De Drempel van Hermes

Hoofdstuk 27 – De Val

Het begon met een e-mail.

Maarten zag hem om 07:14 op maandagochtend, terwijl hij in de keuken stond met een mok koffie die nog te heet was om te drinken. De afzender was dr. P.J.M. Groenewold, voorzitter van de Commissie Onderzoeksintegriteit, Faculteit der Geesteswetenschappen. Het onderwerp: Betreft: kennisgeving schorsing onderzoeksfinanciering — zaaknummer OI-2024-0347.

Hij zette de mok neer. Buiten lag het Rapenburg er grijs bij in het vroege ochtendlicht.

Geachte professor Vos, de Commissie Onderzoeksintegriteit heeft kennisgenomen van een formele klacht betreffende uw gebruik van universitaire middelen in het kader van uw onderzoeksproject "Vergelijkende analyse van sacrale architectuur in het Mediterrane bekken". De klacht heeft betrekking op vermeend oneigenlijk gebruik van onderzoeksgelden. Conform het Reglement Wetenschappelijke Integriteit is uw onderzoeksfinanciering per heden opgeschort, in afwachting van...

Hij las niet verder. De taal was voorspelbaar, de formuleringen standaard. Opschorting. Onderzoek. Hoor en wederhoor. Het hele ritueel van de academische inquisitie, uitgeschreven in paragrafen en subparagrafen.

Wie?

De klacht was anoniem — de e-mail verwees naar "een melding die langs de geeigende kanalen is binnengekomen." Iemand die wist welke knoppen er moesten worden ingedrukt. Die wist dat een klacht automatisch leidde tot opschorting, ongeacht de inhoud, ongeacht de vraag of de beschuldiging enige grond had. Het mechanisme was het wapen. Niet de waarheid van de aanklacht, maar het bestaan ervan.

Om 08:23 belde Yara.

"Ze hebben mijn veldvergunningen ingetrokken." Haar stem was vlak. Niet kalm — vlak, op de manier waarop iemand spreekt die al voorbij de eerste schok is. "Het Ethics Committee heeft een review aangekondigd. Anonieme melding dat ik in Saqqara artefacten zou hebben verwijderd zonder autorisatie van het Supreme Council of Antiquities."

"Dat is niet waar."

"Natuurlijk is het niet waar. Elk object is gedocumenteerd, gefotografeerd en ter plaatse gebleven. De Egyptische autoriteiten hebben mijn eindrapport goedgekeurd." Ze pauzeerde. "Maar dat doet er niet toe. Zolang de review loopt, zijn al mijn vergunningen opgeschort. Niet alleen voor Egypte — voor alles. Elke lopende aanvraag, elk project. Alles bevroren."

Hetzelfde mechanisme. Precies hetzelfde mechanisme.

"Maarten, ik heb vijftien jaar gewerkt aan mijn relatie met het SCA. Vijftien jaar. En nu kan een anonieme melding dat in een ochtend wissen."

"Niet wissen. Opschorten."

"In de academische wereld is dat hetzelfde. Als je een jaar stilligt, ligt je twee jaar achter. Als je twee jaar achterligt, ben je irrelevant."

Stilte op de lijn. Het geluid van twee mensen die hetzelfde beseffen.

"Dit is gecoordineerd," zei Yara.

"Het Prometheus Initiative."

"Ja."

De tweede klap kwam om halfelf.

Bakker stuurde een sms: Bel me. Veilig. Maarten haalde de prepaid-telefoon uit zijn nachtkastje — het toestel dat Bakker hem drie weken eerder had gegeven — en draaide het nummer dat hij uit zijn hoofd kende.

"Ik ben overgeplaatst." Ze sprak snel, zakelijk. "Het onderzoek naar de verdwijningen is gedeprioriteerd. Ik ben fulltime toegewezen aan mensensmokkel via de Balkanroute."

"De verdwijningen —"

"Koude zaken. De woorden van adjunct-directeur Lindqvist, vanmorgen om negen uur, in een vergadering die pas gistermiddag op de agenda werd gezet." Haar stem was hard. "Mijn rapporten over de drempellocaties zijn aangemerkt als 'speculatief' en verwijderd uit het dossier. Lindqvist zei dat Europol zich richt op 'echte misdaad, niet op pseudowetenschap'."

Pseudowetenschap. Het woord dat een heel onderzoek reduceert tot een lachertje. Je hoeft geen bewijs te vernietigen als je het kunt afdoen als fantasie.

"Lindqvist," zei Maarten. "Ken je zijn achtergrond?"

"Twee jaar geleden overgestapt van Interpol. Daarvoor directeur van Cerberus Consulting. Opgericht drie jaar geleden." Ze liet de woorden hangen. "In Zurich."

Zurich. Drie jaar geleden. Dezelfde stad, hetzelfde tijdstip als het Prometheus Initiative.

"Ze zitten overal, Maarten," zei Bakker. "Ze hoeven alleen maar een man op de juiste stoel te hebben die de juiste beslissing neemt op het juiste moment. Het systeem doet de rest."

Drie aanvallen. Drie fronten. Dezelfde ochtend. Dezelfde methode. Geen geweld. Alleen formulieren en procedures en de mechanische precisie van systemen die doen waarvoor ze zijn ontworpen.

De derde klap kwam om kwart over twaalf.

Brouwer nam pas op na de zevende keer overgaan. Zijn ademhaling was zwaar, onregelmatig.

"Ze zijn hier geweest." Zijn stem was gebroken. Porselein dat is gevallen en weer in elkaar is gelijmd, de barsten zichtbaar. "Twee mannen. Pakken. Duur. Een brief van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Een formeel verzoek om — een inventarisatie van privecollecties die mogelijk archeologische objecten van publiek belang bevatten."

Hij hoestte. Nat en diep.

"Het was geen verzoek. Het was een dreiging. Ze wilden mijn kelder zien. De notitieboeken." Weer de hoest. "Ik heb ze weggestuurd. Toen zei de langste — een man met ogen als lege kamers: 'Professor Brouwer, we maken ons zorgen over uw gezondheid. Een man van uw leeftijd, alleen in dit grote huis. Ongelukken gebeuren zo snel.'"

"Was het een dreigement?"

"Het was een feit. Uitgesproken als een dreigement." Stilte. Dan, smaller: "Mijn hart. Sinds vanmorgen. Het doet het niet goed. Ik heb de notitieboeken verplaatst, gisteren al. Ze zijn veilig. Maar ik —" Zijn stem haperde. "Ik kan dit niet meer, Maarten. Ik ben tweeenzeventig. Ik heb vijfendertig jaar gezwegen en twee jaar gesproken en nu komen ze alsnog."

De zin eindigde niet. Maarten hoorde alleen ademhaling, en de klok in Brouwers huiskamer.

"Hendrik. Rust. Wacht op de huisarts. Ik regel het."

"Wat valt er te regelen?" De vraag was niet bitter. Hij was leeg.

Om twee uur kwam het bericht uit Alexandrie.

Dr. Amira Hassan, de conservator van de Bibliotheca Alexandrina. Een korte e-mail, formeel, definitief.

Geachte professor Vos, de codex (inventarisnummer BA-MS-1147, "Codex Hermeticum Alexandrinus") is op verzoek van de International Board for Manuscript Conservation overgebracht naar een gespecialiseerde conserveringsfaciliteit. Verdere toegang is op dit moment niet mogelijk.

De Hermes-tekst. De sleutel tot alles. Weg.

Hij zocht de IBMC op. Het bestuur bestond uit twaalf leden. De derde naam: Lord Alistair Pemberton. De zesde: Eleonore Desforges. De elfde: Dr. Kaspar Vollmer, directeur van een Zwitserse stichting geregistreerd op een adres in Zurich dat hij herkende uit Bakkers dossier.

Ze hebben de codex niet gestolen. Ze hebben hem verplaatst. Via een commissie. Via een procedure. Ze hebben hem opgeslokt in het systeem.

Yara wist het al. "Amira belde me in tranen. Ze kon er niets tegen doen. De IBMC heeft prioriteitsrecht. Juridisch waterdicht."

"Waar is de codex nu?"

"Een faciliteit in Geneve. Institut Europeen pour la Preservation des Manuscrits Anciens. Een kantoorpand in een buitenwijk en een telefoonnummer dat niet wordt opgenomen." Ze ademde uit. "Het is een zwart gat. Ze zullen zeggen dat de conservering meer tijd kost dan verwacht. Dat het manuscript te fragiel is. En langzaam zal iedereen het vergeten."

Om halfvier ontdekte hij de hack.

Een foutmelding bij het inloggen op de universitaire cloud. Ongeldig wachtwoord. Opnieuw. Dezelfde melding. Wachtwoord vergeten — geen reset-mail. Het account bestond niet meer.

Zijn Google Drive. De map "Hermes Project" — scans, transcripties, analyses, kaarten, drie maanden werk — was leeg. Niet verwijderd. Leeg. Elke submap bestond nog, dezelfde namen, dezelfde structuur. Maar zonder inhoud. Als een huis waaruit alle meubels zijn gehaald.

De externe harde schijf. Geformatteerd. Encryptie, een wachtwoord van twintig tekens. Het maakte niet uit.

De SD-kaart.

Maarten stond op zo snel dat zijn stoel viel. Naar de slaapkamer, de boekenkast, derde plank van boven, het exemplaar van Braudels La Mediterranee, pagina 347 — de SD-kaart die Weizenbaum had verborgen voor zijn dood, het enige exemplaar van dertig jaar geomagnetisch onderzoek.

Het boek stond er nog. Dezelfde plek, dezelfde hoek.

De SD-kaart was weg.

Er zat een Post-it op de pagina. Klein, geel, in keurig handschrift een enkel woord: Dank.

Ze waren in zijn huis geweest. Hadden geweten waar ze moesten zoeken. Hadden het boek gevonden, de kaart gepakt, het briefje achtergelaten. Zonder sporen. Zonder schade. Zonder haast.

Hij keek om zich heen in de slaapkamer — het bed, de kast, de foto op het nachtkastje van Lotte op het strand, zand op haar neus, die glimlach — en alles zag er hetzelfde uit en niets voelde meer hetzelfde. Elk object was nu een object dat iemand anders had gezien, had aangeraakt, had beoordeeld.

"Mijn data zijn weg," zei hij tegen Yara. "Alles. En de SD-kaart — ze zijn hier binnen geweest."

"Mijn laptop ook. Gehackt. Minstens drie weken lang. Ze hebben alles meegelezen. Elke mail, elk document, elke hypothese." Haar stem was vlak als een horizon. "En vanmorgen schoongeveegd."

"Drie weken. Ze wisten alles. Terwijl wij dachten dat wij de jagers waren."

"Wat hebben we nog?"

"Niets."

De avond viel. Maarten had de lampen niet aangedaan. Hij zat in het donker van zijn keuken, in het blauwgrijze halfduister van straatlantaarns op grachtwater. De Vermeer aan de muur was een schim geworden.

Hij telde verliezen. Financiering: weg. Reputatie: onder aanval. Data: gewist. De Hermes-codex: verdwenen in een bureaucratisch zwart gat. Weizenbaums nalatenschap: gestolen. Bakker: monddood. Brouwer: bedreigd, zijn hart bezwijkend. Yara: afgesneden.

Ze hebben geen enkel schot gelost. Ze hebben formulieren ingevuld en commissies ingeschakeld en het systeem zijn werk laten doen. En het systeem heeft ons vermalen.

De macht van het Prometheus Initiative was niet de macht van wapens. Het was de macht van posities — de juiste naam op de juiste stoel. De macht om een telefoontje te plegen dat een carriere bevriest, een codex te laten verplaatsen met een handtekening, een politieonderzoek te deprioriteren met een vergadering. Het banale. Het procedurele. De wereld zoals die is ingericht.

Het was erger dan Kafka. Bij Kafka was het systeem absurd. Hier was elke stap logisch, elke procedure correct, elke beslissing verdedigbaar. En het resultaat was totale ontmanteling.

Hij dacht aan Weizenbaum. Ze hoeven je niet te vermoorden. Ze hoeven alleen maar alles af te nemen wat je bent. Ze laten je leven, maar ze nemen je bestaan af.

Hij dacht aan Lotte. Elf jaar oud. De drempels voelend zonder te weten wat ze waren. Onbeschermd in een wereld waarin machtige mensen beslisten wat er geweten mocht worden.

Wat heb ik over haar afgeroepen?

Zijn prepaid-telefoon trilde. Bakker: Prometheus Initiative heeft vandaag de rector van Leiden ontmoet. Officieel: "een donatie aan het archeologisch instituut." Je weet wat het betekent.

De rector. De man die over zijn aanstelling ging, zijn tenure, zijn toekomst. Compleet. Elke steunpilaar ondermijnd. Steen voor steen afgebroken, niet met hamers maar met handtekeningen.

Maarten zat in het donker en voelde het gewicht van de dag als lood. Dit was geen roman. Er was geen auteur die de draden vasthield. Er was alleen deze keuken, dit donker, en het besef dat hij niet alleen was maar omsingeld.

Om negen uur ging de prepaid-telefoon.

Geen nummer. Hij nam op.

"Vos." Zijn stem klonk schor. De stem van iemand die de hele dag niet heeft gesproken.

"Ze hebben mij ook uitgeschakeld."

Victor Asselbergs. De stem was onmiskenbaar — diep, gecontroleerd. Maar eronder klonk iets wat Maarten niet eerder had gehoord. Kwetsbaarheid.

"Mijn positie in het bestuur is opgeschort. Mijn toegang tot de Aureum-fondsen geblokkeerd. Het Prometheus Initiative heeft een buitengewone vergadering bijeengeroepen zonder mij. Ze stemmen morgen over een mandaat dat mij buitensluit."

"U belt mij." Victor Asselbergs, de man die het evenwicht had proberen te bewaren, belde nu hem. Op een prepaid-telefoon. In het donker.

"Ik bel u omdat er niemand anders meer is." De droge constatering van een strategist op nul opties. "Luister. Ze stoppen niet bij vandaag. Dit was fase een — institutionele ontmanteling. Fase twee is isolatie. Fase drie —"

Hij zweeg.

"Fase drie," herhaalde Maarten.

"Weizenbaum was fase drie."

De woorden vielen als stenen in water. Maarten voelde ze zinken naar een diepte waarvan hij had gehoopt dat die niet bestond.

"Er is maar een plek waar ze ons niet kunnen volgen," zei Asselbergs. In de stilte hoorde Maarten verkeer, een claxon. De man was buiten. Op straat. Op de vlucht. "De systemen die ze controleren — universiteiten, commissies, fondsen, politie — dat zijn menselijke systemen. Daarin winnen wij niet."

"Waar dan?"

"De drempels, Vos. De transitiezones. De plekken waar hun systemen niet reiken. Waar hun geld geen invloed koopt." Zijn stem had een kwaliteit die Maarten niet kon plaatsen — niet wanhoop, niet hoop, maar iets ertussenin. "U hebt de tekst gelezen. U weet wat de codex beschreef."

"Ze hebben de codex."

"Ze hebben het perkament. Maar u hebt de woorden. In uw hoofd. Of gaat u mij vertellen dat u de tekst niet uit uw hoofd kent? Een man die drie weken heeft besteed aan het ontcijferen van elke letter?"

Maarten sloot zijn ogen. En ja — daar waren ze. De woorden. Koptisch, Grieks, Demotisch, in lagen over elkaar als palimpsest. De instructies over afstemming en frequentie en de geometrie van de geest. De codex was weg, maar de tekst zat in hem, gegraveerd als inscripties in tempelmuren.

Ze kunnen alles afnemen. Maar ze kunnen niet afnemen wat ik weet.

"Vier uur," zei Asselbergs. "Ik stuur een adres. Vertel het aan niemand. Kom alleen."

De verbinding werd verbroken.

Maarten legde de telefoon neer. Hij zat stil in het donker, in het appartement dat niet meer van hem voelde, in de stad die niet meer veilig was. Zijn carriere lag in puin. Zijn data waren gewist. Zijn team verspreid. Zijn mentor ziek van angst. De bewijzen verdwenen in de ingewanden van het systeem.

Maar de woorden van de Hermes-tekst gloeiden in zijn geheugen als letters van vuur. En de drempels bestonden. Dat konden ze niet ongedaan maken. Niet met formulieren. Niet met commissies. Niet met alle bestuursvergaderingen ter wereld.

Hij stond op. Pakte zijn jas. Controleerde of de prepaid-telefoon in zijn binnenzak zat. Keek een laatste keer naar de donkere keuken, de koude koffie, de Vermeer die hij niet meer kon zien — de vrouw bij het raam, wachtend op licht dat niet kwam.

Of misschien, dacht hij terwijl hij de deur opende en de koude nachtlucht zijn gezicht raakte, misschien wacht ze niet op het licht. Misschien is ze het licht al voorbij.

Hij trok de deur dicht en liep de nacht in.