De Drempel van Hermes

Hoofdstuk 28 – De Laatste Kaart

De weg naar het noorden was leeg.

Maarten reed met gedoofde koplampen over smalle dijkwegen, geleid door het bleke licht van een wassende maan die laag boven de horizon hing. De instructies van Asselbergs waren precies geweest: een verlaten kerk bij Eenrum, honderd meter van de weg, omgeven door akkers die zich uitstrekten tot aan de grens van zichtbaarheid. Hij had het adres van een prepaid-sms, een reeks cijfers die hij had ontcijferd met een code die Asselbergs hem in Genève had gegeven — een verschuivingscijfer gebaseerd op de gulden snede, elegant en onkraakbaar voor wie de sleutel niet kende.

Het was even na drieën toen hij de toren zag. Een donkere vinger tegen de nachtelijke hemel, grijs steen dat ouder was dan alle systemen die hem nu achtervolgden. De kerk stond in een cirkel van hoge bomen — beuken die hun kale takken als een ribbenkast om het gebouw hadden gevouwen. Een plek die ooit had geleefd van stemmen en geloof, en die nu alleen nog leefde van stilte.

Maarten parkeerde de auto achter een vervallen schuur, vijftig meter van de kerk vandaan. Hij liet de motor draaien, zijn hand op de sleutel, nog steeds twijfelend. Dit was het moment waarop hij zich terug kon trekken. Hij kon naar Amsterdam rijden, naar Lotte, haar wakker maken en alles vertellen. Haar meenemen. Ergens heen waar niemand hen zou vinden.

Maar waar was dat? Welke plek op aarde lag buiten het bereik van het Prometheus Initiative? Ze hadden Yara in Caïro gevonden, hadden Bakker in Den Haag bereikt, hadden Brouwer in Leiden laten trillen van angst. Hun netwerk strekte zich uit als een onzichtbaar web over elk continent, elke stad, elke instelling.

Behalve de drempels.

Hij draaide de sleutel om. De stilte vouwde zich om hem heen als een deken die te koud was om te troosten.

De kerk had geen deur meer. Het portaal gaapte open, een zwarte rechthoek waarin niets bewoog. Maarten liep ernaartoe over gras dat bevroren was onder zijn voeten, elke stap een zacht gekraak dat de stilte niet brak maar bevestigde. De lucht rook naar komende sneeuw, naar ijzer en steen en de vage zoetheid van vergaan hout.

Binnen was het donkerder dan hij had verwacht. Zijn ogen hadden enkele seconden nodig om zich aan te passen. Toen zag hij de omtrekken van het interieur: kale muren waarvan de pleisterlaag in grote plakken was afgebladderd, een preekstoel die scheef tegen de noordmuur leunde als een dronken wachter, rijen afgebroken kerkbanken die als gebroken ruggengraten over de vloer lagen. En in het midden, onder het oog van het koor waar ooit een raam had gebrand met gekleurd licht, een enkele gestalte.

"Meneer Vos."

De stem van Asselbergs klonk anders dan aan de telefoon. Voller, resonanter, alsof hij de akoestiek van de ruïne gebruikte om zichzelf volume te geven dat zijn lichaam niet meer kon leveren. De oude man stond kaarsrecht, een donkere jas tot zijn enkels, zijn handen gevouwen voor zijn lichaam. Zelfs in het halfduister zag Maarten de intensiteit van zijn blik — die leigrize ogen die niets lieten ontsnappen.

"U bent gekomen," zei Asselbergs. Het was geen vraag. Het was een vaststelling, uitgesproken met de opluchting van iemand die een gok heeft genomen en wint.

"Ik had geen keuze," antwoordde Maarten. Zijn stem klonk vreemd in de leegte van het gebouw — gedempt en tegelijkertijd versterkt, alsof de ruïne zijn woorden kauwde voordat ze de ander bereikten. "Ze hebben alles weggenomen. Alles behalve —"

"Behalve wat u weet." Asselbergs knikte langzaam, een beweging die eerder ceremonieel was dan bevestigend. "Kennis die niet op schijven staat opgeslagen. Niet in databases. Niet in archieven waar ze toegang toe kunnen kopen of stelen." Hij deed een stap naar voren. Het maanlicht dat door een gat in het dak viel tekende zijn profiel scherp af — de hoge jukbeenderen, de ingevallen wangen, de mond die een dunne lijn was. "U hebt de codex gelezen, meneer Vos. U hebt hem bestudeerd. En ik vermoed dat u hem zich herinnert op een manier die u zelf verbaast."

Maarten zweeg. Het was waar. De weken die hij met de Hermes-codex had doorgebracht in de kelder van de Bibliotheca Alexandrina waren niet als normale studiedagen geweest. De tekst had zich in zijn geheugen gebrand met een intensiteit die niets te maken had met zijn geheugen zelf — hij had nooit een fotografisch geheugen gehad, had op de middelbare school moeite gehad met het onthouden van data en formules. Maar de codex was anders. De woorden hadden zich genesteld in een deel van zijn bewustzijn dat dieper lag dan het declaratieve geheugen, dieper dan de hippocampus en de temporale kwabben. Ze zaten in hem zoals zijn moedertaal in hem zat — niet als iets dat hij had geleerd, maar als iets dat hij was.

Hij kon passages oproepen met een helderheid die hem angst aanjoeg. Hele pagina's stonden voor zijn geestesoog, compleet met de krassen op het velijn, de variaties in de kleur van de inkt, de annotaties in de marge die een onbekende hand er eeuwen later aan had toegevoegd.

"De kaart," zei Asselbergs zacht, en het woord had een gewicht dat niet paste bij zijn twee lettergrepen, "is niet langer een voorwerp. Het is geen SD-kaart, geen document, geen bestand dat kan worden gewist met een druk op een knop. Het is u." Hij wees naar Maarten met een hand die niet meer trilde — of die zo vastberaden was dat het trillen niet meer zichtbaar was. "U draagt het netwerk nu in uw hoofd. Elke locatie, elke beschrijving, elk protocol. De codex is van perkament naar vlees gegaan. Van inkt naar synaps."

Hij glimlachte, een dunne lijn die geen warmte bereikte maar die iets anders bevatte — respect, misschien, of de grimmige humor van een schaker die de enige overgebleven zet ziet.

"U bent de laatste kaart, meneer Vos. De enige kopie die ze niet kunnen wissen."

Het duurde even voordat de volledige betekenis doordrong. Maarten voelde iets in zijn borst samentrekken — niet angst, niet trots, maar het gewicht van een verantwoordelijkheid die hij niet had gevraagd en niet kon weigeren. De hele erfenis van het Hermes-netwerk, duizenden jaren kennis over de drempels en hun werking, hing nu af van het brein van één man. Van zijn brein.

"Ze zullen me zoeken," zei hij.

"Natuurlijk zullen ze dat." Asselbergs draaide zich om en liep naar een van de overgebleven kerkbanken. Hij ging zitten, zijn bewegingen behoedzaam maar zonder aarzeling. "Maar ze weten niet waar ze moeten kijken. Niet als u verdwijnt op de manier die ik voorstel."

Maarten liep dichterbij. De kou van de kerk kroop door zijn jas, door zijn trui, tot in zijn botten. Het was de kou van een plek die al lang niet meer werd verwarmd door menselijke aanwezigheid — een kou die niet alleen thermisch was maar ook existentieel, het gebrek aan warmte dat ontstaat als een gebouw zijn functie verliest.

"U zei aan de telefoon iets over de drempels," zei hij. "Over plaatsen waar hun systemen niet reiken."

"Dat is correct." Asselbergs gebaarde naar de bank tegenover hem. Maarten ging zitten. Het hout kraakte onder zijn gewicht, een geluid dat leek op een zucht. Tussen hen in lag de leegte van het kerkschip, een ruimte die ooit gevuld was geweest met stemmen, met gezang, met het geloof dat er iets groter was dan het zichtbare. Nu was het alleen maar duisternis en de geur van vergaan steen.

"Het Prometheus Initiative," begon Asselbergs, en zijn stem had de cadans van iemand die een analyse presenteert die hij al duizend keer heeft doorlopen, "is gebouwd op controle. Controle over informatie, over personen, over systemen. Ze opereren binnen een netwerk van surveillance en beïnvloeding dat zich over de hele wereld uitstrekt. Universiteiten, politiediensten, archiefcommissies, conserveringsinstanties — overal hebben ze iemand op een stoel die de juiste beslissing neemt op het juiste moment." Hij pauzeerde. "Maar dat netwerk heeft grenzen. Fysieke grenzen, technologische grenzen, en — dit is cruciaal — perceptuele grenzen."

"De drempels liggen buiten hun bereik," zei Maarten langzaam, het begrip vormend terwijl hij het uitsprak. "Omdat je de drempels niet kunt monitoren met camera's of satellieten of bankrekeningen. Omdat ze functioneren in een dimensie die niet gedigitaliseerd kan worden."

"Precies." Asselbergs' ogen glommen in het duister als twee munten op de bodem van een put. "Het Consortium begreep dit, tot op zekere hoogte. We wisten dat de drempels een soort blinde vlek vormden in de moderne surveillance-architectuur. Plekken waar de normale wetten van waarneming niet opgingen. Waar GPS afdwaalde, waar camera's ruis gaven, waar zelfs de tijd niet altijd deed wat hij hoorde te doen." Hij boog zich naar voren. "Maar we begrepen nooit volledig wat dat betekende. We dachten dat het een bijeffect was, een storing, iets dat we konden compenseren met betere technologie. Dat was onze arrogantie."

"En nu?"

"Nu weet ik beter." De woorden hadden het gewicht van decennia. "De drempels zijn niet te beheersen. Ze zijn niet te monitoren. Ze zijn — hoe zal ik het zeggen — categorisch anders. Ze bestaan in een modus van de werkelijkheid die niet past in de modus waarin onze technologie opereert. Het is alsof je probeert een droom te fotograferen. Niet moeilijk. Onmogelijk. Omdat de droom en de camera tot verschillende orden van bestaan behoren."

Maarten dacht aan zijn eigen ervaringen. De kamer in Saqqara waar de muren tegelijkertijd dichtbij en ver weg leken. De nacht op de Azoren toen het water onder het klif geometrische patronen had getoond die geen enkel meetinstrument kon registreren. De grot in Andalusië waar hij voor het eerst had begrepen dat waarneming zelf niet neutraal was maar een constructie, een filter, een keuze.

"U wilt dat ik naar een drempel vlucht," zei hij. "Letterlijk."

"Meer dan dat." Asselbergs leunde naar voren, en het maanlicht viel nu op zijn gezicht met de genadeloze helderheid van een röntgenfoto. Maarten zag de lijnen van vermoeidheid, de donkere kringen onder de ogen, de grijsheid van de huid die niet alleen van ouderdom was maar van iets anders — ziekte, besefte hij met een schok die hij niet liet zien. Deze man was ziek. Ernstig ziek.

"Ik wil dat we samen gaan," vervolgde Asselbergs. "Naar een drempel die het Initiative niet kent. Een plek die zelfs het Consortium nooit volledig heeft kunnen lokaliseren."

De wind joeg door het gat in het dak en bracht een handvol sneeuwvlokken mee die in de ruimte tussen hen in dansten als sterren die te dichtbij waren gekomen.

"Vertel me over die plek," zei Maarten.

Asselbergs stond op. Hij liep naar het koor, zijn voetstappen echoënd op de stenen vloer met de regelmaat van een pendule. Toen hij sprak, keek hij niet naar Maarten maar naar de lege ruimte waar ooit het altaar had gestaan — een afwezigheid die zelf een soort aanwezigheid was geworden.

"In 1983," begon hij, "was ik eenendertig jaar oud. Jong genoeg om roekeloos te zijn, oud genoeg om te weten dat ik roekeloos was. Ik werkte voor een denktank in Brussel — het Instituut voor Strategische Culturele Analyse, een naam die obscuur genoeg was om geen vragen op te roepen en vaag genoeg om alles te dekken. We hadden geruchten gehoord over ontdekkingen in Turkije. Oude structuren die niet pasten in het chronologische schema. Structuren die er niet hoorden te zijn."

Maarten kende het verhaal gedeeltelijk — Asselbergs had het aangestipt in Genève. Maar nu, in de intimiteit van deze verlaten kerk, met de urgentie van twee mannen die niets meer te verliezen hadden, kwam er meer.

"We stuurden een team van vier," vervolgde Asselbergs. "Ikzelf, een geoloog genaamd Bertrand, een antropologe — Sylvia Huisken, die later in het Consortium een van mijn belangrijkste adviseurs zou worden — en een Turkse gids die Ibrahim heette en die meer wist dan hij liet merken." Hij draaide zich om. Zijn gezicht was een landschap van schaduw en herinnering. "Göbekli Tepe was toen nog onbekend. Geen opgravingen, geen publicaties. Alleen een heuvel in het landschap waaronder iets lag dat je kon voelen met je voeten als je er bovenop stond."

"Voelen?"

"Een trilling. Zo laag dat je hem niet hoorde maar registreerde in je kiezen, in je borstbeen. Ibrahim wist ervan. De lokale bevolking noemde de heuvel de buik van de aarde — ze zeiden dat de grond er ademde. Wij dachten aan seismische activiteit, aan geothermische bronnen. Tot we begonnen te graven."

Asselbergs liep terug en ging weer zitten, zwaarder dan tevoren, alsof het vertellen hem energie kostte die hij niet meer had. "Twee dagen graven. Op drie meter diepte bereikten we de bovenkant van een T-vormige pilaar. Kalksteen, twee meter hoog, met reliëfs van dieren die ik niet kon identificeren. Bertrand dateerde de kalksteen op basis van de verwering op minstens achtduizend jaar. Later bleek het elf- tot twaalfduizend te zijn."

"De oudste bekende monumentale architectuur ter wereld," zei Maarten.

"Ja. Maar dat wisten we toen nog niet. Wat we wel wisten — wat we voelden — was dat er iets mis was met de ruimte rondom die pilaren." Asselbergs' stem daalde, werd zachter, alsof hij naderde tot een herinnering die hij gewoonlijk gemeden had. "De trilling werd sterker naarmate we dieper kwamen. En de ruimte veranderde. Niet fysiek — de metingen klopten. Maar perceptueel. De afstanden leken anders. Het licht gedroeg zich vreemd. En de stilte..."

Hij zweeg.

"De stilte," drong Maarten aan.

"Was niet leeg." Asselbergs keek hem recht aan, en in zijn blik was iets rauw, iets dat veertig jaar beschermd was geweest door lagen van controle en strategie en nu, in deze laatste fase, eindelijk naar buiten kwam. "De stilte was vol. Niet met geluid. Met aanwezigheid. Alsof de ruimte zelf bewust was. Alsof het gesteente luisterde."

De steen onthield. Yara's moeder had hetzelfde gezegd over de tempels in Egypte. Een echo over continenten en millennia.

"Ik ging verder dan de anderen," zei Asselbergs. "Bertrand en Sylvia bleven boven. Alleen Ibrahim ging mee, tot een bepaald punt. Toen bleef hij staan en schudde zijn hoofd. Buradan ötesi benim için değil, zei hij. Voorbij dit punt is niet voor mij. Hij wist het. Hij wist precies wat het was."

"En u ging door."

"Ik ging door. Drie meter verder, langs nog twee pilaren, in een opening die te smal leek voor een mens maar waar ik doorheen gleed alsof de steen voor me opzijging." Asselbergs' handen lagen plat op zijn knieën, de knokkels wit. "En toen was ik er. Op de drempel. In de overgang. En ik zag het."

"Het netwerk."

"Ja. Het hele netwerk, zoals het ooit was geweest. Niet als een kaart, niet als een diagram. Als een levend weefsel. Drempels verbonden over continenten en millennia, lijnen van licht die de aarde doorsneden als de meridianen op een globe, maar dan echt, niet als conventie maar als structuur. Een web van overgangspunten dat de mensheid door haar hele geschiedenis had begeleid zonder dat ze het wist."

Hij stond op en begon te ijsberen. De energie die het vertellen genereerde leek sterker dan de ziekte die zijn lichaam verteerde.

"En in het centrum van dat web, waar alle lijnen samenkwamen, was er een punt van licht dat zo intens was dat ik er niet naar kon kijken. Niet omdat het pijn deed aan mijn ogen — ik had geen ogen meer, niet op dat moment, niet in die toestand — maar omdat het te veel was. Te complex, te oud, te diep. Mijn bewustzijn kon het niet bevatten. Het was alsof je probeerde de oceaan in een kopje te gieten."

"De brondrempel," zei Maarten.

"De eerste en de laatste. De alpha en omega van het netwerk. De plek waar het begon en waar alles naartoe convergeerde." Asselbergs bleef staan, midden in het kerkschip, en zijn stem had nu de toon van een bekentenis. "En ik begreep, in dat moment, dat het netwerk niet was gemaakt door mensen. Het was er altijd al geweest. Het was een eigenschap van de werkelijkheid zelf, een structuur die was ingebouwd in de textuur van ruimte en tijd. En mensen hadden het alleen maar ontdekt, hadden geleerd hoe ze de knooppunten konden vinden en gebruiken en behoeden."

"Maar u kon de locatie van de brondrempel niet bepalen," zei Maarten.

"Nee. Ik zag hem, maar ik begreep hem niet. Het was alsof ik keek naar een kaart in een taal die ik niet kon lezen. Ik zag de structuur, de verbindingen, de geometrie. Maar de locaties bleven onduidelijk, fluïde, alsof ze verschoven naarmate ik keek. En toen — na misschien drie minuten, misschien drie uur, ik heb nooit geweten hoelang — trok Ibrahim me terug. Letterlijk. Hij greep mijn arm en trok, en ik was terug in de schacht, in het stof en het donker en het gewone licht."

"En dat moment heeft u veertig jaar achtervolgd."

"Het heeft me niet achtervolgd." Asselbergs' stem was scherp. "Het heeft me aangedreven. Alles wat ik daarna heb gedaan — het Consortium oprichten, de drempels bewaken, de kennis controleren — was een poging om terug te keren naar dat moment. Om het te begrijpen. Om te bepalen waar dat centrale punt lag." Hij ging weer zitten, plotseling vermoeid. "En ik heb gefaald. Veertig jaar. Veertig jaar van zoeken, van expedities en archieven en analyses, en ik heb het niet gevonden."

"Tot wanneer?" vroeg Maarten zacht.

Asselbergs keek op. Er was iets in zijn blik dat leek op hoop — een emotie die Maarten niet eerder bij deze man had gezien. "Tot u en dokter El-Masri de codex vonden. Tot ik de kans kreeg om hem te bestuderen voordat het Initiative hem innam. En tot ik besefte waar ik niet had gekeken."

De stilte die volgde was geladen, zwanger van onthulling.

"Ik had over de hele wereld gezocht," zei Asselbergs. "Turkije, Egypte, Peru, India, de Azoren. Altijd ver weg, altijd exotisch, altijd op plekken waar de ouderdom en het mysterie voor de hand lagen. Maar de codex zegt iets wat ik steeds weer heb overgelezen omdat het te eenvoudig leek, te dichtbij om waar te zijn."

Maarten sloot zijn ogen en de passage verscheen, helder als neonlicht in de duisternis van zijn geest:

Zij die de brondrempel zoeken moeten kijken waar de wateren samenkomen, waar het zoete en het zoute zich mengen in het ritueel van getij. Waar de aarde het water niet kan tegenhouden en het water het land niet kan vergeten. Daar, in de ademhaling van de grenslijn, rust het oog van Hermes.

Hij opende zijn ogen. "Een estuarium. Een getijdenzone. Een plek waar rivieren de zee bereiken."

"Een delta," zei Asselbergs. En toen, met een stem die tegelijkertijd triomf en schaamte droeg — triomf omdat hij het eindelijk had begrepen, schaamte omdat het hem veertig jaar had gekost: "Nederland, meneer Vos. De brondrempel ligt in Nederland. Onder ons eigen land. Misschien onder onze voeten geweest gedurende ons hele leven."

Het woord viel als een steen in een poel van stilte, en de rimpelingen breidden zich uit naar alle kanten van Maartens bewustzijn.

"Waar in Nederland?"

"Zeeland." De naam hing tussen hen in als een klok die net was geluid. "De delta van de Schelde. De Westerschelde, waar getijden sterker zijn dan waar ook in het land, waar het verval meer dan vier meter bedraagt en het water tweemaal per dag het landschap herschrijft. Waar zout en zoet zich mengen bij elke eb en vloed in een dans die al duizenden jaren onveranderd is. En waar, in de eerste eeuwen van onze jaartelling, een tempel stond gewijd aan een godin die de Romeinen Nehalennia noemden."

De naam trof Maarten als een elektrische schok. Nehalennia. De mysterieuze godin van de Scheldedelta, vereerd door zeelieden en handelaars op de route tussen Brittannië en het Rijnland. Honderden altaarstenen waren in de loop der eeuwen uit de zee gehaald, opgedoken in vissersnetten, uitgebaggerd uit de Oosterschelde — stenen met inscripties en reliëfs die een cultus onthulden waarvan de oorsprong even duister bleef als de zeebodem waaruit ze kwamen.

"U denkt dat de tempel van Nehalennia een drempel was," zei Maarten. Het was geen vraag. Het was een herkenning, het moment waarop een puzzelstuk op zijn plek valt en je beseft dat je het altijd al had gezien zonder het te begrijpen.

"Ik weet dat het een drempel was." Asselbergs' stem was intens, gedreven door een overtuiging die sterker was dan zijn uitputting. "Alle tekenen zijn er. De locatie in de getijdenzone, precies waar de codex de brondrempel plaatst. De verwijzingen in de inscripties naar overgangen, naar veilige vaart, naar de oversteek — niet alleen de fysieke oversteek van de Noordzee, maar iets anders. Iets diepers."

Hij stond op en begon weer te ijsberen, zijn handen achter zijn rug, zijn stem nu die van een docent die eindelijk de kans krijgt om een college te geven dat hij zijn hele leven heeft voorbereid.

"De symbolen op de altaarstenen. Honden — in bijna elke mythologie het dier dat de grens bewaakt tussen de wereld van de levenden en die van de doden. Manden met fruit — offergaven voor de overgang, de prijs die je betaalt om door te mogen. Schepen — niet alleen transportmiddelen, maar voertuigen van transitie, van de ene staat naar de andere. En Nehalennia zelf, altijd afgebeeld zittend in een schelp of een nis, in een drempelvorm — half binnen, half buiten, niet hier en niet daar."

Maarten voelde de stukken samenvallen met een precisie die bijna pijnlijk was. De Nehalennia-cultus was altijd een anomalie geweest in de Nederlandse archeologie. Een godin zonder duidelijke parallellen in het Romeinse pantheon, een verering die plotseling was opgekomen in de eerste eeuw na Christus en even plotseling was verdwenen in de derde. Een cultus die uitsluitend was gedocumenteerd door de stenen die uit de zee kwamen, omdat de tempel zelf nooit was gevonden.

"De tempel is verzwolgen door de zee," zei hij. "Een stormvloed in de derde of vierde eeuw. Het hele eiland waarop hij stond is verdronken."

"Dat is het officiële verhaal, ja." Asselbergs knikte. "Maar wat als de tempel niet is verzwolgen? Wat als hij is verborgen? Niet door de zee — door de drempel zelf?"

Maarten dacht aan wat Yara had gezegd over de structuur op de Atlantische zeebodem: het functioneert nog. Aan de muren van de tunnel onder Alexandrië die plotseling transparant waren geworden. Aan de codex-passage over verborgen drempels die niet fysiek waren bedekt maar perceptueel onzichtbaar waren gemaakt.

"U suggereert," zei hij langzaam, elk woord wikkend, "dat de Nehalennia-tempel nog steeds bestaat. Dat hij niet is vernietigd maar ontoegankelijk is geworden. Verborgen achter een laag van waarneming die wij niet meer kunnen doordringen."

"Tenzij we de protocollen uit de codex volgen." Asselbergs bleef staan en keek hem aan met een intensiteit die de koude lucht leek te laden. "Drie dagen voorbereiding. Vasten en stilte. Afstemming op de frequentie van de locatie. En dan, op de vierde dag, bij het keren van het getij, de poging om de drempel te bereiken."

Maarten stond op. Hij kon niet langer zitten bij deze woorden, bij de omvang van wat Asselbergs voorstelde. Hij liep naar het portaal, waar de nachtlucht naar binnen waaide met de geur van bevroren gras en verre zee.

"En als we slagen?" vroeg hij. "Wat dan? Wat verwacht u te vinden?"

"Ik verwacht niets." Asselbergs' stem klonk nu achter hem, dieper in de kerk. "Verwachten is het tegenovergestelde van wat de codex voorschrijft. De codex zegt: wie de drempel zoekt, verliest hem. Wie stilstaat, wordt gevonden. We gaan niet met een plan, meneer Vos. We gaan met een bereidheid. De bereidheid om over te gaan."

"En als we niet terugkomen?"

"Dan komen we niet terug."

De eenvoud van het antwoord was bijna meedogenloos. Maarten draaide zich om en keek naar de donkere gestalte in de kerk, de man die veertig jaar lang de wereld had proberen te beheersen en die nu bereid was om zich eraan over te geven.

"Mijn dochter," zei hij. Het woord kwam er schor uit, met een ruwheid die niets te maken had met de koude lucht. "Lotte. Als ik verdwijn —"

"Zal ze veiliger zijn dan nu." Asselbergs liep naar voren, zijn voetstappen echoënd. "Op dit moment bent u een doelwit, en iedereen om u heen is potentieel slachtoffer. Uw aanwezigheid in de normale wereld maakt hen kwetsbaar. Maar als u verdwijnt — werkelijk verdwijnt, niet onderduikt maar overgaat — dan verdwijnt ook de reden om hen te benaderen. Ze vormen geen dreiging meer. Ze weten niets."

Maarten dacht aan Lottes dromen, aan het visioen dat ze had gehad van de structuren op de zeebodem, aan de frequenties die ze voelde in de gebouwen van Leiden. Ze weet meer dan ze beseft. Ze voelt wat ik voel. Maar dat hield hij voor zich. Niet uit wantrouwen, maar omdat de kennis over Lottes gevoeligheid een wapen was — een wapen dat niemand mocht hebben, ook Asselbergs niet.

"En Yara?" vroeg hij in plaats daarvan. "Wat gebeurt er met haar?"

"Dokter El-Masri is uitzonderlijk." Er was oprecht respect in Asselbergs' stem. "Ze zal haar eigen weg vinden. En misschien, als we slagen in wat we gaan doen, kunnen we later contact met haar opnemen. Via kanalen die het Initiative niet kan monitoren."

"Welke kanalen?"

"De drempels zelf." Asselbergs' ogen glommen. "Het netwerk bestaat nog steeds, meneer Vos. Verzwakt, verwaarloosd, vergeten door bijna iedereen. Maar het bestaat. Het functioneert. De structuren op de zeebodem zijn actief. De zones op het land worden sterker. En als we eenmaal binnen zijn, als we de protocollen uit de codex succesvol toepassen, kunnen we misschien communiceren via het netwerk. Boodschappen achterlaten op drempellocaties voor degenen die weten waar ze moeten kijken."

Het klonk fantastisch, bijna waanzinnig. Een communicatienetwerk dat niet bestond uit kabels of golven maar uit veranderingen in de textuur van de werkelijkheid zelf. Maar tegelijkertijd — en dit was het punt waarop Maartens wetenschappelijke weerstand het begaf — was het logisch. Alles wat hij had gezien, alles wat de codex beschreef, wees in deze richting. De drempels waren verbonden. Het netwerk was een organisme. En een organisme communiceerde.

"Vertel me over de praktische kant," zei hij, en hij hoorde in zijn eigen stem de overgang van twijfel naar besluit, het moment waarop een rivier over een dam stroomt. "Hoe komen we in Zeeland? Hoe bereiden we ons voor? Hoeveel tijd hebben we?"

Asselbergs knikte, alsof hij op precies deze vraag had gewacht. "Transport: ik heb een boot. Eigendom van een voormalig Consortium-lid dat drie jaar geleden is verdwenen — vrijwillig, naar ik aanneem, naar de kust van Noorwegen. Hij liet de boot achter met de instructie dat ik hem mocht gebruiken. Ze ligt in een jachthaven vijftien kilometer naar het westen."

"We varen?"

"Via de binnenwateren. Geen snelwegcamera's, geen kentekenscanners, geen digitaal spoor. Tegen de tijd dat ze uw auto vinden — en ze zullen hem vinden, dat is slechts een kwestie van tijd — zijn we al lang op het water."

"En in Zeeland?"

"Er is een plek die ik ken. Een verlaten vuurtoren op een dijk aan de Westerschelde, nabij Ellewoutsdijk. Het gebouw is al jaren niet meer in gebruik. Geen stroom, geen water, geen verbinding met de bewoonde wereld. Maar het is stevig, beschut, en het kijkt uit over de monding van de Schelde — precies de plek waar de getijden het sterkst zijn."

"Drie dagen voorbereiding," herhaalde Maarten. De codex-passage was helder in zijn hoofd: Drie dagen en drie nachten in stilte. Water maar geen voedsel. Geen vuur maar het vuur van de geest.

"Drie dagen. En dan, op de vierde dag, bij het keren van het getij — wanneer de Schelde ophoudt met stromen en het water stilstaat, dat moment van drie, vier minuten waarop eb verandert in vloed — dan naderen we de plek waar de tempel stond."

"En hopen we dat de drempel zich openbaart."

"We hopen niets. We bereiden ons voor. En als de voorbereiding voldoende is, zal de drempel er zijn. Niet omdat wij hem maken, maar omdat we eindelijk in staat zijn hem te zien."

De logica was onweerlegbaar, tenminste binnen het raamwerk van alles wat Maarten de afgelopen maanden had geleerd. De drempels waren er altijd. Het waren de mensen die veranderden — die hun waarneming afstemden, hun filters openden, hun bewustzijn uitrekten tot voorbij de grenzen van het gewone.

"Er is iets wat u me niet vertelt," zei Maarten. Het was geen beschuldiging. Het was een observatie, gebaseerd op de manier waarop Asselbergs zijn gewicht verplaatste, de manier waarop zijn handen af en toe trilden ondanks zijn pogingen ze stil te houden. "U bent ziek."

Asselbergs keek hem lang aan. De maan was verschoven, en zijn gezicht was nu half in schaduw. Toen hij sprak, was zijn stem niet defensief maar opgelucht, als iemand die een last neerlegt die hij te lang heeft gedragen.

"Pancreas." Het woord klonk klinisch, precies, ontdaan van emotie. "De artsen gaven me zes maanden. Dat was negen maanden geleden. Ik functioneer op geleende tijd, meneer Vos. Elke dag die ik wakker word is een dag die de statistiek niet had voorzien."

Maarten wist niet wat hij moest zeggen. De ontdekking veranderde de context van alles — van Asselbergs' urgentie, van zijn bereidheid om alles achter te laten, van de scherpte waarmee hij dit plan had uitgedacht. Dit was niet alleen een vlucht. Dit was een man die zijn dood probeerde te kiezen.

"Dus dit is —"

"Een manier om te sterven op mijn eigen voorwaarden?" Asselbergs' glimlach was droog als perkament. "Gedeeltelijk, ja. Maar niet alleen. Als ik toch ga sterven — en dat ga ik, of het nu over drie weken is of over drie maanden — dan liever bij een drempel dan in een ziekenhuisbed. Liever met de kans dat er iets anders is aan de andere kant dan met de zekerheid van het niets. Liever als iemand die de overgang maakt dan als iemand die op een drip aan een machine hangt."

Hij stond op en liep naar Maarten, zo dichtbij dat ze elkaars adem konden zien in de koude lucht.

"Maar het is ook dit: als er iemand moet zijn die de drempel neemt, als er iemand moet bewijzen dat de overgang mogelijk is — dan kan het net zo goed iemand zijn die toch al op de drempel staat. Die toch al bezig is te verdwijnen. Die niets meer te verliezen heeft."

Maarten keek in de leigrize ogen en zag daar iets wat hij niet had verwacht: vrede. Niet de vrede van berusting, maar de vrede van iemand die eindelijk heeft gevonden waarnaar hij zocht. Veertig jaar geleden had deze man een glimp gezien van iets wat groter was dan zijn begrip, en sindsdien had hij geprobeerd het te beheersen, te bewaken, te controleren. Nu, aan het einde van zijn leven, was hij bereid om het te laten gaan. Om niet te beheersen maar bevat te worden.

"Ik begrijp het," zei Maarten. "En ik ga mee. Niet voor u. Niet voor het netwerk. Voor mezelf. Omdat ik wil weten wat er aan de andere kant is."

"En voor Lotte," zei Asselbergs. "Omdat als de drempels bestaan, als de overgang reëel is, er ook een weg terug is. Of een weg vooruit. En uw dochter, met haar gevoeligheid — zij zal die weg nodig hebben. Als niet nu, dan later."

Maarten verstijfde. "Hoe weet u van Lotte?"

"Ik weet van alle gevoelige personen, meneer Vos. Het Consortium hield lijsten bij. Uw dochter staat erop — niet bij naam, maar bij profiel. Een jong persoon in de directe omgeving van een actieve onderzoeker, met onbevestigde maar consistente indicatoren van drempelgevoeligheid."

De woede kwam als een golf — hevig, plotseling, brandend. "U hebt mijn dochter geobserveerd."

"Wij hebben haar beschermd." Asselbergs hief zijn hand. "Zolang het Consortium bestond, was haar naam op de lijst een schild. Het betekende dat wij haar in het oog hielden — niet om te gebruiken, maar om te voorkomen dat anderen haar zouden vinden. Nu het Consortium is ontmanteld, is dat schild verdwenen."

En het Prometheus Initiative heeft de lijsten, dacht Maarten. De woede maakte plaats voor iets koelers en gevaarlijkers: angst. Gerichte, gefocuste angst voor zijn dochter.

"Des te meer reden," zei Asselbergs, alsof hij Maartens gedachten las, "om te doen wat we gaan doen. Als u de drempel neemt, als u begrijpt hoe het werkt, kunt u haar beschermen op een manier die geen enkel Consortium en geen enkel Initiative kan evenaren. U kunt haar leren wat ze is. En u kunt haar de kennis geven die ze nodig heeft om veilig te zijn."

De logica was genadeloos en correct. Maarten keek naar de donkere kerk om hen heen, naar de muren die eeuwen hadden gezien van geloof en twijfel, naar de vloer die generaties voeten had gedragen. Dit gebouw was zelf een drempel geweest, ooit — een plek waar mensen overgingen van het dagelijkse naar het heilige, van het gewone naar het andere. Nu was het een ruïne. Maar de functie was er nog, als een schaduw op de muur nadat het licht is gedoofd.

"We moeten gaan," zei hij. "Nu. Voordat het licht wordt."

Asselbergs knikte. "Uw auto. We rijden naar de jachthaven, laten de auto achter in een garage, en gaan aan boord. Tegen zonsopgang zijn we op het water."

"Maar eerst." Maarten haalde zijn prepaid-telefoon tevoorschijn. "Ik stuur een bericht aan Yara. Niet waar we naartoe gaan. Alleen dat ik veilig ben en dat ze moet doen wat ze kan om Lotte in het oog te houden."

Asselbergs aarzelde. "Elk bericht is een risico."

"Niet onderhandelbaar." Maartens stem was hard. "U hebt uw verlossing. Ik heb mijn dochter. Dat is mijn grens."

Een moment van stilte. Toen knikte Asselbergs. "Kort. Cryptisch. En vernietig de telefoon daarna."

Maarten typte. Zijn duimen bewogen snel over de toetsen, elke letter een beslissing:

Y — Ga naar het zuiden. Water en wind. Hou haar in je hart. De taal die je hoorde is de weg. — M

Hij drukte op verzenden. Wachtte tot de bevestiging kwam. Toen haalde hij de simkaart uit de telefoon, brak hem doormidden, en liet de stukken vallen op de stenen vloer van de kerk.

Ze verlieten het gebouw samen, twee gestalten die werden opgeslokt door de nacht. Achter hen bleef de kerk staan, een getuige van stilte, zijn stenen getekend door de tijd maar nog steeds staand. Over drieduizend jaar, dacht Maarten terwijl hij wegliep, zouden archeologen misschien deze ruïne opgraven en zich afvragen welke rituelen hier waren uitgevoerd, welke beslissingen hier waren genomen. En ze zouden het nooit weten.

De rit naar de haven duurde twintig minuten. Ze spraken niet. Asselbergs zat naast hem, zijn ogen gesloten, zijn handen gevouwen in zijn schoot, en Maarten besefte dat de man aan het bidden was — niet tot een god, niet in de conventionele zin, maar in de zin die de codex beschreef: een afstemming van het bewustzijn op iets groters dan het zelf.

Maarten concentreerde zich op de weg. De witte lijnen die door zijn koplampen werden verlicht leken op de meridianen van het drempelnetwerk — lijnen die de werkelijkheid doorsneden, grenzen die tegelijkertijd scheidden en verbonden.

De jachthaven was klein, niet meer dan een dozijn ligplaatsen aan een kanaal dat naar het westen liep. Een parkeergarage aan de rand, drie verdiepingen beton en schaduw. Maarten parkeerde in een donkere hoek op de derde verdieping, achter een busje dat eruitzag alsof het er al weken stond. Hij draaide de sleutel om en bleef even zitten, zijn handen nog op het stuur.

Dit is mijn auto. Mijn nummerbord. Mijn plek in het systeem. Als ik hieruit stap, stap ik uit alles.

Hij stapte uit.

De boot lag aan het einde van de haven. Een oude zeilboot, acht, negen meter, met afgebladderde verf en een mast die scheef stond tegen de nachtelijke hemel. Maar de motor startte soepel toen Asselbergs de sleutel omdraaide, en het dek was stevig onder hun voeten.

Asselbergs gooide de lijnen los met de efficiëntie van iemand die het vaker had gedaan. De boot dreef weg van de kade, langzaam, als een hand die loslaat.

Ze voeren het kanaal op. De maan was nu hoger, en zijn licht glansde op het water als vloeibaar zilver. Aan beide kanten strekten zich akkers uit, zwarte vlakten die zich uitstrekten tot aan de horizon. Hier en daar flikkerde een eenzaam licht — een boerderij, een lantaarnpaal op een kruising — maar grotendeels was het land leeg en stil en weids op de manier die alleen Nederland kon zijn: een leegte die niet het gevolg was van afwezigheid maar van aanwezigheid, van zoveel lucht en zoveel ruimte dat elke menselijke markering erin oploste als inkt in water.

Maarten zat bij de boeg en keek naar het water dat zich voor hen opende. Hij dacht aan wat hij achterliet. Lotte, slapend in haar kamer in Amsterdam, haar tekening van concentrische cirkels naast haar bed. Yara, ergens in Caïro, afgesneden van haar werk en haar vrijheid maar niet van haar vastberadenheid. Bakker, Brouwer — overlevenden van hetzelfde schipbreuk, elk op hun eigen wrak drijvend.

En hij dacht aan wat hij tegemoet voer. Een drempel in Zeeland. Een ritueel van drie dagen dat hem zou voorbereiden op iets dat hij niet begreep. En daarna — als ze slaagden — een overgang naar een staat van zijn die buiten alle bekende categorieën lag. Niet dood, niet leven. Iets anders. Iets waarvoor het Oud-Egyptisch een werkwoordsvorm had gehad en het moderne Nederlands geen woord.

Het was krankzinnig. Het was onverantwoordelijk. Het was alles wat een vader, een wetenschapper, een volwassen man niet hoorde te doen.

Maar het was ook de enige weg die nog open lag. En ergens, in een laag van zijn bewustzijn die dieper lag dan rationaliteit, dieper dan angst, dieper dan het vaderlijke instinct dat hem schreeuwde om te keren — ergens daar voelde hij iets wat leek op herkenning. Alsof dit pad niet nieuw was, maar herinnerd. Alsof hij hier al eerder was geweest, in een droom, in een ander leven, in een grammaticale modus die niet meer bestond.

"Vertel me nog iets over uw ervaring bij Göbekli Tepe," zei hij tegen Asselbergs, die bij het roer stond als een kapitein op een schip dat nergens heen voer en overal naartoe. "Wat voelde u, precies, toen u het netwerk zag? Niet wat u zag, maar wat u was op dat moment?"

Asselbergs was lang stil. Het geluid van de motor vulde de ruimte tussen hen met een laag, constant gezoem — het enige bewijs dat ze bewogen, dat ze ergens naartoe gingen.

"Ik was niet meer mezelf," zei hij uiteindelijk. "Maar ik was ook niet iemand anders. Ik was — meer. Alsof de grenzen van mijn bewustzijn waren uitgerekt tot voorbij wat ik voor mogelijk had gehouden. Ik voelde de aarde, meneer Vos. Niet als een concept, niet als een afbeelding in een boek. Ik voelde haar als een lichaam. Ik voelde haar ademen. Ik voelde de drempels als poriën — openingen in haar huid waardoorheen ze ademde."

Hij zweeg even, en toen hij verder sprak was zijn stem zachter, bijna teder.

"En ik voelde dat ze moe was. Niet oud — ouderdom is iets menselijks. Maar moe. Moe van het wachten. Alsof ze eeuwenlang had gewacht tot iemand haar weer zou herkennen, haar weer zou horen, en niemand was gekomen. En ik — deze jonge Belg met zijn ambitie en zijn angst — ik was de eerste in heel lang. En zij verwelkomde mij met iets wat ik alleen kan beschrijven als geduld. Het geduld van iets dat weet dat de tijd er niet toe doet, dat het wachten zelf een vorm van zijn is."

Een aanwezigheid die al heel lang wacht. Heel oud en heel moe.

Lottes woorden. Uit haar droom. Identiek.

Maarten greep de reling van de boot en kneep tot zijn knokkels wit waren. De overeenkomst was te precies om toeval te zijn. Zijn dochter en deze oude man, gescheiden door decennia en duizenden kilometers, beschreven dezelfde ervaring. Hetzelfde wachten. Dezelfde moeheid. Dezelfde verwelkoming.

De drempel is niet selectief. Hij nodigt iedereen uit. Maar alleen degenen die kunnen luisteren, horen de uitnodiging.

"We hebben nog twaalf uur," zei Asselbergs. "Probeer te slapen. Vanaf morgenavond begint het vasten, en dan zult u elke minuut rust nodig hebben."

Maarten ging naar het vooronder. Een smalle kooi, een dunne matras, een deken die rook naar zee en naar de afwezigheid van mensen. Hij ging liggen en sloot zijn ogen, maar slaap kwam niet. In plaats daarvan kwamen de woorden van de codex, de passages die hij uit zijn hoofd kende, die door zijn geest stroomden als water door een bedding die lang droog had gestaan:

De wereld ademt. Op sommige plaatsen is haar adem zichtbaar. Op deze plaatsen wordt de drempel dun. Wie de adem volgt, betreedt de drempel. Wie de drempel betreedt, keert niet terug als dezelfde.

Buiten voer de boot door de nacht. Boven hem draaiden de sterren. En ergens voor hem, aan de kust van Zeeland, wachtte een drempel die ouder was dan de beschaving, ouder dan de taal, ouder dan het geheugen — een drempel die geduldig had gewacht, eeuwenlang, tot iemand zou komen die de juiste woorden kende.

De woorden die Maarten droeg in zijn hoofd als een fakkel in het donker.

De laatste kaart.