De Drempel van Hermes
Hoofdstuk 30 – De Hereniging
Hij werd wakker van het licht. Geen zonsopgang—het was al lang dag. Het licht kwam van overal tegelijk, kaatste van de getijdenkreek, van de natte slikvlaktes, van de dunne waterlaag op het buitendijkse land. De oude vuurtoren had geen gordijnen, alleen stof en zeevogelmest op de ramen, en het was alsof de hele Westerschelde door de smalle openingen naar binnen stroomde.
Maarten ging rechtop zitten op de slaapzak. Zijn hoofd voelde licht. Niet onprettig licht, maar anders—alsof zijn schedel minder substantie had dan gisteren. De tweede dag van het vasten. Hij was vannacht een paar keer wakker geworden met een bonkend hart, een gevoel alsof zijn lichaam zich afvroeg waar de gebruikelijke brandstof bleef.
Beneden hoorde hij niets. Asselbergs had zich teruggetrokken in een van de kleinere ruimtes op de begane grond, waar hij blijkbaar de nacht had doorgebracht. Ze hadden afgesproken geen gesprekken te voeren tenzij noodzakelijk. Het stilzwijgen was geen religieuze discipline, maar een praktische—woorden waren afleiding. En Maarten merkte dat hij zonder conversatie scherper werd, zijn gedachten helderder.
Hij stond op, liep naar het raam. Het water was aan het stijgen. Hij kon het zien aan de lijn van nat op droog, de grens die langzaam opschoof richting de dijk. Over een paar uur zou de kreek volstromen, het hele buitendijkse land onder een dunne laag water verdwijnen. Dan weer ebbe, dan weer vloed. Twee keer per dag herhaalde de Westerschelde het oeroude ritme.
Hij voelde de drempel sterker dan gisteren. Het was geen verbeelding. Het was alsof de leegte in zijn maag ruimte had gemaakt voor iets anders, een andere vorm van honger. Een honger naar—hij wist niet precies waarnaar. Naar overgaan, misschien. Naar het dunne worden van de dingen.
Maarten dronk water uit de jerrycan die Asselbergs had meegebracht. Lauw, met een vage plasticsmaak, maar het voelde goed om te drinken. Hij ging op de vensterbank zitten, keek naar buiten. Een groep wulpen streek neer op de slikvlakte, prikten met lange snavels in de modder. Verder weg, bij de waterlijn, stond een reiger bewegingloos te wachten.
De wereld was groot en klein tegelijk. Groot: de enorme horizon, de zee die zich uitstrekte tot Vlissingen en verder, tot de Noordzee. Klein: deze toren, dit lichaam, dit moment. Maarten voelde beide waarheden tegelijk en ze waren niet tegenstrijdig.
Hij dacht aan Yara. Of ze zijn bericht had begrepen. Of ze wist waar Nehalennia's oude cultusplaatsen zich hadden bevonden. Ze moest het weten—ze hadden er maanden geleden over gesproken, toen ze de verbindingen aan het traceren waren tussen de Nijldelta en de Noordzee. Ze had een kaart gemaakt. "Kijk," had ze gezegd, "Colijnsplaat, Domburg, maar ook hier, bij Ellewoutsdijk. Altaarstenen, gevonden in de achttiende eeuw. De bronnen zijn vaag, maar consistent."
Maar of ze zou komen—dat was een andere vraag. Het was gevaarlijk. De Prometheus Initiative zou haar in de gaten houden. En misschien had ze besloten dat het beter was om afstand te bewaren, om niet mee te gaan in Maartens laatste, desperaat gebaar.
Hij probeerde niet te hopen. Hoop was een vorm van verwachting, en verwachting was een vorm van verzet tegen wat is. Hij had geleerd om dat los te laten in de drempels.
Maar hij hoopte toch.
De ochtend verstreek in stilte. Maarten liep de trap af, naar buiten, het licht in. De lucht was fris, met een zilte ondertoon. Hij liep langs de dijk, naar het stuk strand waar hij gisteren het Nehalennia-fragment had gevonden. Het lag er nog, de steen met zijn halfvergane reliëf, het gezicht dat bijna was opgelost in de tijd.
Hij raakte het niet aan. Het voelde ongepast, op de een of andere manier. Alsof het een grens zou zijn om het op te pakken, mee te nemen. Het hoorde hier.
In plaats daarvan ging hij zitten op de kiezels, zijn rug tegen de dijk. De zon was warm op zijn gezicht. Hij sloot zijn ogen, voelde het getij. Het was er altijd, had hij gemerkt—een voortdurend duwen en trekken, zelfs wanneer het water stil leek te staan. De maan bewoog de oceanen, en de oceanen bewogen de rivieren, en de rivieren bewogen het grondwater, en het grondwater bewoog alles.
Hier, op deze plek, had het zich geconcentreerd. Waarom? Wat maakte dit punt bijzonder? Was het geologie—een breuk in de ondergrond, een kruispunt van oude rivieren? Was het geschiedenis—de accumulatie van rituelen, duizenden offers aan Nehalennia, duizenden gebeden om veilige overtocht? Of was het iets ouders, iets dat voorafging aan menselijke betekenis?
Alle drie, waarschijnlijk. De drempels lagen waar de lagen van realiteit op elkaar drukten, waar verschillende soorten tijd elkaar raakten. Geologische tijd, menselijke tijd, mythische tijd.
Een geluid deed hem opkijken. Een auto, in de verte, op de weg achter de dijk. Niet ongewoon—de Zeedijk van Ellewoutsdijk was een doorgangsweg. Maar het geluid stopte. Een autoportier dat dichtging. Voetstappen op grint.
Maarten stond op, zijn hart ineens luid in zijn oren. Hij klom de dijk op, keek over de rand.
Een zwarte Volkswagen Golf, geparkeerd bij de ingang van het vuurtorenterrein. En daarnaast, haar hand boven haar ogen tegen de zon, Yara.
Ze had hem al gezien. Ze zwaaide niet, glimlachte niet—ze stond daar gewoon, kalm, alsof ze hier had afgesproken. Alsof het volkomen natuurlijk was dat ze op dit verlaten stuk Zeeland uit een auto stapte om hem te vinden.
Maarten liep naar beneden, de dijk af, over het grindpad. Zijn benen voelden niet helemaal stabiel—de leegte, het vasten. Maar hij liep door, en toen stond hij voor haar, en hij wist niet wat hij moest zeggen.
"Hoi," zei Yara.
"Hoi."
Ze keek hem aan, haar donkere ogen kalm maar onderzoekend. "Je ziet er beroerd uit."
"Ik voel me eigenlijk best goed."
"Wanneer heb je voor het laatst gegeten?"
"Gisteravond. Bij zonsondergang. We zijn—" Hij stopte. "Hoe heb je me gevonden?"
Yara haalde haar schouders op. "Water en wind. Het zuiden. Nehalennia. Het was niet zo moeilijk. Drie mogelijke locaties—Colijnsplaat, Domburg, hier. Maar hier is het sterkst, toch? De oude kaarten spreken over altaren bij Ellewoutsdijk. En een vuurtoren is—" Ze glimlachte flauw. "Een vuurtoren is typisch iets voor jou."
"Je bent alleen gekomen?"
"Ja."
"Yara, als ze je hebben gevolgd—"
"Ze hebben me niet gevolgd." Haar stem was rustig, zeker. "Ik ben voorzichtig geweest. Verschillende auto's, verschillende routes. En Nadia heeft me geholpen—een paar afleidingen, wat ruis in het systeem. Als Prometheus naar me zoekt, denken ze dat ik in Duitsland zit."
Maarten voelde iets in zijn borst losser worden. "Nadia."
"Ze zei dat ik gek was. Maar ze hielp wel." Yara stapte dichterbij. "Maarten, wat ben je hier aan het doen?"
Hij draaide zich om, wees naar de vuurtoren, de kreek, het uitgestrekte water. "Het vinden. De brondrempel. Asselbergs denkt—we denken dat het hier is. Het punt waar het allemaal begon."
"Asselbergs. De man uit Eenrum."
"Hij is binnen. We vasten. Drie dagen. Het is—" Maarten zocht naar woorden. "Het is de enige manier. Om dicht genoeg bij te komen."
Yara keek hem lang aan. Toen knikte ze. "Oké."
"Oké?"
"Ik bedoel—ik begrijp het. Als dit werkelijk de plek is, als de drempel hier is, dan moet je leeg zijn om hem te voelen. Dat heb je altijd gezegd." Ze zweeg even. "Hoe erg is het? De drempel?"
"Sterk. Het sterkste dat ik ooit heb gevoeld. Het is—alsof de hele kust hier dunner is. Alsof de grens tussen water en land niet helemaal vast is." Hij keek haar aan. "Voel jij het?"
Yara sloot haar ogen, stond stil. Maarten wachtte. Hij kende deze concentratie, deze interne kalibratie. Yara had niet zijn gevoeligheid voor de drempels—weinig mensen hadden dat—maar ze had wel een soort instinct, een vermogen om te voelen waar de patronen zich verzamelden.
"Ja," zei ze uiteindelijk. "Er is iets. Een soort—druk? Alsof de lucht zwaarder is. Of lichter. Beide tegelijk." Ze opende haar ogen. "Het is verwarrend."
"Dat is het altijd."
Ze liepen samen naar de vuurtoren. Bij de ingang aarzelde Yara. "Hoe ziek is hij? Asselbergs."
"Erg. Hij zou al dood moeten zijn. Alvleesklierkanker, stadium vier. Maar hij is—taai. Of gedreven. Waarschijnlijk beide."
"En je vertrouwt hem?"
Maarten dacht erover na. "Niet volledig. Maar ik geloof dat we hetzelfde willen. In elk geval op dit moment."
"En wat willen we?"
"De waarheid. De bron. Het punt waar alles samenkomt." Hij keek haar aan. "Jij hoeft niet te blijven. Als je alleen kwam om te controleren of ik nog leef—"
"Maarten."
"Ja?"
"Hou op." Yara's stem was zacht maar beslist. "Ik ga nergens heen."
Ze gingen naar binnen. De vuurtoren was koel en schemerig na het felle buitenlicht. Asselbergs zat beneden, bij een van de kleine ramen, in een houding van meditatie of uitputting—moeilijk te zeggen. Hij keek op toen ze binnenkwamen.
"Dr. El-Masri." Zijn stem was zwak maar beheerst. "Ik vroeg me af of u zou komen."
"Meneer Asselbergs." Yara knikte beleefd. "U ziet er—"
"Stervend uit? Dat klopt." Hij glimlachte flauw. "Maar nog niet dood. Nog niet."
Er viel een stilte. Maarten voelde de vreemdheid van de situatie—drie mensen in een verlaten vuurtoren, vastend, wachtend op iets dat misschien niet eens echt was. Het was waanzinnig. Het was ook volmaakt logisch.
"Ik ga meedoen," zei Yara. "Met het vasten. Als dat—als dat mag."
Asselbergs keek haar aan. "U begrijpt wat u vraagt? Het is niet comfortabel. En het is niet zonder risico."
"Ik begrijp het."
"U bent al begonnen met eten vandaag?"
"Ontbijt. Om zes uur."
"Dan begint uw vasten bij zonsondergang. Dat is over—" Hij keek naar het raam, berekende de stand van de zon. "Zes uur. U kunt tot dan eten en drinken."
Yara knikte. Ze had een rugzak bij zich, haalde er een fles water en een zak noten uit. Ze at langzaam, methodisch, als iemand die zich voorbereidt op een lange tocht. Maarten keek toe, voelde zijn maag protesteren bij het zien van voedsel, maar het was een abstract protest. Zijn honger was al iets anders geworden.
De middag verstreek traag. Maarten en Asselbergs bleven in stilte, terwijl Yara buiten rondliep, de omgeving verkende. Maarten zag haar bij de waterlijn staan, later bij het Nehalennia-fragment, nog later bovenop de dijk, turend naar de horizon.
Bij vier uur gebeurde er iets onverwachts.
Een tweede auto.
Maarten hoorde het van bovenin de toren, waar hij op de vensterbank zat. Een motor, dichterbij komend, stoppend. Weer een autoportier. Maar dit keer twee paar voetstappen.
Hij stond op, zijn hart plotseling luid. Prometheus? Maar ze zouden niet met één auto komen. Ze zouden niet parkeren en uitstappen als toeristen.
Hij liep naar het raam aan de andere kant, keek naar beneden.
Yara stond bij de ingang. En naast haar—
Nee.
Nee, dat kon niet.
Maarten rende de trap af, zijn evenwicht bijna verliezend op de smalle treden, zijn hoofd licht en zijn hart bonkend. Hij stormde door de deuropening, het licht in.
Lotte draaide zich om. Zijn dochter. Zestien jaar oud, met haar rugzak en haar spijkerjack en haar witte sneakers vol modder. Ze keek hem aan met een uitdrukking die half schuldig was, half uitdagend.
"Hoi pap."
Maarten kon geen woorden vinden. Hij keek van Lotte naar Yara en weer terug. Yara hief haar handen in een gebaar van overgave.
"Ik wist het niet," zei ze. "Ze stond bij mijn auto toen ik terugkwam van de dijk. Ze heeft me gevolgd."
"Niet gevolgd," zei Lotte. "Getracked. Je telefoon, Yara. Sorry. Ik heb een app geïnstalleerd toen je in de badkamer was, vorige week. Ik wist dat er iets gaande was. En toen pap dat rare berichtje stuurde—"
"Lotte." Maartens stem kwam er ruwer uit dan hij bedoelde. "Wat doe je hier?"
"Hetzelfde als jij, denk ik." Ze keek hem recht aan. "Ik voel het, pap. Al weken. Misschien wel maanden. Het is—het is alsof er iets roept. Alsof er een toon is die alleen ik kan horen. En het komt hiervandaan. Uit het zuiden. Uit het water." Ze zweeg even. "Jij voelt het ook, toch?"
Maarten voelde zijn keel dik worden. Hij wilde schreeuwen, wilde haar terugsturen, wilde haar veilig weten in Amsterdam of Leiden of waar dan ook behalve hier, op deze gevaarlijke, onmogelijke plek. Maar hij zag de blik in haar ogen en hij herkende die. Het was zijn eigen blik, weerspiegeld. De blik van iemand die iets heeft gezien dat anderen niet zien, die iets weet dat niet valt uit te leggen.
"Je kunt hier niet blijven," zei hij uiteindelijk. "Het is te gevaarlijk. Als Prometheus—"
"Prometheus weet niet waar ik ben. Mam denkt dat ik bij een vriendin logeer. Ik heb niemand verteld waar ik naartoe ging. Alleen—" Ze keek naar Yara. "Alleen jou gevolgd."
"Lotte, dit is niet—" Maarten zocht naar woorden. "Dit is niet een of ander avontuur. Dit is serieus. Er zijn mensen die—"
"Die jullie willen tegenhouden. Dat weet ik." Lottes stem was kalm. "Daarom ben ik hier. Om te helpen."
"Je bent zestien."
"En ik voel het sterker dan jij." Het was geen opscheppen. Het was een simpele vaststelling. "Toch? Ik voel het al sinds we hier aankwamen. Sinds ik bij Yara's auto stond. Het is—pap, het is alsof de hele kust hier beweegt. Alsof het ademt."
Maarten keek naar Yara. Ze haalde haar schouders op, haar gezicht bezorgd maar ook—iets anders. Nieuwsgierig, misschien.
"Ze heeft gelijk," zei Yara zacht. "Ik vroeg haar wat ze voelde, toen ze aankwam. Ze beschreef dingen die ze niet zou kunnen weten. De kreek die zich uitsplitst onder de grond. Het ritme van het getij, hoe het zich versnelt en vertraagt. Ze zei—" Yara aarzelde. "Ze zei dat er vier punten zijn, onder de slikvlakte. Vier plaatsen waar het concentreert."
Maarten staarde zijn dochter aan. "Vier punten."
Lotte knikte. "Ik weet niet wat ze zijn. Stenen, misschien? Of—of iets anders. Maar ik voel ze. Ze zijn oud. Heel oud."
Asselbergs verscheen in de deuropening van de vuurtoren. Hij leunde zwaar op de deurpost, zijn gezicht grauw. Maar zijn ogen waren alert, gericht op Lotte.
"Vier altaren," zei hij. "Nehalennia had vier altaren op deze plek. Beschreven in de achttiende-eeuwse bronnen, maar de precieze locaties waren verloren gegaan toen de Westerschelde eroverheen spoelde." Hij keek van Lotte naar Maarten. "Dit is uw dochter."
"Ja."
"Ze is sensitief."
"Dat is niet—" Maarten stopte. Wat wilde hij zeggen? Dat het niet relevant was? Dat het toeval was? Hij kon niet meer liegen, zelfs niet tegen zichzelf. "Ja. Ze is sensitief."
Asselbergs kwam dichterbij, zijn bewegingen traag en pijnlijk. Hij bleef staan voor Lotte, keek naar haar met een uitdrukking die Maarten niet helemaal kon lezen. Respect, misschien. Of herkenning.
"Wat is uw naam, jongdame?"
"Lotte. Lotte Vos."
"Lotte. Weet u waar u bent?"
"Bij een drempel. De grootste die er is."
"En weet u wat er kan gebeuren, bij een drempel?"
Lotte aarzelde. "Je kunt—overgaan. Denk ik. Naar de andere kant. Wat die andere kant ook is."
"En dat maakt u niet bang?"
"Jawel." Lottes stem was klein maar vast. "Natuurlijk wel. Maar ik moet hier zijn. Ik weet niet waarom, maar ik moet."
Asselbergs knikte langzaam. Hij draaide zich om naar Maarten. "Ze moet blijven."
"Absoluut niet." Maartens stem was harder dan hij bedoelde. "Dit is—dit gaat te ver. Ze is een kind."
"Ze is een gids." Asselbergs' toon duldde geen tegenspraak. "Sommige mensen zijn geboren met de gave om drempels te voelen. Het is zeldzaam, steeds zeldzamer in deze tijd. Maar als iemand het heeft—" Hij keek naar Lotte. "Dan is het niet toevallig. En het is niet om te verspillen."
"Ze is mijn dochter."
"Dat ontken ik niet. Maar ze is hier om een reden." Asselbergs richtte zich weer op, een inspanning die hem duidelijk moeite kostte. "U heeft de kaart in uw hoofd, Maarten. Alle patronen, alle verbindingen. Maar u kunt niet zien waar ze naartoe wijzen. Niet helemaal. U mist—perspectief." Hij gebaarde naar Lotte. "Zij heeft dat perspectief. Haar gevoeligheid is puur, onbelast door theorie of verwachting. Als we de brondrempel willen vinden, hebben we haar nodig."
"Nee." Maarten voelde paniek opkomen, een golf van beschermende woede. "Ik ga mijn dochter niet gebruiken als—als een soort instrument. Een detector. Dat is niet—"
"Pap."
Lotte's hand op zijn arm. Maarten keek naar haar, zag iets in haar gezicht dat hem de adem benam. Ze was bang, ja. Maar ze was ook—zeker. Op een manier die hij zelf nooit was geweest op haar leeftijd.
"Ik wil het," zei ze. "Ik wil helpen. Niet omdat die meneer—" Ze wees naar Asselbergs. "—het zegt. Maar omdat het klopt. Ik voel het. Dit is waarom ik die dromen heb gehad. Waarom ik gebouwen voel zoeming. Waarom ik wist waar jij naartoe was. Het is—het is alsof ik mijn hele leven naar deze plek toe ben geleid."
"Je bent zestien," fluisterde Maarten. "Je hele leven is—"
"Lang genoeg." Lottes ogen glansden. "Pap, ik ben niet dom. Ik weet dat dit eng is. Ik weet dat er risico's zijn. Maar ik ben al betrokken. Of je me hier laat blijven of niet, ik ben al onderdeel van dit verhaal. Het enige verschil is of ik het hier doe, met jou, of dat ik het alleen moet uitzoeken."
Maarten keek hulpeloos naar Yara. Ze stond een paar meter verderop, haar armen over elkaar, haar gezicht bedachtzaam.
"Het is jouw beslissing," zei Yara. "Maar—Maarten, ze heeft een punt. En als ze werkelijk kan voelen wat ze beweert—" Ze liet de zin onafgemaakt.
Maarten sloot zijn ogen. Hij voelde de drempel, een constante aanwezigheid nu, een druk achter zijn voorhoofd. Hij voelde zijn lege maag, de lichtheid in zijn hoofd. Hij voelde de wind van de Westerschelde, de geur van slib en zout. Hij voelde alles tegelijk en het was overweldigend.
Maar het sterkste wat hij voelde was de hand van zijn dochter op zijn arm. Klein en warm en echt.
"Als je blijft," zei hij uiteindelijk, zijn stem schor, "dan blijf je bij mij. De hele tijd. Waar ik ga, ga jij. Begrepen?"
Lotte knikte.
"En als ik zeg dat we stoppen, stoppen we. Geen argumenten."
"Oké."
"En je moeder—jezus, je moeder gaat me vermoorden."
Lotte glimlachte flauw. "Waarschijnlijk wel."
Asselbergs liet een zacht, raspend geluid horen dat misschien een lach was. "Goed. Dan zijn we met zijn vieren. Dat is—passend. Vier personen, vier altaren. Er is een symmetrie in."
"U bent niet bepaald in staat om ver te lopen," zei Yara. Het was niet wreed bedoeld, gewoon een observatie.
"Nee," gaf Asselbergs toe. "Maar ik ben hier. Dat is voldoende. Mijn rol is—beperkt. Maar noodzakelijk." Hij keek naar de horizon, waar de zon langzaam zakte richting de Westerschelde. "Over twee uur is het zonsondergang. Dan begint het vasten voor u, Dr. El-Masri. En voor de jongedame—"
"Ik doe ook mee," zei Lotte meteen. "Met het vasten."
"Lotte, nee." Maarten schudde zijn hoofd. "Dat is niet—je bent te jong. Je lichaam heeft—"
"Pap, ik ben zestien, niet zes. Ik kan best drie dagen niet eten."
"Het is niet gezond. Niet op jouw leeftijd."
"En het is wel gezond voor jou? Je ziet eruit alsof je elk moment om kunt vallen." Lotte keek hem uitdagend aan. "Als je het kunt, kan ik het ook."
Maarten voelde de frustratie opborrelen, maar ook iets anders. Trots, misschien. Of herkenning. Zijn eigen koppigheid, weerspiegeld in haar.
"Ze kan tot morgenochtend vasten," zei Asselbergs. "Eén dag. Dat is voldoende om de effecten te voelen, en veilig genoeg voor iemand van haar leeftijd." Hij keek naar Lotte. "Akkoord?"
Lotte overwoog het, knikte toen. "Akkoord."
De zon zakte lager. Ze gingen de vuurtoren in, de vier van hen, en het was vreemd hoe de ruimte ineens kleiner leek en ook groter. Yara en Lotte deelden een plek bij het raam op de begane grond, waar het licht het beste was. Asselbergs trok zich terug in zijn hoek. Maarten klom weer naar boven, naar de kamer waar hij de nacht had doorgebracht.
Hij keek door het stoffige raam naar buiten. De wereld was goud geworden in het late licht, de slikvlaktes glanzend, het water van de kreek een strook vloeibaar brons. Hij zag vogels in formaties overvliegen, misschien ganzen op weg naar noordelijker gebieden. Hij zag de dijk als een lange, donkere lijn tegen de horizon.
En hij voelde de drempel, sterker dan ooit. Het was alsof de aanwezigheid van Lotte het had versterkt, of misschien had ontsloten. Er was een resonantie nu, een soort harmonie. Vier mensen, vier frequenties. Vier manieren van voelen.
Maarten ging zitten met zijn rug tegen de muur. Hij sloot zijn ogen. Het bonken van zijn hart vertraagde, werd rustiger. Hij liet zijn gedachten leegstromen, zoals hij had geleerd in de drempels. Geen analyse, geen planning. Alleen zijn.
Beneden hoorde hij Yara en Lotte zacht praten. Hij kon de woorden niet verstaan, maar de toon was rustig, geruststellend. Goed. Lotte had iemand nodig die niet haar vader was, iemand die objectiever kon zijn. Yara zou goed voor haar zorgen.
De schemering viel. Maarten voelde het zonder zijn ogen te openen—de kwaliteit van het licht veranderde, werd zachter, blauwig. Het praten beneden stopte. Stilte daalde neer over de vuurtoren.
De tweede nacht van het vasten. Voor hem en Asselbergs de derde dag die begon. Voor Yara en Lotte de eerste. Maarten vroeg zich af hoe zijn dochter het zou ervaren, die leegte die zich opende wanneer het lichaam besefte dat er geen voedsel kwam. Zou ze bang zijn? Zou ze volhouden?
Hij moest erop vertrouwen. Hij moest erop vertrouwen dat ze sterk genoeg was, wijs genoeg om te stoppen als het te veel werd.
De nacht werd dieper. Maarten opende zijn ogen, keek naar de sterren die zichtbaar werden boven de Westerschelde. Er was weinig lichtvervuiling hier, ver van de grote steden. De Melkweg was een vage band over het firmament.
Hij dacht aan alle nachten die hij onder deze sterren had gestaan, op verschillende plaatsen. In Egypte, in het Vaticaan, in de Atlantische Oceaan. Altijd op zoek naar hetzelfde—het dunne punt, de plek waar de werkelijkheid minder vast was. En nu was hij hier, op de plek waar het allemaal misschien was begonnen. De bron.
Een geluid deed hem opkijken. Voetstappen op de trap, licht en aarzelend. Lotte verscheen in de deuropening, haar silhouet zwart tegen het zwakke licht van beneden.
"Pap? Mag ik binnenkomen?"
"Natuurlijk."
Ze kwam de kamer in, ging naast hem zitten tegen de muur. Een tijdje zeiden ze niets. Buiten riep een vogel, een enkele, heldere noot in de duisternis.
"Hoe voel je je?" vroeg Maarten uiteindelijk.
"Raar. Mijn maag doet pijn. Maar het is—het is niet erg. Ik kan het wel aan."
"Als het te veel wordt—"
"Ik weet het. Ik zal het zeggen." Lotte zweeg even. "Yara is aardig. Ze heeft me dingen verteld. Over Egypte. Over de tempels daar."
"Ze is een goeie."
"Hou je van haar?"
De vraag kwam onverwacht, direct. Maarten voelde zich plotseling ongemakkelijk. "Ik—dat is ingewikkeld."
"Waarom?"
"Omdat—omdat we collega's zijn. Vrienden. Het is niet zo simpel als—"
"Pap." Lottes stem was zacht, bijna geamuseerd. "Ik ben zestien, niet blind. Ik zie hoe je naar haar kijkt."
Maarten zweeg. Hij wist niet wat hij moest zeggen. Het was waar, natuurlijk. Hij had gevoelens voor Yara, gevoelens die verder gingen dan collegiaal respect. Maar er was nooit het juiste moment geweest, de juiste omstandigheden. Altijd was er werk, of gevaar, of complicaties.
"Ze kijkt ook zo naar jou," zei Lotte. "Voor het geval je het niet doorhad."
Maartens hart deed iets vreemds. "Heeft ze—heeft ze iets gezegd?"
"Nee. Maar sommige dingen hoef je niet te zeggen." Lotte leunde tegen zijn schouder. "Het is oké, pap. Mam is verder gegaan. Jij mag ook verder gaan."
Maarten voelde zijn keel dik worden. Hij sloeg zijn arm om zijn dochter, trok haar dichterbij. "Wanneer ben je zo wijs geworden?"
"Ik ben altijd al wijs geweest. Je lette alleen niet goed op."
Hij lachte zacht. "Dat is waar."
Ze bleven zo zitten, vader en dochter, in de duisternis van de vuurtoren. En Maarten voelde iets verschuiven in zijn borst, iets dat lang verkrampt was geweest. Hij had zo lang geprobeerd om Lotte beschermd te houden van zijn werk, van de vreemdheid van zijn leven. Maar misschien was dat verkeerd geweest. Misschien was ze altijd al onderdeel geweest van dit verhaal, vanaf het begin.
"Wat voel je nu?" vroeg hij na een tijdje. "De drempel."
Lotte sloot haar ogen. "Het is—het is als een soort muziek. Maar dan zonder geluid. Een trillen. Het komt van overal tegelijk, maar vooral van buiten. Van het water." Ze aarzelde. "Het wordt sterker. Elk uur, elke minuut. Het is alsof het weet dat we hier zijn. Alsof het—wakker wordt."
Een rilling liep over Maartens rug. "Wakker wordt."
"Ja. Ik weet niet hoe ik het anders moet uitleggen. Het voelt levend. Oud en levend tegelijk."
Maarten knikte langzaam. Hij begreep het. Hij had hetzelfde gevoeld bij andere drempels, maar nooit zo sterk als hier. Het was alsof de drempels op de een of andere manier bewust waren, of in elk geval responsief. Ze reageerden op aandacht, op intentie.
"Ben je bang?" vroeg hij.
Lotte dacht na. "Ja. Maar ook—opgewonden? Is dat raar?"
"Nee. Dat is precies hoe het hoort te voelen."
Later, toen Lotte weer naar beneden was gegaan, ging Maarten bij het raam staan. De maan was op, een halvemaan, wit en scherp boven de Westerschelde. Het licht ervan weerkaatste op het water van de kreek, maakte het landschap spookachtig en mooi.
Hij zag beweging beneden. Yara, die naar buiten liep. Ze ging op de trap van de vuurtoren zitten, haar gezicht naar de maan. Maarten aarzelde, daalde toen de trap af, liep naar buiten.
Ze keek op toen hij naast haar ging zitten. "Hoi."
"Hoi. Kun je niet slapen?"
"Nog niet. Jij?"
"Ik slaap niet veel de laatste tijd." Hij zweeg even. "Dank je. Voor met Lotte te praten."
"Ze is een goed kind. Slim. En braver dan ik was op haar leeftijd." Yara glimlachte flauw. "Hoewel dat niet veel zegt."
"Je was een rebel?"
"Zo zou je het kunnen noemen. Mijn ouders wilden dat ik medicijnen ging studeren. Ik wilde de woestijn in, graven in het zand. We spraken twee jaar niet met elkaar." Ze haalde haar schouders op. "Uiteindelijk verzoenden we ons. Maar het was moeilijk."
"Lotte's moeder wil dat ze rechten studeert. Of economie. Iets praktisch."
"En Lotte wil?"
"Archeologie. Natuurlijk." Maarten lachte zacht. "Ik heb haar niet beïnvloed, zweer ik. Het zit er gewoon in."
"Sommige dingen zitten erin. Ze worden niet geleerd." Yara keek naar de maan. "Zoals de gevoeligheid voor drempels. Dat is niet iets dat je kunt aanleren. Je hebt het of je hebt het niet."
"Denk je dat het erfelijk is?"
"Misschien. Of misschien is het iets anders. Een soort afstemming. Sommige mensen zijn geboren met de juiste frequentie om bepaalde dingen te voelen." Ze zweeg even. "Maarten, wat denk je dat er gaat gebeuren? Hier. Met de drempel."
Maarten dacht lang na voor hij antwoordde. "Ik denk dat we hem gaan vinden. De brondrempel. En ik denk—ik hoop—dat we hem kunnen begrijpen. De patronen, de verbindingen. Alles waar we naar hebben gezocht."
"En daarna?"
"Dat weet ik niet." Het was een eerlijk antwoord. "Misschien is er geen daarna. Misschien is dit het eindpunt."
Yara keek hem aan, haar ogen donker in het maanlicht. "Denk je dat Asselbergs het gaat halen?"
"Nee. Eerlijk gezegd niet. Hij is—hij is bijna op. Maar ik denk dat hij wil blijven leven tot we de drempel hebben gevonden. Daarna—" Maarten maakte de zin niet af.
"Hij heeft ons veel gegeven. Informatie. Context. Zonder hem zouden we hier niet zijn."
"Dat klopt. Maar ik vertrouw hem nog steeds niet helemaal. Er is iets dat hij niet vertelt. Iets over het Consortium, of over de drempel zelf."
"Iedereen heeft geheimen." Yara's stem was zacht. "Jij ook. Ik ook."
Maarten keek haar aan. "Wat voor geheimen heb jij?"
Ze glimlachte, maar het was een trieste glimlach. "Waarom denk je dat ik zo bereid was om naar Zeeland te komen? Om alles achter te laten—mijn carrière, mijn veiligheid? Het is niet alleen om de wetenschap, Maarten."
Zijn hart sloeg over. "Yara—"
"Het is oké. Je hoeft niets te zeggen." Ze stond op, klopte het stof van haar broek. "We moeten allemaal rusten. Morgen wordt zwaar."
Ze liep naar binnen. Maarten bleef zitten op de trap, zijn gedachten een warboel. Hij voelde te veel tegelijk—angst voor wat er ging komen, liefde voor zijn dochter, iets ingewikkelds en nieuws voor Yara, en onder alles de constante, groeiende aanwezigheid van de drempel.
De nacht verdiepte. De wind nam toe, kwam van de zee, bracht de geur van zout en wier. Maarten ging naar binnen, klom de trap op, ging liggen op zijn slaapzak. Hij sloot zijn ogen maar sliep niet. In plaats daarvan zweefde hij in een toestand tussen waken en dromen, een toestand die steeds meer vertrouwd werd.
In die toestand voelde hij het netwerk. Alle drempels waarnaar hij had gezocht, alle punten die hij had bezocht. Saqqara en Rome en de Atlantische Oceaan en nu hier, Zeeland. Ze waren allemaal verbonden, allemaal onderdeel van een groter patroon. En hier, op deze plek, convergeerden de lijnen. Hier was het centrum.
Hij zag het bijna voor zich, een geometrie die niet helemaal in drie dimensies paste. Driehoeken en cirkels en spiralen, allemaal tegelijk, allemaal waar. En in het midden—
Iets wat hij niet kon zien. Nog niet. Maar het was er. Wachtend.
Buiten steeg het water. Vloed, de maan die de oceaan trok. Maarten hoorde het, voelde het—de kreek die volliep, de slikvlaktes die ondergingen, het oude land dat voor de zoveelste keer in millennia onder water verdween. En ergens onder dat water lagen de vier altaren van Nehalennia, de vier punten die Lotte had gevoeld.
Morgen, dacht hij. Morgen gaan we ze vinden.
Hij sliep uiteindelijk, licht en onrustig. Hij droomde van water en steen en licht dat brak op manieren die niet natuurlijk waren. Hij droomde van een vrouw met een mand met fruit, een hond aan haar voeten, een boot achter haar. Nehalennia, godin van de overgang, beschermster van reizigers tussen werelden.
Toen hij wakker werd was het nog nacht, maar de nacht was anders. Dunner. Hij hoorde geluiden die er niet hoorden te zijn—stemmen in het water, muziek in de wind. Hij ging rechtop zitten, zijn hart bonkend.
Beneden hoorde hij ook beweging. Lotte, waarschijnlijk, of Yara. Allemaal wakker, allemaal voelend wat hij voelde. De drempel die groeide, die zich opende.
Maarten stond op, liep naar het raam. De maan was bijna onder, de horizon een vage lijn tussen zwart water en zwarte lucht. Maar er was licht, ergens. Een gloed, heel zwak, boven de slikvlaktes.
Hij knipperde met zijn ogen, keek opnieuw. Het licht was er nog steeds. Niet van de maan, niet van sterren. Iets anders.
Voetstappen op de trap. Lotte kwam de kamer in, haar ogen groot in het donker.
"Pap. Zie jij dat ook?"
"Het licht?"
"Ja. Wat is dat?"
Maarten schudde zijn hoofd. "Ik weet het niet."
Maar hij wist het wel, ergens diep. Het was de drempel. Het was het punt waar de werelden raakten, waar het dunne nog dunner werd. En het reageerde op hen, op hun aanwezigheid, hun intentie.
Yara verscheen ook, en even later Asselbergs, langzaam en pijnlijk de trap opklimmend. Ze stonden met zijn vieren bij het raam, kijkend naar het vreemde licht boven het water.
"Het is begonnen," zei Asselbergs. Zijn stem was nauwelijks een fluistering. "De drempel weet dat we hier zijn."
"Wat moeten we doen?" vroeg Lotte.
"Wachten," zei Maarten. "En vasten. En kijken wat er gebeurt."
Maar zelfs terwijl hij het zei, wist hij dat wachten niet genoeg zou zijn. De drempel riep. En vroeg of laat zouden ze moeten antwoorden.
De nacht verstreek langzaam. Het licht boven het water kwam en ging, flakkerend als een kaars in de wind. Soms was het blauw, soms groen, soms een kleur waarvoor Maarten geen naam had. Het was mooi en angstaanjagend tegelijk.
Tegen de ochtend viel Maarten in een diepe, droomloze slaap. Toen hij wakker werd was de zon al op, fel en warm door het raam. Hij voelde zich uitgeput en ook vreemd helder, alsof zijn lichaam en geest zich aan het scheiden waren, elk hun eigen weg gaand.
De derde dag. Voor hem en Asselbergs de vierde dag van het vasten. Voor Yara de tweede. Voor Lotte de eerste volledige dag.
Hij ging naar beneden. Lotte lag te slapen bij het raam, opgerold als een kind. Yara zat rechtop, haar ogen open maar afstandelijk, meditatie of uitputting. Asselbergs was nergens te zien.
Maarten liep naar buiten. Hij vond Asselbergs zittend op de trap, zijn gezicht naar de zon. De oude man zag er nog slechter uit dan gisteren—zijn huid grauw, zijn ogen diep in hun kassen. Maar hij leefde nog.
"Goedemorgen," zei Maarten.
Asselbergs knikte. Hij sprak niet. Het stilzwijgen was terug, de discipline van het vasten.
Maarten ging naast hem zitten. Ze keken samen naar de Westerschelde, naar het water dat glansde in het ochtendlicht. Het was eb—de slikvlaktes lagen bloot, uitgestrekt en glanzend. En ergens daarbuiten, onder het slib en de stenen, lagen de vier altaren.
Hij voelde de drempel als een fysieke aanwezigheid nu, een gewicht in de lucht. Het was alsof de hele kust gespannen was, wachtend op iets. Op hen.
Yara kwam naar buiten, gevolgd door Lotte. Ze zagen er allebei moe uit, maar ook—iets anders. Een soort strakheid in hun ogen, een focus. Het vasten werkte. Het maakte ruimte, opende kanalen.
Ze gingen met zijn vieren op de trap zitten, kijkend naar het uitgestrekte landschap. Niemand sprak. Woorden leken onbelangrijk, een afleiding van wat echt was. In plaats daarvan voelden ze samen, vier verschillende frequenties die harmonieerden.
Maarten sloot zijn ogen. Hij voelde Yara naast zich, haar warmte en haar aanwezigheid. Hij voelde Lotte aan zijn andere kant, zijn dochter, zijn onverwachte bondgenoot. Hij voelde Asselbergs, de oude man die stervend was maar nog niet dood, die zijn laatste krachten gaf aan deze queeste.
En hij voelde de drempel. Het centrum. De bron.
Het was dichtbij. Zo dichtbij dat hij het bijna kon aanraken. Maar niet helemaal. Nog niet.
Ze hadden meer tijd nodig. Meer leegte. Meer stilte.
De dag verstreek in een roes. Maarten was zich bewust van tijd die voorbijging, maar het voelde niet lineair. Soms leek een uur voorbij te zijn in enkele minuten. Soms leek een minuut eindeloos te duren. Zijn lichaam protesteerde—hoofdpijn, duizeligheid, zwakte in zijn benen. Maar zijn geest was helder, helderder dan hij in jaren was geweest.
Lotte had het moeilijker. Hij zag haar worstelen, haar gezicht bleek, haar handen trillend. Maar ze klaagde niet. En toen de middag overging in avond, toen haar eerste volledige dag van vasten ten einde liep, at ze niet. Ze bleef bij hen, volhardend.
Bij zonsondergang verzamelden ze zich weer op de trap. De zon zakte in de Westerschelde, veranderde het water in vloeibaar vuur. Het was adembenemend mooi, zo mooi dat het pijn deed om naar te kijken.
"Morgen," zei Asselbergs, zijn eerste woorden in uren. Zijn stem was schor, bijna onverstaanbaar. "Morgen gaan we naar de drempel."
Maarten keek hem aan. "Weet je het zeker?"
"Ik voel het. Het is—klaar. We zijn klaar." Hij keek naar Lotte. "Vooral zij."
Lotte zei niets. Maar haar ogen weerspiegelden het vuur van de zonsondergang, en er was iets in die weerspiegeling dat Maarten deed rillen. Zijn dochter was veranderd in de laatste twee dagen. Ze was ouder geworden, of misschien jonger. Verder van hem en ook dichter bij.
"Wat gaat er gebeuren?" vroeg Yara. "Bij de drempel."
"Ik weet het niet precies," zei Asselbergs. "Maar ik denk—ik denk dat we zullen zien. De waarheid. Het patroon. Alles waarnaar jullie hebben gezocht." Hij zweeg even. "En misschien meer dan dat."
"Meer?"
"De brondrempel is niet alleen een plek. Het is een—een opening. Een poort, als je wilt. Naar iets anders." Asselbergs' blik was afstandelijk, gericht op iets dat alleen hij kon zien. "Het Consortium heeft eeuwenlang geprobeerd die poort te controleren. Om te bepalen wie er doorheen mocht, en wanneer. Maar ze hebben het nooit echt begrepen. Ze dachten dat het macht was. Kennis. Een manier om de wereld te beheersen."
"En dat is het niet?" vroeg Maarten.
"Nee. Het is—het is het tegenovergestelde. Het is overgave." Asselbergs glimlachte flauw. "Daarom werd ik eruit gegooid. Omdat ik dat begreep, en zij niet."
De laatste zonnestralen verdwenen onder de horizon. Duisternis viel snel nu, met de abruptheid die kwam bij de zee. Sterren verschenen, een voor een, tot de hemel vol was.
Maarten keek naar zijn drie metgezellen. Asselbergs, de stervende hermeticus, de man met te veel geheimen en te weinig tijd. Yara, de briljante wetenschapper, de vrouw die hij liefhad maar nooit had durven zeggen. Lotte, zijn dochter, de onverwachte gids, degene die sterker voelde dan hen allemaal.
Vier mensen in een verlaten vuurtoren aan de Westerschelde. Vastend, wachtend, luisterend naar de roep van iets dat ouder was dan woorden.
"Morgen," zei Maarten. Het was een bevestiging, een belofte.
"Morgen," echode Yara.
Lotte zei niets. Maar ze knikte, en dat was genoeg.
Ze gingen naar binnen. De nacht sloot zich om de vuurtoren, om hen. En ergens buiten, in het donker boven de slikvlaktes, flakkerde het vreemde licht weer op. Blauw, groen, een kleur zonder naam.
De drempel wachtte. En morgen zouden ze antwoorden.