De Drempel van Hermes

Hoofdstuk 3 – De Egyptologe

Het telefoontje kwam om kwart over zes 's ochtends.

Maarten lag niet te slapen. Hij had de hele nacht naar zijn laptopscherm gestaard, naar de spreadsheet met meetgegevens die hij inmiddels van buiten kende, naar de rode markeringen bij elke locatie waar de cijfers niet klopten. Saqqara. Karnak. Baalbek. Mnajdra. Newgrange. Twaalf punten op een kaart die samen een patroon vormden dat niemand wilde zien.

Het nummer was Engels. Oxford.

'Meneer Vos?' De stem was laag, helder, met een licht accent dat hij niet onmiddellijk kon plaatsen. Nederlands, maar net iets anders. Alsof de klinkers door een ander landschap waren gevormd.

'Spreekt u mee,' zei Maarten. Hij ging rechtop zitten in bed en knipte het lampje aan. De Leidse gracht achter zijn raam was nog donker.

'U heeft mij een e-mail gestuurd. Over Saqqara.'

'Dr. El-Masri.'

Een korte stilte. 'Ik wil dat u begrijpt dat ik dit gesprek niet had moeten voeren. En dat ik dat ook bijna niet gedaan heb.'

Maarten zweeg. Hij had genoeg ervaring met skeptische collega's om te weten dat stilte soms overtuigender was dan argumenten.

'Uw meetgegevens,' zei ze. 'De discrepantie die u beschrijft in kamer 7B. Hoeveel?'

'Veertien centimeter in de breedte. Drieentwintig in de hoogte. Maar alleen als je de metingen vergelijkt met de officiële plattegronden. Met de laser heb ik het drie keer gecontroleerd.'

Weer die stilte. Maarten hoorde haar ademen. Toen ze weer sprak, was haar stem een halve toon lager.

'Kom naar Oxford. Niet volgende week. Morgen.'

'Ik heb colleges —'

'Meneer Vos. Maarten. Stuur niets meer per e-mail. Geen data. Geen foto's. Niets. Komt u morgen, dan laat ik u iets zien. Iets wat u nodig hebt om te begrijpen waar u aan begonnen bent.'

De verbinding werd verbroken voordat hij kon antwoorden.

Maarten staarde naar zijn telefoon. Het scherm doofde en liet hem achter in de schemering van zijn slaapkamer, tussen stapels boeken en de vage geur van koffie die al uren oud was. Paranoia of voorzichtigheid? dacht hij. Er was een verschil, maar op dit uur van de nacht leek dat verschil flinterdun.

Hij boekte de vlucht om zeven uur. Om acht uur belde hij de faculteit om zijn colleges voor die dag te laten overnemen. Om negen uur zat hij in de trein naar Schiphol, met niets anders dan zijn laptoptas en een gevoel dat hij het punt van terugkeer al lang gepasseerd was.

De trein van Paddington naar Oxford reed door een landschap dat eruitzag alsof het in aquarel was geschilderd. Groene velden, vervaagd door regen. Grijze luchten die zo laag hingen dat ze de torens van de dorpskerken leken aan te raken. Maarten keek er niet naar. Hij keek naar zijn handen, die op zijn knieën lagen, en probeerde te formuleren wat hij tegen haar zou zeggen.

Het probleem was dat hij het zelf nauwelijks begreep.

De feiten waren eenvoudig. Tijdens zijn laatste opgraving in Saqqara, drie maanden geleden, had hij een ondergrondse kamer betreden die op geen enkele officiële plattegrond voorkwam als iets anders dan opslagruimte, onbeduidend. Maar de ruimte was niet onbeduidend. De afmetingen klopten niet met wat er van buiten zichtbaar was. De akoestiek was vreemd — zijn stem had geklonken alsof de kamer twee keer zo groot was als wat zijn ogen hem vertelden. En er was iets geweest wat hij in zijn aantekeningen had omschreven als perceptuele verschuiving, een term die wetenschappelijk genoeg klonk om zijn onbehagen te verhullen.

Daarna had hij het patroon ontdekt. Niet in Saqqara alleen, maar verspreid over twaalf locaties op vier continenten. Dezelfde discrepantie. Dezelfde onverklaarbare centimeters verschil. Alsof iemand — of iets — de meetbare werkelijkheid op die plekken subtiel had veranderd.

Hij had twee weken getwijfeld voordat hij Yara El-Masri had gemaild. Haar papers kende hij. Briljant werk over tempelarchitectuur in het Nieuwe Rijk, maar ze was omstreden. Haar theorie over responsieve architectuur — het idee dat bepaalde oude gebouwen niet alleen structuren waren maar instrumenten, ontworpen om te reageren op menselijke aanwezigheid — had haar een reputatie als randfiguur opgeleverd. Het soort academicus dat op conferenties beleefd werd gemeden.

Precies het soort academicus dat hij nu nodig had.

Oxford verwelkomde hem met regen. Niet de brutale, eerlijke regen van Den Haag of Leiden, maar een fijne, Engelse motregen die alles bedekte met een laag glinsterend vocht en die je pas opmerkte als je al doorweekt was. Hij liep van het station naar Beaumont Street met zijn kraag omhoog, langs gevels van honingkleurige kalksteen die in de regen de kleur hadden van nat zand.

Het Ashmolean Museum rees op aan het eind van de straat als een Grieks tempelfront dat per ongeluk in Engeland was beland. Zuilen, timpaan, een brede trap. Maarten nam de treden met twee tegelijk. Binnen was het warm en stil, en het rook naar vloerwas en eeuwen.

Ze had gezegd: Egyptische collectie, eerste verdieping, bij de sarcofaag van Tanutamun.

Hij vond haar daar. Ze stond met haar rug naar hem toe, gebogen over een vitrine met canopische vazen, en het eerste wat hem opviel was hoe klein ze was. In zijn verbeelding was Dr. Yara El-Masri een imposante verschijning geweest — de scherpte van haar proza had iets groots gesuggereerd. Maar ze was tenger, met donker haar dat ze in een losse wrong had opgestoken en een profiel dat hem deed denken aan de portretten uit Fayum: grote ogen, rechte neus, iets onbeweegs in de lijnen van haar gezicht.

Ze droeg een donkerblauwe regenjas die te groot voor haar leek. Geen sieraden. Geen make-up, voor zover hij kon zien. Ze was mooi op de manier waarop een landschap mooi kan zijn — niet opvallend, niet schreeuwerig, maar onvermijdelijk zodra je keek.

'Dr. El-Masri.'

Ze draaide zich om. Haar ogen waren donkerbruin, bijna zwart, en ze namen hem op met een directheid die hem verraste. Geen glimlach. Geen handdruk. Ze keek naar hem zoals je naar een röntgenfoto kijkt — zoekend naar wat eronder zit.

'U bent kleiner dan ik verwachtte,' zei ze.

Maarten glimlachte. 'Dat is wederzijds.'

Een flikkering in haar ogen. Niet helemaal een glimlach, maar de suggestie van iets wat er op leek. 'Loop mee. Niet hier praten. Te veel microfoons.' Ze knikte naar de bewakingscamera in de hoek van de zaal.

'U denkt toch niet —'

'Ik denk helemaal niets,' onderbrak ze hem. 'Ik ben voorzichtig. Dat is iets anders.'

Ze leidde hem door de zalen met Mesopotamische cilinderzegels en Griekse vazen, een trap af, een gang door, naar een kleine studieruimte achter de restauratieafdeling. De ruimte was sober — een tafel, twee stoelen, een bureaulamp, planken vol archiefdozen. Ze deed de deur dicht en draaide hem op slot.

'Ga zitten.' Ze trok haar jas uit en hing hem over de rugleuning van haar stoel. Eronder droeg ze een eenvoudige zwarte coltrui. 'Koffie is er niet. Thee wel, maar die is vreselijk.'

'Ik heb geen thee nodig.'

'Goed.' Ze ging zitten, legde haar handen plat op de tafel en keek hem aan. 'Vertel me precies wat u hebt meegemaakt in Saqqara. Niet wat u hebt gemeten. Wat u hebt gevoeld.'

Maarten aarzelde. Dit was het moment waarop hij zichzelf belachelijk kon maken. Een gerespecteerd universitair hoofddocent die een collega vertelt over gevoelens in een ondergrondse kamer. Hij kon het verpakken in wetenschappelijke taal, zoals hij in zijn e-mail had gedaan. Of hij kon eerlijk zijn.

Hij koos voor eerlijkheid.

'De ruimte luisterde,' zei hij. 'Ik weet hoe dat klinkt. Maar er is geen andere manier om het te zeggen. De stilte was niet leeg. Ze was —'

'Aandachtig,' vulde Yara aan.

Het woord hing tussen hen in als een brug.

'Ja,' zei Maarten. 'Precies dat.'

Yara leunde achterover. Iets in haar houding veranderde — de strakke lijn van haar schouders ontspande een fractie. 'Dendera,' zei ze. 'Twee jaar geleden. De tempel van Hathor. Er is een kamer op het dak, officieel gecatalogiseerd als opslagruimte drie. Niemand gaat erheen. Geen toeristen, geen onderzoekers. De Egyptische autoriteiten hebben hem zelfs niet volledig in kaart gebracht.'

'En u bent er geweest.'

'Ik had een vergunning voor het bestuderen van de astronomische plafonds. Ik was alleen. Het was laat — de bewakers kenden me, ze lieten me werken na sluitingstijd.' Ze stond op en begon dozen van de plank te trekken. 'De kamer was klein. Drie bij vier meter volgens de officiële tekeningen. Maar toen ik er binnenstapte —'

'Was hij groter.'

Ze draaide zich naar hem om met een doos in haar handen. 'Niet een beetje groter, Maarten. De muren stonden op dezelfde plek. Ik kon ze aanraken. Maar de ruimte was groter. Alsof er achter de muren nog een kamer lag die je niet kon zien maar wel kon voelen.' Ze zette de doos op tafel en opende hem. 'En de stilte. Dezelfde stilte als wat u beschrijft. Aandachtig. Wachtend.'

Maarten boog zich naar voren. In de doos lagen tientallen foto's, vellen met handgeschreven meetgegevens, en drie kleine digitale recorders.

'Ik heb alles gedocumenteerd,' zei Yara. 'Foto's. Metingen. Laser, meetlint, infrarood. Alles bevestigt hetzelfde: de fysieke dimensies kloppen met de officiële tekeningen. Maar de akoestische dimensies niet. Het geluid gedraagt zich alsof de ruimte groter is. Significant groter.'

'Hoeveel groter?'

'Vier keer. Misschien meer.' Ze pakte een van de recorders. 'Maar dat is niet het vreemdste. Luister.'

Ze drukte op play. Eerst was er niets — de diepe, wollige stilte van een opname in een afgesloten ruimte. Geen verkeer. Geen wind. Geen menselijke geluiden. Maar na een paar seconden begon Maarten iets te voelen. Niet te horen — te voelen. Een druk tegen zijn trommelvliezen. Een lichte misselijkheid. Alsof de lucht in de kleine studieruimte begon te trillen op een frequentie die net onder de grens van het hoorbare lag.

'Wat is dat?' fluisterde hij.

'Infrageluid. 14,2 hertz. Te laag voor het menselijk oor, maar je lichaam registreert het. Kijk.' Ze haalde een uitgeprinte spectraalanalyse uit de doos en legde hem voor Maarten neer. De grafiek toonde een duidelijke piek bij een frequentie die in een verzegelde stenen kamer onmogelijk zou moeten zijn. 'Dit is geen mechanisch geluid. Geen ventilatiesysteem. Geen seismische activiteit. Ik heb alles laten checken. Deze frequentie —' Ze tikte op de piek in de grafiek. 'Die pulseert. Regelmatig. Als een hartslag.'

Maarten pakte de grafiek op. Zijn handen waren volkomen vast. Zijn geest was dat niet.

'Hoe lang hebt u dit al?'

'Twee jaar. Ik heb het aan drie collega's laten zien. De eerste zei dat mijn apparatuur defect was. De tweede stelde voor dat ik vakantie nam. De derde —' Ze pauzeerde. 'De derde nam het serieus. Hij was van plan om eigen metingen te doen in Dendera. Twee weken later werd zijn onderzoekssubsidie ingetrokken. Zonder opgaaf van reden.'

'Dat kan toeval zijn.'

'Kan.' Haar stem was vlak. 'En de anonieme berichten die ik daarna ontving? Zijn die ook toeval?'

Maarten legde de grafiek neer. 'Wat voor berichten?'

'Drie in totaal. Geen afzender. Geen digitaal spoor. Fysieke brieven, bezorgd op mijn huisadres hier in Oxford. Getypt, niet geprint. Op een ouderwetse schrijfmachine.' Ze opende een la en haalde een plastic mapje tevoorschijn. Door het transparante plastic zag Maarten het bruin-gele papier, de onregelmatige letters van een handmatige typemachine.

Sommige deuren zijn gesloten met een reden. Stop met kloppen.

'Allemaal variaties op hetzelfde thema,' zei Yara. 'Waarschuwingen. Niet expliciet dreigend. Maar de boodschap was duidelijk genoeg.'

'En u bent niet gestopt.'

Ze keek hem aan met die donkere, onbewogen ogen. 'Zou u zijn gestopt?'

Maarten dacht aan de nacht in Saqqara. Aan het moment waarop hij in die kamer had gestaan en had gevoeld hoe de werkelijkheid om hem heen dunner werd, doorzichtiger, alsof de materie waaruit de muren bestonden slechts een afspraak was, een conventie die op elk moment herroepen kon worden.

'Nee,' zei hij. 'Nee, dat zou ik niet.'

Yara knikte. Alsof hij een examen had gehaald.

'Mijn theorie,' zei ze, en nu veranderde haar stem — de afstandelijkheid maakte plaats voor iets wat leek op honger, een intellectuele gretigheid die haar gezicht transformeerde, 'is dat we kijken naar architectuur die niet alleen is ontworpen als structuur, maar als instrument. Een instrument dat reageert op menselijke aanwezigheid.'

'Responsieve architectuur.'

'U hebt mijn papers gelezen.'

'Allemaal. Drie keer.'

De suggestie van een glimlach weer. 'Dan weet u wat de academische wereld ervan vond.'

'Ik weet wat de academische wereld ervan zei. Dat is niet hetzelfde als wat ze ervan vond.'

Nu glimlachte ze echt, kort en fel, als een zonnestraal door een wolkendek. 'U bent slimmer dan uw e-mail deed vermoeden.'

'Mijn e-mail was voorzichtig.'

'Uw e-mail was bang. Maar dat is oké. Ik was ook bang. In het begin.' Ze stond op en begon te ijsberen door de kleine ruimte. 'Luister. Het gaat niet om magie. Het gaat niet om bovennatuurlijke krachten of buitenaardse technologie of welke onzin dan ook waarmee ze mijn werk hebben proberen te ridiculiseren. Het gaat om wetenschap. Akoestiek. Geometrie. Materiaalkunde.'

'Leg uit.'

'Bepaalde combinaties van steensoorten, afmetingen en geometrische verhoudingen creëren akoestische condities die de menselijke waarneming beïnvloeden. Dat is geen hypothese — dat is gedocumenteerd. De Hypogeum op Malta. Newgrange in Ierland. Bepaalde frequenties resoneren in die ruimtes op manieren die neurologische effecten hebben. Dat weten we al decennia.'

'Maar u gaat verder.'

'Ik ga verder.' Ze bleef staan en draaide zich naar hem om. 'Ik zeg dat die effecten niet toevallig zijn. Ik zeg dat de bouwers van die structuren precies wisten wat ze deden. Dat ze ruimtes ontwierpen die reageren op de aanwezigheid van een mens — op lichaamstemperatuur, op ademhaling, op de subtiele elektromagnetische velden die elk levend organisme genereert. En dat die reactie leidt tot een toestand van veranderde perceptie. Niet hallucinatie. Niet bedrog. Een uitbreiding van het waarnemingsveld.'

Maarten liet de woorden tot zich doordringen. Buiten sloeg de regen tegen het enige kleine raam van de studieruimte. Ergens in het museum sloot iemand een deur.

'De ruimtes worden groter,' zei hij langzaam. 'Niet fysiek. Perceptueel.'

'Ja.'

'En het infrageluid —'

'Is een bijproduct. Of misschien het mechanisme zelf. De puls die ik in Dendera heb opgenomen, die 14,2 hertz — dat is exact de frequentie die in neurologisch onderzoek wordt geassocieerd met de overgang tussen bèta- en alfagolven in de hersenen. De grens tussen alledaags bewustzijn en een toestand van verhoogde ontvankelijkheid.'

'Dat kan geen toeval zijn.'

'Twaalf locaties,' zei Yara. Ze ging weer zitten en trok de doos naar zich toe. 'Ik heb data van twaalf locaties. Dendera. Abydos. Het Serapeum in Saqqara. Mnajdra op Malta. De Hal Saflieni Hypogeum. Newgrange. Maeshowe op Orkney. Het orakel van Didyma. Twee locaties in Peru en een in Cambodja. Overal dezelfde anomalie. Dezelfde frequentie. Dezelfde stilte.'

Maarten voelde het bloed in zijn oren suizen. 'Ik heb twaalf locaties op mijn lijst.'

'Laat me raden. Ze overlappen, maar niet volledig.'

'Zes dezelfde. Zes andere.'

Yara's ogen werden groot. Het was de eerste keer dat hij haar kalme façade zag barsten. 'Achttien locaties,' fluisterde ze. 'Als we allebei gelijk hebben — achttien bevestigde locaties.'

'Misschien meer. Mijn patroon suggereert dat er een wiskundige relatie is tussen de coördinaten. Als die klopt, zouden er meer dan vijftig van zulke ruimtes kunnen bestaan. Verspreid over de hele wereld.'

Yara sloot haar ogen. Maarten zag hoe ze haar handen tot vuisten balde en weer ontspande. Toen ze haar ogen opende, was de wetenschapper terug — koel, precies, beheerst.

'Dit is groter dan ik dacht,' zei ze.

'Veel groter.'

'En gevaarlijker.' Ze boog zich naar voren. 'Luister naar me, Maarten. Iemand weet hiervan. Niet alleen de mensen die mij die brieven hebben gestuurd. Iemand op een ander niveau. Mijn onderzoekssubsidie werd niet ingetrokken door een bureaucratische fout. Die werd geannuleerd. Van bovenaf. Door iemand die toegang heeft tot de financieringsstructuren van drie verschillende universiteiten. Dat is geen klokkenluider met een typemachine. Dat is een organisatie.'

'U klinkt als een complottheoreticus.'

'En u klinkt als iemand die nog niet genoeg bang is.' De scherpte in haar stem was als de punt van een scalpel. 'Ik heb zeven jaar aan mijn carrière gewerkt om serieus genomen te worden. Mijn proefschrift was magna cum laude. Mijn eerste publicatie in Antiquity werd genomineerd voor de Hyksos-prijs. En nu word ik behandeld als een excentriekeling die te lang in de zon heeft gestaan. Dat is niet het gevolg van slechte wetenschap. Dat is het gevolg van iemands beslissing.'

De stilte die volgde was niet aandachtig. Het was een menselijke stilte, gevuld met boosheid en frustratie en het soort vermoeidheid dat ontstaat als je jarenlang de waarheid vertelt tegen mensen die niet willen luisteren.

'Ik geloof u,' zei Maarten. 'Ik geloof niet alles wat u zegt. Nog niet. Maar ik geloof dat uw data echt zijn. En ik geloof dat er iets is wat we niet begrijpen en wat we zouden moeten begrijpen.'

Yara bestudeerde hem. Lang. Alsof ze beslissingen nam achter die donkere ogen waar hij geen toegang toe had.

'U hebt het patroon,' zei ze ten slotte. 'De wiskundige relatie tussen de locaties. Dat heb ik niet. Ik heb de data ter plaatse — de metingen, de opnames, de spectraalanalyses. Die hebt u niet.'

'Samen zien we het volledige plaatje.'

'Misschien.' Ze pakte de recorder van tafel en stopte hem terug in de doos. 'Misschien zien we iets waar we beter niet naar hadden kunnen kijken.'

'Dat risico neem ik.'

'Dat zegt iedereen. Tot het moment dat het risico reëel wordt.' Ze sloot de doos en legde haar hand erop, als een eed. 'Maar goed. Ik zal niet doen alsof ik een keuze heb. Ik heb twee jaar in mijn eentje aan dit materiaal gewerkt. Twee jaar waarin ik dacht dat ik misschien gek aan het worden was. En dan stuurt een onbekende archeoloog uit Leiden me een e-mail die bevestigt wat ik al die tijd al vermoedde.'

'Dat de ruimtes reageren.'

'Dat de ruimtes bestaan. Dat het niet één locatie is. Dat het een systeem is.' Ze stond op en trok haar regenjas aan. 'We werken samen. Maar onder mijn voorwaarden. Geen e-mail. Geen onbeveiligde communicatie. We ontmoeten elkaar persoonlijk of we spreken via een versleutelde lijn die ik zal regelen. Al onze data houden we fysiek — geen cloud, geen servers, geen digitale kopieën die iemand kan onderscheppen.'

'U bent serieus.'

'Dodelijk serieus.' Ze opende de deur en keek de gang in voordat ze hem wenkte. 'Ik zal u iets laten zien. Niet hier. In mijn flat. Iets wat ik nog niemand heb laten zien.'

Ze liepen door het museum naar de uitgang. De regen was aangewakkerd tot een gestaag gordijn dat de straten van Oxford in een waas van grijs en zilver hulde. De torens van de colleges staken als silhouetten af tegen een hemel die geen horizon had.

Naast hem liep Yara El-Masri met snelle, doelgerichte passen, haar kraag omhoog, haar blik recht vooruit. Ze zei niets. Maarten evenmin. Er was een soort stilte tussen hen ontstaan die hem deed denken aan de stilte in de kamers — niet leeg, niet ongemakkelijk, maar geladen met iets wat nog geen naam had.

Ergens achter hen, in de Egyptische zaal van het Ashmolean, staarde de beschilderde sarcofaag van Tanutamun met lege ogen naar het plafond. De canopische vazen stonden in hun vitrine zoals ze al eeuwen stonden, gevuld met dingen die ooit levend waren geweest. En de bewakingscamera in de hoek registreerde twee lege stoelen waar even geleden nog twee mensen hadden gezeten die bezig waren het gevaarlijkste te doen wat een wetenschapper kan doen.

De juiste vragen stellen.