De Drempel van Hermes
Hoofdstuk 29 – Nehalennia
Het water was zwart en stil toen ze vertrokken.
Maarten stond op het achterdek van de boot terwijl Asselbergs de motor startte — een laag, trillend gebrom dat door de houten planken omhoogtrok en in zijn botten nestelde. De steiger gleed weg in de duisternis. Achter hen vouwde de nacht zich dicht als een deur die zacht werd gesloten. De grachten, de bruggen, de smalle huizen met hun verlichte ramen — alles wat vertrouwd was, wat hij kende, week terug alsof het land zelf afscheid nam.
Ze voeren noordwaarts eerst, door wateren die Maarten alleen van kaarten kende. Het IJ strekte zich uit als een donkere spiegel waarin de lichten van Amsterdam weerkaatsten en vervaagden, steeds kleiner, steeds onwerkelijker, tot ze niet meer te onderscheiden waren van de sterren aan de horizon. Er waren andere boten — containerschepen met verlichte rompen die als drijvende steden door de nacht gleden, tankers die zo traag bewogen dat ze stilstaand leken. Asselbergs stuurde met een vanzelfsprekendheid die verried dat hij dit eerder had gedaan, misschien vaker dan Maarten zich kon voorstellen.
Ze spraken niet. Het motorgeluid maakte conversatie moeilijk, maar dat was niet de enige reden. Er hing iets tussen hen — de wetenschap van wat komen ging, het gewicht van de beslissing die ze beiden hadden genomen. Twee mannen op een boot in het donker, op weg naar iets waarvan de een hoopte dat het bestond en de ander wist dat het bestond maar niet wist of hij het zou overleven.
In zijn jaszak voelde Maarten de contouren van het stenen fragment dat Asselbergs hem in de kerk had gegeven — een stuk kalksteen met een inscriptie die hij niet kon lezen maar die volgens Asselbergs Romeins was, gevonden op een boerderij in Zeeland. Een fragment van een altaarsteen voor Nehalennia. Hij had het meegenomen als talisman, als anker. Als bewijs dat wat ze zochten niet alleen in hun hoofd bestond.
Het landschap veranderde geleidelijk naarmate ze naar het zuiden voeren. De lichten werden schaarser. De oevers trokken verder uit elkaar. Ze passeerden sluizen die zich openden met een mechanisch gezoem, massieve deuren van beton en staal die de boot optilden of lieten zakken in diepe kamers waar hun motorgeluid weerkaatste en verdubbelde. Elke sluis was een overgang, een kleine drempel tussen twee waterstanden, en Maarten dacht aan de ironie — dat hun hele reis bestond uit het passeren van grenzen, het overgaan van het ene in het andere.
Rond middernacht bereikten ze het Hollands Diep. Het water was hier breder, donkerder, met een stroming die de boot zachter meevoerde. Asselbergs minderde vaart en kwam naast hem staan bij de reling.
"We zijn op schema," zei hij. Zijn stem was hees van het uren zwijgen. "Over acht uur bereiken we de Westerschelde."
Maarten knikte. "Heb je dit eerder gedaan? Deze reis?"
"Tweemaal. De eerste keer met een Consortium-team, in 1997. We deden alsof het een geologisch onderzoek was. De tweede keer alleen, in 2014, toen ik begon te vermoeden waar de brondrempel lag." Asselbergs zweeg even, zijn blik op het zwarte water. "Beide keren ben ik teruggekeerd voordat ik de voorbereiding had afgemaakt. Ik durfde niet."
Het was een opvallende bekentenis van een man die Maarten tot nu toe alleen had gekend als de belichaming van controle en berekening. Hij keek naar het profiel van Asselbergs — scherp afgetekend tegen de nachtelijke hemel, de kaak strak, de ogen gericht op iets wat verder lag dan de horizon.
"Waarom nu dan wel?"
Asselbergs glimlachte, een vreugdeloze trek om zijn dunne lippen. "Omdat de tijd opraakt. En omdat u misschien kunt wat ik nooit heb gekund — niet uit angst terugkeren."
Ze voeren verder door de nacht. Maarten trok zich terug in de kleine kajuit en probeerde te slapen op een smalle brits die rook naar diesel en zeildoek. De boot bewoog zacht onder hem, een wiegende beweging die zowel geruststellend als verontrustend was — het gevoel gedragen te worden door iets wat groter was dan hijzelf, iets wat een eigen wil had.
Hij dacht aan Yara. Aan het cryptische bericht dat hij haar had gestuurd. Had ze het begrepen? Ga naar het zuiden. Water en wind. Het was vaag, maar Yara was niet iemand die vage aanwijzingen negeerde. Ze zou nadenken, combineren, conclusies trekken. Ze kende de Nehalennia-connectie — ze hadden er eens over gesproken, maanden geleden, als een theoretische mogelijkheid. Een drempel in eigen land, onder de Noordzee. Yara had het niet afgewezen. Ze had gezegd: "Het zou verklaren waarom de Noordzee-mythologie zo vol is van verdwijnende landen en verzonken steden."
En Lotte. Hij dacht aan Lotte en het deed fysiek pijn — een samentrekking in zijn borst alsof iemand een riem om zijn ribben aantrok. Zijn dochter die in haar slaap de drempels zag, die de structuren op de zeebodem droomde zonder te weten wat ze waren. Zijn dochter die hij achterliet.
Ik laat haar niet achter, corrigeerde hij zichzelf. Ik ga vooruit. Ik ga de weg verkennen die zij misschien ooit zal moeten lopen. En als ik terugkom — áls ik terugkom — zal ik haar kunnen vertellen wat er aan de andere kant is.
Het was een rationalisatie, en hij wist het. Maar het was ook de waarheid, of een deel ervan.
Hij sliep uiteindelijk toch, een lichte, onrustige slaap vol fragmenten van dromen. Water dat steeg. Deuren die opengingen in de grond. Een vrouw met honden aan haar zijde, staand in een nis van schelpen, haar gezicht onduidelijk maar haar blik onafwendbaar.
Toen hij wakker werd was het ochtend. Grijs licht sijpelde door het kleine raam van de kajuit. Hij hoorde het krijsen van meeuwen — scherp, indringend, dringender dan de stadsvogels van Amsterdam. Zeevogels. Ze waren er.
Hij klom naar boven. De wereld was veranderd.
Het landschap was open nu, wijd en laag op een manier die hij niet kende uit het binnenland. De lucht leek groter hier — uitgestrekt tot aan een horizon die niet werd onderbroken door gebouwen of bomen maar die bestond uit een enkele, ononderbroken lijn waar water en hemel samenkwamen in een grijs dat van beide was en van geen van beide. Ze voeren door de Oosterschelde, tussen dijken die als lange, groene ruggen door het water liepen.
Het was eb. De modderbanken lagen bloot, glanzend in het ochtendlicht als de huid van een dier dat zich had teruggetrokken om te rusten. Geulen doorsneden het slik — kronkelende lijnen waarin het resterende water traag bewoog, als het bloed in de aderen van het land.
Maarten had foto's gezien van de Zeeuwse delta, had de kaarten bestudeerd, maar niets had hem voorbereid op dit. Op de schaal ervan, op het gevoel van een landschap dat zichzelf opnieuw uitvond bij elke getijdenwisseling. Dit was geen vast land. Dit was een onderhandeling — een eeuwigdurend gesprek tussen water en aarde, tussen zee en continent, waarvan de uitkomst elke zes uur verschilde.
"De Westerschelde," zei Asselbergs, wijzend vooruit. "Nog een uur."
De zon brak door de wolken, vaal en waterig maar met een kracht die de koperkleurige glans op het water deed opvlammen. Maarten voelde zijn hart sneller kloppen. Niet alleen van anticipatie. Er was iets anders — een tinteling aan de rand van zijn bewustzijn, alsof de lucht hier anders geladen was. Alsof de atmosfeer zelf een andere dichtheid had.
Hij kende het gevoel. Hij had het gehad in Saqqara, in Andalusië, op de Azoren. De nabijheid van een drempel. Maar hier was het anders. Niet intenser — breder. In Saqqara was het geconcentreerd geweest in één kamer. Hier leek het overal te zijn, alsof het hele landschap een drempel was, alsof de grens tussen gewone werkelijkheid en iets anders niet op één punt lag maar verspreid was over kilometers water en slik en dijk.
De Westerschelde opende zich voor hen als een enorme mond. Breder dan hij had verwacht, ruwer dan de beschutte wateren die ze tot nu toe hadden bevaren. De wind was sterker hier, joeg schuimkoppen over de golven, en de boot stampte en slingerde op een manier die nieuw was. Aan de noordelijke oever strekte Walcheren zich uit — een vlak landschap van polders en dijken, kerktorens en boerderijen. Aan de zuidkant lagen de brede mudflats van Zeeuws-Vlaanderen, dampend in het ochtendlicht.
En tussen die oevers — het water. Grijs-groen, krachtig, vol van stroming en tegenstroom. Het verval was hier enorm, wist Maarten — meer dan vier meter tussen hoog- en laagwater. Tweemaal per dag steeg de zee op en trok zich weer terug, en alles wat daartussen lag — de schorren, de slikken, de platen — verscheen en verdween met de regelmaat van een ademhaling.
De aarde ademt, dacht hij. En het was geen metafoor. Niet hier.
Asselbergs stuurde naar de noordkust, langs Borssele, langs Ellewoutsdijk. Kleine nederzettingen die verscholen lagen achter hoge dijken die in de loop der eeuwen waren opgeworpen tegen het water. En toen, in de verte, zag Maarten de vuurtoren — een slanke toren die opsteeg boven de dijklijn. Wit, verweerd, met een donkere lantaarnkamer bovenop die als een oog uitkeek over het water.
"De vuurtoren van Ellewoutsdijk," zei Asselbergs. "Gebouwd in 1831, buiten gebruik sinds 1957. Het Consortium heeft het gebouw vijftien jaar geleden laten registreren als monument via een schilstichting. Officieel is het in restauratie. In werkelijkheid heeft niemand er sindsdien een voet gezet."
"Behalve u."
"Behalve ik. Tweemaal."
Ze meerden af bij een kleine, vervallen steiger die zich uitstrekte in het slik. Het hout was grijs en bros, bekleed met zeepokken en mosselen die knapten onder hun voeten. Maarten stapte voorzichtig uit de boot, zijn benen stijf na de uren op het water. De grond onder zijn voeten voelde vreemd vast — en tegelijkertijd niet vast genoeg, alsof de aarde hier niet helemaal besloten had of ze land wilde zijn of water.
De vuurtoren stond honderd meter landinwaarts, achter de dijk. Ze droegen hun spullen erheen — slaapzakken, waterflessen, Asselbergs' leren tas met documenten die hij niet had achtergelaten. De toren was hoger dan Maarten had verwacht, misschien vijfentwintig meter. De witte verf bladerde af in grote plakken en onthulde baksteen die donker was van vocht en ouderdom en de groene glans van algen die zich in de voegen hadden genesteld.
De deur was van zwaar eikenhout, vergrendeld met een hangslot waarvan Asselbergs de sleutel had. Hij draaide het open met de vanzelfsprekendheid van een man die thuiskomt. De deur zwaaide naar binnen met een kreunend geluid dat weerkaatste in de cilindervormige ruimte. Het rook naar schimmel en zee en iets droogs, mineraals — de geur van oud steen dat zijn vocht nooit kwijtraakt.
Een wenteltrap van gietijzer, rood van de roest, krulde omhoog langs de binnenwand. Op de eerste verdieping was een ronde kamer met vier smalle ramen die uitkeken naar de vier windrichtingen. Hier was het droger, schoner. Er stonden een tafel van ruw hout, twee stoelen, een gietijzeren kachel die met een pijp verbonden was met een gat in de dikke muur. Iemand had ooit geprobeerd de ruimte bewoonbaar te maken — er lagen dekens, er stond een petroleumlamp op de tafel, er was een waterkan van emaille.
"We slapen hier," zei Asselbergs. "De lantaarnkamer boven is te open, te koud 's nachts. Maar we kunnen er overdag naartoe om het water te observeren."
Ze richtten hun kamp in met weinig woorden. Slaapzakken uitgerold op de stoffige vloer, de hoofdeinden naar het raam dat op de Westerschelde uitkeek. Waterflessen in een rij op de vensterbank. Asselbergs inspecteerde de kachel, probeerde de klep, knikte.
"Ik ga het land verkennen," zei Maarten. Hij had de behoefte om te bewegen, om dit landschap te voelen onder zijn voeten, om te begrijpen waar hij was niet met zijn hoofd maar met zijn lichaam.
Asselbergs knikte. "Loop naar het westen, langs de kust. Je zult het voelen als je dichterbij komt." Hij keek Maarten aan met die leigrize blik die tegelijkertijd alles en niets onthulde. "Wees terug voor zonsondergang. Dan begint het vasten."
Maarten verliet de toren en klom de dijk op. Aan de landzijde strekte de polder zich uit — weilanden waarin schapen graasden, sloten die glansden als tinnen lijnen, hier en daar een boerderij met rood pannendak. Gewoon Nederland. Gewoon Zeeland. Gewoon het land waar hij was geboren en opgegroeid, even vertrouwd als zijn eigen gezicht in de spiegel.
Maar aan de andere kant van de dijk was niets gewoon.
De Westerschelde strekte zich uit naar het zuiden — breed, glanzend, krachtig. Het was eb nu, en de waterlijn had zich honderden meters teruggetrokken. Wat overbleef was een landschap dat niet helemaal land was en niet helemaal water — een vlakte van slik en zand doorsneden met geulen waarin het resterende water traag bewoog. Strandlopers trippelden over het slik, hun poten zo snel dat ze leken te zweven. Meeuwen cirkelden boven de geulen, krijsend, duikend.
Maarten daalde de dijk af en begon westwaarts te lopen, langs de zoom waar het droge zand overging in het natte slik. Zijn laarzen lieten diepe afdrukken achter die langzaam volliepen met water. De lucht smaakte naar zout, naar jodium, naar de minerale scherpte van zeewier dat droogde in de zon. Een smaak van grenzen.
Na een kilometer bereikte hij een strook strand waar grote basaltblokken in het water lagen — dijkbescherming, neergeworpen om de erosie te vertragen. Tussen de stenen had zich van alles verzameld: drijfhout, plastic flessen, stukken touw, netten. Maar ook iets anders.
Maarten hurkte neer. Tussen twee basaltblokken, half bedolven in het zand, lag iets dat hij herkende met de reflexen van een archeoloog — de onregelmatige maar onmiskenbare textuur van bewerkte steen. Hij trok het los, spoelde het af in een plas zeewater dat was achtergebleven tussen de rotsen.
Het was een fragment van zandsteen, verweerd en afgebroken, misschien twintig centimeter lang. Maar de groeven op het oppervlak waren duidelijk: letters, Romeins, uitgehakt met de precisie van een steenhouwer die wist wat hij deed. Hij kon niet alles lezen — de steen was te beschadigd — maar twee woorden waren zichtbaar: ...EHALENN... en daaronder ...OB MERC...
Nehalennia. Ob merces.
Zijn hart begon sneller te kloppen. Dit was een fragment van een altaarsteen — een van de honderden die in de loop der eeuwen uit de zee waren gehaald langs deze kust. Ob merces bene conservatas — voor goederen die goed bewaard zijn gebleven. Een standaardinscriptie op Nehalennia-altaren, een dankbetuiging van een Romeinse koopman aan de godin die zijn koopwaar had beschermd tijdens de oversteek van de Noordzee.
Maarten ging op een basaltblok zitten, het fragment in zijn handen, en liet de kennis over Nehalennia door zich heen stromen. Hij had het bestudeerd, jaren geleden, als onderdeel van een breed overzicht van Romeinse provinciale cultussen. Maar nu, hier, met de steen in zijn handen en het water aan zijn voeten, was het geen academische kennis meer. Het was een ervaring.
Nehalennia. De naam was waarschijnlijk van voor-Romeinse oorsprong — Keltisch of Germaans, niemand wist het zeker. Ze was vereerd langs de kusten van de Scheldemonding, op plekken die nu allemaal onder water lagen: het eiland Walcheren, het verdwenen eiland bij Colijnsplaat, de zandbanken voor Domburg. Haar heiligdommen waren gebouwd op de grens van land en zee, op plekken waar het getij het landschap tweemaal per dag herschreef.
De altaarstenen die waren gevonden — meer dan driehonderd in totaal — toonden bijna altijd dezelfde iconografie. Nehalennia gezeten in een nis of schelp, gekleed in een lange mantel, met een hond aan haar zijde en een mand met fruit op haar schoot. Soms stond ze op de boeg van een schip. Soms hield ze een scheepsroer vast. En altijd was er de hond — waakzaam, trouw, met spitse oren en een alertheid die meer was dan dierlijk.
Honden, dacht Maarten. In bijna elke mythologie was de hond het dier dat de grens bewaakte. Cerberus bij de poorten van de Griekse onderwereld. Anubis in Egypte, de jakhalskoppige god die de doden begeleidde. Garmr, de helhond uit de Noorse mythologie die de brug Gjallarbrú bewaakte. Overal waar culturen spraken over overgangen, over drempels tussen werelden, waren er honden.
En de schelp. Nehalennia gezeten in een schelp. Niet een troon, niet een stoel — een schelp. De vorm van bescherming en overgang, van iets dat zich opent en sluit, dat verbergt en onthult. De schelp als drempel.
De fruitmand was het meest alledaagse symbool — vruchtbaarheid, overvloed, de dank voor een goede oogst of een succesvolle handelsreis. Maar Maarten dacht nu aan een andere interpretatie. Vruchten — het resultaat van een overgang. Niet de reis zelf, maar wat je meebracht aan de andere kant. De opbrengst van de drempel.
Hij stond op en keek naar het westen, waar de kust een bocht maakte richting Vlissingen en Domburg. Ergens daar, onder het water, lagen de resten van de tempel die in de derde of vierde eeuw was verzwolgen door een stormvloed. Het hele eiland waarop hij had gestaan was verdronken, opgeslokt door de zee die hier nooit ophield met nemen.
In de zeventiende eeuw waren de eerste stenen herontdekt — vissers die hun netten uitwierpen voor de kust van Domburg en opgehouwen steen boven water haalden in plaats van vis. In 1647 had een storm de zandbanken verschoven en een deel van de tempelfundamenten blootgelegd. Geleerden waren gekomen, hadden getekend en beschreven. Maar de volgende storm had alles weer bedekt. De zee gaf en de zee nam, en wat ze nam gaf ze niet graag terug.
In 1970 was het opnieuw gebeurd, dit keer bij Colijnsplaat in de Oosterschelde. Baggerwerkzaamheden voor de Deltawerken hadden een tweede concentratie altaarstenen aan het licht gebracht — nog meer inscripties, nog meer afbeeldingen van de godin met haar hond en haar schelp. Het bewees dat er niet één tempel was geweest maar meerdere, verspreid langs de hele Scheldemonding. Een netwerk van heiligdommen.
Een netwerk, dacht Maarten, en het woord resoneerde door zijn hele lichaam. Niet één drempel, maar een netwerk van drempels, verbonden door het water dat ze allemaal omringde. Precies zoals de Hermes-codex het beschreef — de ademplaatsen zijn niet eenzaam; zij ademen in concert, als organen in een lichaam.
Hij liep verder naar het westen, steeds langs de waterlijn. De zon klom hoger, verbrak de ochtendbewolking, en het water veranderde van kleur — grijs naar groen naar een diep, doorschijnend blauw dat hij niet had verwacht van de Noordzee. Ver weg, aan de horizon, zag hij de containerschepen die de Westerschelde opvoeren op weg naar Antwerpen — moderne handelsvaartuigen die dezelfde route volgden als de Romeinse handelsschepen tweeduizend jaar geleden.
Ob merces bene conservatas. De Romeinen dankten Nehalennia voor de veilige oversteek. Maar was dat alles geweest? Of hadden sommigen van hen geweten — hadden de priesters, de ingewijden, de bewakers van het heiligdom geweten — dat de godin meer was dan een beschermster van koopwaar? Dat zij de hoedster was van een drempel die dieper ging dan de zee?
Na een uur lopen bereikte hij een punt waar de dijk een scherpe bocht maakte, en plotseling zag hij de Noordzee — niet langer beschut door de estuariumarmen maar open, onbegrensd, een vlak van water dat zich uitstrekte tot aan een horizon die er niet leek te zijn. De overgang van de Westerschelde naar de open zee was niet abrupt maar geleidelijk, een verbreding, een verdieping, alsof het water zich ontspande nu het de beperkingen van het land achter zich liet.
En daar, op dat punt, voelde hij het.
Niet subtiel, niet als een zwakke trilling aan de rand van zijn bewustzijn. Dit was sterker. Dit was een golf die door hem heen ging, van zijn voeten tot zijn kruin, als een toon die te laag was om te horen maar die elk bot in zijn lichaam registreerde. De lucht veranderde — niet van temperatuur, niet van geur, maar van kwaliteit. Alsof er een extra dimensie was bijgekomen, een laag die er altijd was geweest maar die nu, hier, op dit punt, zichtbaar begon te worden.
Hij stond stil. Zijn adem vertraagde vanzelf, zonder bewuste beslissing, alsof zijn lichaam reageerde op een signaal dat zijn bewuste geest nog niet had verwerkt. De golven rolden aan en trokken zich terug, aan en terug, en hij voelde het ritme niet alleen met zijn oren maar met zijn hele lichaam — de cadans van het getij, de ademhaling van de zee, de pols van iets wat onder alles lag.
De drempel is hier, dacht hij. Niet op één plek, niet achter één deur. Het hele landschap is de drempel. De hele delta. De hele grens tussen land en zee.
Het gevoel duurde misschien een minuut, misschien vijf. Toen trok het terug, als een golf die zich terugtrekt van het strand, en de wereld was weer gewoon — de zee, de lucht, de meeuwen, de dijken. Maar er bleef iets hangen, een residu, een echo. Alsof de drempel een vingerafdruk had achtergelaten op zijn bewustzijn.
Maarten keek naar het noorden, over het open water. Ergens daar, onder de golven, lag Doggerland — het verdronken continent dat ooit Groot-Brittannië met het vasteland had verbonden. Een heel landschap, met bossen en rivieren en heuvels en mensen, opgeslokt door de stijgende zee aan het einde van de laatste ijstijd. Tienduizend jaar geleden was dit allemaal land geweest. Kinderen hadden gespeeld waar nu de golven rolden. Jagers hadden herten achtervolgd over vlakten die nu tachtig meter onder water lagen.
Doggerland. Het woord klonk als een uitgestorven taal, als een naam die nog werd uitgesproken door niemand die wist wat hij betekende. Maar onder de modder en het zand en de eeuwen van water — daar lagen de sporen. Vissersnetten hadden er bewerkt vuursteen opgehaald, beenderen van mammoeten en neushoorns, vuistbijlen van een ouderdom die de verbeelding tartte. Een hele wereld, begraven onder de Noordzee.
En als Asselbergs gelijk had — als de brondrempel onder die wereld lag, nog dieper, in lagen van gesteente die dateerden van voor de ijstijd, van voor de mensheid misschien — dan was wat zij zochten niet alleen oud. Het was primair. Het was het fundament waarop alles rustte.
Hij draaide zich om en begon terug te lopen naar de vuurtoren. De zon stond al lager, de schaduwen werden langer. Het getij was aan het keren — hij kon het zien aan de schuimlijn op het strand, hoger nu dan waar hij vanmorgen had gelopen. Het water kwam terug.
Toen hij de vuurtoren bereikte, vond hij Asselbergs op het platform van de lantaarnkamer, de bovenste verdieping, waar ooit het licht had gebrand dat schepen naar de kust leidde. De oude man zat op de betonnen vloer met zijn rug tegen het ijzeren raamwerk, zijn ogen dicht, zijn gezicht naar het westen gekeerd waar de zon zakte.
Maarten ging naast hem zitten. De wind was hier sterker, maar niet onaangenaam — een bries die naar zout rook en naar het einde van de winter. Onder hen strekte de Westerschelde zich uit, breder nu met het stijgende tij, het water donkerder naarmate de dag verstreek.
"Het Consortium," zei Asselbergs zonder zijn ogen te openen. "U wilde weten hoe het begon."
"Ja."
"Het begon met ontkenning." Hij opende zijn ogen en keek naar het water. "In 1946, in de nasleep van de oorlog, werd een groep academici bijeengeroepen door een Britse inlichtingenofficier genaamd Pemberton. Alistair Pemberton, later Lord Pemberton. Klassiek geschoold, Oxford, de man las Plato in het Grieks en Plotinus in het Latijn. Maar hij was ook SIS — Secret Intelligence Service. En tijdens de oorlog had hij iets gezien."
"De drempels."
"Niet de drempels zelf. Maar de kennis erover. De nazi's hadden — u weet dit waarschijnlijk — een morbide fascinate voor het occulte, voor oude mysteriën, voor de krachten die zij dachten te kunnen beheersen. De Ahnenerbe, Himmlers pseudo-wetenschappelijke instelling, had expedities gestuurd naar Tibet, naar Scandinavië, naar het Midden-Oosten. De meeste waren farces — pseudo-archeologie in dienst van rassentheorie."
"Maar niet allemaal."
"Niet allemaal. In 1938 stuurde de Ahnenerbe een team naar Göbekli Tepe. Pemberton vond hun rapport in 1945, in een geheime kluis in Berlijn. Het rapport beschreef — in de typische, overmoedige taal van het Derde Rijk — een Schwellenzone. Een drempelzone. Een plek waar, en ik citeer, 'de normale parameters van ruimte en waarneming niet langer van toepassing zijn'."
Asselbergs zweeg even. De zon raakte de horizon en het water leek op te gloeien, alsof het vuur opnam in plaats van het te weerkaatsen.
"Pemberton was geen occultist. Hij was een rationele man, een scepticus zelfs. Maar het rapport bevatte meetgegevens — magnetometrische afwijkingen, akoestische anomalieën, beschrijvingen van perceptuele verschuivingen bij de onderzoekers — die te gedetailleerd en te consistent waren om te negeren. Hij legde het rapport voor aan drie mensen die hij vertrouwde: een geoloog van Cambridge, een wiskundige van het Trinity College, en een Nederlandse archeoloog die in het verzet had gezeten."
"De Nederlandse archeoloog —"
"Professor Hendrik ter Horst. De man die later mijn mentor zou worden, en die mij in 1979 in vertrouwen nam." Asselbergs' stem had iets zachters gekregen, alsof de herinnering aan Ter Horst een plek was die hij niet vaak bezocht maar die nog steeds bewoond was. "Deze vier mannen vormden de kern van wat het Consortium zou worden. Geen naam, geen organisatie, geen statuten. Alleen de afspraak om het fenomeen te onderzoeken en de kennis te beschermen."
"Te beschermen waartegen?"
"Tegen misbruik. Tegen de herhaling van wat de nazi's hadden geprobeerd. Maar ook —" Asselbergs aarzelde, koos zijn woorden. "Tegen de wereld zelf. Ze waren ervan overtuigd, alle vier, dat de mensheid niet klaar was voor deze kennis. Dat onthulling zou leiden tot paniek, tot exploitatie, tot het soort machtsstrijd dat altijd volgt wanneer een nieuwe hulpbron wordt ontdekt."
"En hadden ze gelijk?"
Asselbergs glimlachte, die dunne, complexe glimlach die tegelijkertijd bevestigde en ontkende. "Ze hadden gelijk over het gevaar. Ze hadden ongelijk over de oplossing. Geheimhouding werkt alleen zolang er geen alternatief is. En de drempels worden sterker. Ze worden niet meer geheim te houden. Niet door mij, niet door het Prometheus Initiative, niet door wie dan ook."
De zon was nu half onder de horizon verdwenen. De lucht boven de Westerschelde was een compositie van rood en paars en goud die deed denken aan het plafond van een barokke kerk — een hemelse glorie geschilderd niet op pleisterwerk maar op wolken en water en de oneindige ruimte ertussen.
"Het is tijd," zei Asselbergs. "De zon is onder."
Ze klommen naar beneden, naar de kamer op de eerste verdieping. Asselbergs had de kachel aangemaakt met drijfhout dat hij van het strand had gehaald. Het vuur knapperde, wierp schaduwen op de ronde muren die bewogen als levende wezens.
"Vanaf nu: stilte," zei Asselbergs. "Geen voedsel, alleen water. Drie dagen. Op de vierde dag, bij springtij, bij het keren van het getij — dan naderen we de drempel."
Maarten knikte. De ernst van het moment lag niet in de woorden maar in de stilte die erna kwam — een stilte die niet passief was maar actief, niet leeg maar vol. Het was alsof de ruimte zelf dichter werd, alsof de lucht in de vuurtoren zich verdichtte tot iets dat leek op de lucht in Saqqara, in de grot in Andalusië. De drempel die naderde.
Asselbergs schonk water in twee emaillen bekers. Het was kraanwater, lauw, met de flauw metaalachtige smaak van oude leidingen. Maar het voelde als een sacrament — het laatste gebaar voor de stilte begon.
Ze dronken zwijgend. Toen doofde Asselbergs de petroleumlamp.
Duisternis. Alleen het zwakke schijnsel van de kachel bleef — een oranje gloed die de ronde kamer veranderde in iets wat leek op het binnenste van een ei, warm en besloten en vol van iets dat nog niet geboren was. Buiten was het geluid van regen die begon te vallen, van wind die aanwakkerde, van de zee die tegen de dijk sloeg met een ritme dat leek op de hartslag van een dier dat in zijn slaap ademde.
Maarten lag in zijn slaapzak en staarde naar het plafond. De donkere steen boven hem was vochtglanzend, met patronen van vocht die leken te bewegen in het flakkerende licht van de kachel. Hij probeerde niet te denken, maar gedachten kwamen toch, ongenood, als gasten die niet op de lijst staan maar de deur toch openmaken.
Lotte. Haar gezicht op de allerlaatste ochtend dat hij haar had gezien, in de keuken van haar moeder, een mok thee in haar handen, haar haar nog nat van het douchen. Ze had hem aangekeken met die blik die ze had als ze iets wilde zeggen maar niet wist hoe — de blik die ze had gehad als kind, als ze bang was in het donker en niet wilde toegeven dat ze bang was. Wees voorzichtig, pap. De woorden die ze niet had uitgesproken maar die in haar ogen hadden gestaan als tekst in een boek dat hij beter kende dan welk boek ook.
Ik ben voorzichtig, Lot. Op mijn manier. Op de enige manier die ik ken.
Yara. Haar hand in de zijne op het klif boven de Azoren, die nacht dat de oceaan patronen had getoond die geen enkel meetinstrument had geregistreerd. De manier waarop ze had gezegd: We zijn geen waarnemers meer. De rust in haar stem, de zekerheid die niet arrogant was maar ontologisch — ze wist wie ze was, en wie ze was, was iemand die op de drempel hoorde.
Waar ben je nu, Yara? Heb je mijn bericht begrepen? Ben je onderweg?
De wind joeg door een kier in het raamkozijn en bracht een ademtocht koude lucht mee die naar de zee rook. Maarten trok de slaapzak hoger op en voelde hoe zijn lichaam langzaam ontspande, hoe de vermoeidheid van de reis bezit nam van zijn spieren, zijn botten, zijn gedachten.
Het vuur in de kachel zakte. De schaduwen werden langer, dieper. En het geluid van de zee werd het enige geluid — een eindeloos, ritmisch ademhalen dat niet ophield en nooit had opgehouden, dat er was geweest voor er mensen waren om het te horen en dat er zou zijn lang nadat de laatste mens was vertrokken.
De Schelde ademde. Het land ademde. En ergens, diep onder het water, diep onder het slik en het zand en de lagen van millennia, lag iets wat ook ademde — langzamer, dieper, met een geduld dat de mensheid te boven ging.
De drempel wachtte.
Niet hier, niet nu. Maar binnenkort. Heel binnenkort.
Maarten sloot zijn ogen. Het geluid van de zee vermengde zich met zijn ademhaling, met het kloppen van zijn hart, tot alles één ritme werd, één stroom, één getij.
De eerste nacht van voorbereiding was begonnen.