vol was van angst. Hij is teruggekeerd. Maar wat terugkeerde was niet meer geheel wat was vertrokken. Hij sprak in twee stemmen. Na zeven dagen is hij de woestijn ingelopen en niet teruggekeerd.
"Consistent met de overlappingstheorie," zei Yara bleek. "Als iemand terugkeert zonder de overlapping volledig te verlaten, blijft hij gedeeltelijk in beide werkelijkheden aanwezig. Voor ons is het pathologie. Voor hen was het een mislukking van techniek. Daarom zijn de instructies er. Niet als ritueel. Als veiligheidsprotocol. Zoals je een handleiding hebt voor radioactief materiaal."
Khalil, die al die tijd had gezwegen, stond op. "Jullie moeten iets weten. Twee weken geleden heeft iemand dezelfde tekst aangevraagd via officiële kanalen. Een Zwitserse onderzoeksinstelling. Het verzoek is afgewezen door Farid Naguib. Maar de organisatie die het aanvroeg — ik vond niets. Geen website. Geen publicaties. Alleen een registratie in het Zwitserse handelsregister."
"Het Prometheus Initiative," zei Maarten.
Khalil knikte. "Ze weten dat het hier is. Ze weten wat het is. En ze willen het hebben."
Yara fotografeerde elke pagina — methodisch, precies, met kleurkaart en liniaal in beeld. Ze sloeg de bestanden op twee geheugenkaarten op en stopte ze in verschillende zakken. Een voorzorgsmaatregel die een maand geleden paranoia zou hebben geleken.
"We hebben de instructies," zei Maarten. Hij keek naar de codex. Tweeduizend jaar oud. Generaties van priesters die de kennis hadden doorgegeven — niet uit bijgeloof, maar uit het besef dat sommige dingen te belangrijk waren om te vergeten en te gevaarlijk om onzorgvuldig te gebruiken.
En nu hebben wij het. Twee academici en een gepensioneerde archivaris in een kelder in Alexandrië. En ergens daarbuiten een organisatie met onbeperkte middelen die hetzelfde wil.
"De vraag is niet of we deze instructies kunnen gebruiken," zei hij.
"Nee," zei Yara. Ze sloot de codex voorzichtig. "De vraag is of we het moeten doen. En wat er gebeurt als wij het niet doen — maar zij wel."
Khalil deed het licht boven de tafel uit. In de halve duisternis gloeide alleen het groene lampje van het klimaatbeheersingssysteem. Het ademde, dacht Maarten. Een mechanische long die de temperatuur constant hield, zodat de woorden op het perkament bewaard bleven voor de volgende tweeduizend jaar.
De wereld ademt. Op sommige plaatsen is haar adem zichtbaar.
Ze verlieten kamer zeven in stilte en liepen de helling op, terug naar het oppervlak. Toen ze de deur openden en het laat-middagse zonlicht hen raakte, bleef Maarten even staan op de drempel. Het woord had een andere lading gekregen. Elke deur was nu een herinnering aan wat hij had gelezen.
De zon stond laag boven de haven. Het water van de Middellandse Zee schitterde als gehamerd koper. Ergens voor de kust, onder dat water, lagen de resten van het oude Alexandrië — de haven van Cleopatra, de fundamenten van de vuurtoren. Een hele wereld, verzwolgen door de zee, maar niet verdwenen. Alleen onzichtbaar. Alleen wachtend.
Zoals de kennis. Het was er altijd. We hoefden alleen maar te leren kijken.
"Het vliegveld," zei Yara. "We moeten terug naar Europa. Nu."
Khalil voegde in het verkeer. De Mercedes verdween in de stroom van auto's en bussen die door Alexandrië bewoog als bloed door de aderen van een stad die al drieëntwintig eeuwen leefde en stierf en opnieuw leefde, laag op laag, als de pagina's van een boek dat nooit af was.
Op de achterbank drukte Maarten zijn hand tegen zijn jaszak en voelde de geheugenkaart door de stof. Klein en hard en onbeduidend. Tweeëndertig gigabyte.
Maar de woorden die ertoe deden, waren er maar een paar.
Wie de drempel betreedt, keert niet terug als dezelfde.
Hij keek naar de zee die achter de gebouwen verdween, en hij vroeg zich af of dat een belofte was of een waarschuwing.
Of allebei.