De Drempel van Hermes

Hoofdstuk 31 – Asselbergs' Biecht

De wind was aangewakkerd na middernacht. Maarten hoorde hem gieren langs de buitenmuren van de vuurtoren, een langgerekt geluid dat deed denken aan stemmen in een taal die net buiten het bereik van begrip bleef. In de kachel brandde het vuur laag, meer gloed dan vlam, en wierp een flakkerend oranje licht over de gezichten van de vier mensen die in een halve cirkel op de grond zaten.

Tweeënveertig uren zonder voedsel. Maarten voelde het in zijn lichaam als een scherpte, een helderheid die grenzeloos leek en tegelijk fragiel. Zijn honger was een uur geleden verdwenen, opgelost in iets anders—een staat van gespannen aandacht waarin elk geluid, elke beweging buitengewoon veel gewicht kreeg.

Asselbergs zat met zijn rug tegen de muur, zijn gezicht half in schaduw. Hij had urenlang gezwegen sinds Yara en Lotte waren aangekomen, had alleen geknikt toen Yara hem aankeek, alleen gefluisterd: "Dank je dat je gekomen bent." Nu zat hij naar het vuur te staren met de blik van iemand die een afstand probeert te overbruggen die groter is dan meters.

"Ik moet jullie iets vertellen," zei hij uiteindelijk. Zijn stem was schor. "Iets wat ik al heel lang had moeten zeggen."

Yara zat rechtop, alert ondanks de vermoeidheid die in lijnen rond haar ogen stond. Lotte zat naast haar, met haar knieën opgetrokken en haar armen eromheen geslagen. In het licht van het vuur zag ze er ouder uit dan veertien, haar gezicht ernstig en geconcentreerd.

"We luisteren," zei Maarten.

Asselbergs sloot zijn ogen even. Toen hij ze opende, keek hij niet naar Maarten maar naar het vuur. "In 1946," begon hij, "drie maanden na het einde van de oorlog, ontmoetten vijf mannen elkaar in een huis in Londen. Een pand in Bloomsbury, een huis dat volgens de officiële registers niet bestond. Vier van hen kwamen uit de inlichtingendiensten—Brits, Amerikaans, Frans. De vijfde was een Nederlandse archeoloog, Hendrik ter Horst."

De naam hing in de lucht tussen hen in. Maarten kende die naam. Iedereen die zich bezighield met Nederlandse archeologie kende die naam.

"Je mentor," zei hij zacht.

"Mijn leermeester. Mijn vriend." Asselbergs' stem trilde nauwelijks merkbaar. "En de man die me inwijdde in het grootste geheim van ons vakgebied."

Hij zweeg, en in de stilte die volgde hoorde Maarten het knappen van het hout in de kachel, het gekras van de wind over het dak.

"Die vijf mannen richtten op wat later het Consortium zou worden," vervolgde Asselbergs. "Geen officiële organisatie, geen juridische entiteit, geen gebouwen of briefpapier. Alleen een overeengekomen doelstelling: beschermen wat de nazi's bijna hadden gevonden."

"De drempels," zei Yara.

Asselbergs knikte. "Het Ahnenerbe—Himmlers afdeling voor prehistorisch onderzoek—had aanwijzingen gevonden. Fragmenten, verwijzingen in oude teksten, patronen in de locaties van heiligdommen en grafheuvels. Ze waren dichtbij gekomen. Te dichtbij. Als de oorlog nog een jaar had geduurd..." Hij maakte de zin niet af.

"Wat zouden ze hebben gedaan?" vroeg Lotte. Het was de eerste keer dat ze sprak sinds het gesprek was begonnen. Haar stem klonk helder in de schemerige ruimte.

Asselbergs keek haar aan, en voor het eerst zag Maarten iets van verdriet in zijn ogen. "Ik weet het niet," zei hij. "Maar ik weet wat mensen doen met macht die ze niet begrijpen. Ik heb gezien wat er gebeurt wanneer je de drempels probeert te gebruiken in plaats van te begrijpen."

"Dus jullie hebben het geheim gehouden," zei Maarten. "Het begraven."

"In eerste instantie leek het de enige optie. De wereld was aan het herstellen van een oorlog die bijna alles had vernietigd. Het idee dat er zones zouden bestaan waar de werkelijkheid... dunner is, waar perceptie verschuift en grenzen vervagen—dat kon niet openbaar worden. Niet toen."

"Maar het ging verder dan 1946," zei Yara scherp. "Het Consortium bestaat nog steeds. Stond je tot vorige week nog op de loonlijst?"

Asselbergs glimlachte zonder vreugde. "Nee. Ik ben zes jaar geleden verwijderd. Maar je hebt gelijk—het ging verder. Het ging decennialang verder."

Hij verschoof zijn positie, kreunde zacht bij de beweging. Maarten zag hoe dun hij was geworden, hoe de huid strak over zijn jukbeenderen spande. Hij vroeg zich af hoeveel pijn de oude man had, hoeveel moeite het kostte om hier te zitten en te praten in plaats van te rusten.

"Het Consortium groeide," vervolgde Asselbergs. "Niet in omvang—we waren altijd klein, altijd verborgen—maar in bereik. We hadden mensen in universiteiten, in musea, in archeologische diensten over de hele wereld. Onze taak was simpel: elke ontdekking monitoren die te dicht bij de waarheid kwam. Elke onderzoeker identificeren die het patroon begon te zien."

"En dan?" vroeg Yara.

"Dan zorgden we ervoor dat hun onderzoek een andere richting uitging. Subsidies die niet doorgingen. Publicaties die geweigerd werden. Carrières die vastliepen. We werden heel goed in het... ombuigen van wetenschappelijke trajecten."

Maarten voelde iets kouds in zijn maag. "Hoeveel mensen?"

"Te veel," zei Asselbergs eenvoudig. "Te veel mensen die briljant waren, toegewijd, die dicht bij doorbraken stonden. We hebben ze gestopt. Allemaal."

"Jezus," fluisterde Maarten.

"In eerste instantie geloofde ik echt dat het nodig was," zei Asselbergs. "Ik was jong toen Hendrik mij erbij haalde, nog geen dertig. Hij liet me de documenten zien, de rapporten van wat het Ahnenerbe had geprobeerd. Er waren experimenten geweest. Gevangenen die gedwongen werden door drempelzones te lopen. De meesten kwamen er psychotisch uit, of helemaal niet. Hendrik zei: 'Dit mag nooit meer gebeuren.' En ik geloofde hem."

Het vuur knetterde. Buiten was het geluid van de zee, onophoudelijk, eeuwig.

"Maar toen gebeurde er iets," zei Asselbergs. Zijn stem werd zachter. "In 1983. Ik was in Turkije, bij Göbekli Tepe. De site was toen nog niet officieel ontdekt—dat kwam pas in '94—maar er waren verhalen, geruchten onder de lokale bevolking over de plek. Ik ging erheen, alleen. Het was zomer, bloedheet. Ik stond tussen de stenen."

Hij zweeg zo lang dat Maarten dacht dat hij niet verder zou gaan. Toen sprak hij weer, bijna fluisterend.

"Ik voelde het gebeuren. Een verschuiving, alsof de lucht zelf van textuur veranderde. En toen was ik... erdoorheen. Aan de andere kant."

"Wat zag je?" vroeg Lotte.

Asselbergs keek haar aan. "Dezelfde wereld," zei hij. "Exact dezelfde plek, dezelfde stenen, dezelfde hitte. Maar gezien door andere ogen. Als wanneer je een schilderij je hele leven vanuit één hoek hebt bekeken en dan ineens beseft dat je het altijd verkeerd om had gehangen. De werkelijkheid was niet veranderd—mijn perceptie ervan was veranderd. En wat ik zag..."

Hij huiverde, ondanks de warmte van het vuur.

"Het was te veel. Te helder, te intens, te echt. Ik zag patronen in het steen die er niet hadden mogen zijn, verbindingen tussen dingen die gescheiden waren. Ik hoorde klanken die geen geluid waren. En ik begreep—echt begreep—dat wat wij werkelijkheid noemen slechts een fractie is van wat er is. Een gefilterde versie. Een kinderveilige editie."

"Hoe lang bleef je aan de andere kant?" vroeg Maarten.

"Misschien een minuut. Misschien vijf. Toen gleed ik terug, en ik viel neer tussen de stenen en ik kotste tot er niets meer in me zat."

Yara leunde naar voren. "Je was bang geworden."

"Doodsbang," beaamde Asselbergs. "En daar is niets mis mee, Yara. Angst is soms de juiste reactie. Ik begreep voor het eerst echt waarom we het geheim hadden gehouden. Niet omdat anderen het zouden misbruiken—maar omdat het simpelweg te groot was. Te overweldigend. De menselijke geest is niet gebouwd voor dat niveau van perceptie."

"Maar je bleef bij het Consortium," zei Maarten.

"Ik bleef. Sterker nog, ik werd nog toegewijder. Ik steeg op in de hiërarchie. Ik werd een van de zes leden van de innerlijke cirkel. En jarenlang dacht ik dat we het juiste deden."

"Wat veranderde er?" vroeg Yara.

Asselbergs wreef over zijn gezicht met beide handen. "De jaren negentig. Er kwam een nieuwe generatie bij het Consortium. Jonger, ambitieuzer. Ze waren opgegroeid na de Koude Oorlog, in een wereld van kapitalisme en technologische vooruitgang. Voor hen was het geheim niet iets om te beschermen—het was een asset. Een bron van potentiële macht."

"Het Prometheus Initiatief," zei Maarten.

Asselbergs knikte langzaam. "Ze noemden zichzelf pas later zo. In het begin was het alleen een discussie tijdens vergaderingen. Een andere benadering voorstellen. 'Waarom alleen beschermen? Waarom niet onderzoeken, begrijpen, toepassen?' Het klonk redelijk. Wetenschappelijk zelfs."

"Maar dat was het niet," zei Yara.

"Nee. Het was rationalisation van hebzucht. Ze wilden weten of de drempels gebruikt konden worden voor surveillance, voor communicatie, voor God weet wat. Er kwamen woorden als 'strategic advantage' en 'market potential'. Er werden connecties gelegd met technologiebedrijven, defensie-industrie, private equity fondsen."

Het vuur was bijna uit. Maarten stond op—te snel, hij voelde zijn hoofd duizelen van het vasten—en legde voorzichtig een nieuw blok hout in de kachel. De vlammen likten eromheen, groeiden.

"En jij verzette je daartegen," zei hij toen hij weer ging zitten.

"Ik probeerde het. Ik en twee anderen van de oude garde. We waarschuwden dat ze iets niet begrepen, dat de drempels geen hulpmiddel zijn maar een fenomeen—iets wat je alleen kunt proberen te begrijpen, niet te controleren."

"Ze luisterden niet," concludeerde Yara.

"Ze stemden ons weg. Letterlijk—er was een stemming in 2018. Het Prometheus Initiatief nam officieel de leiding over het Consortium. En zes maanden later werden de drie dissidenten verwijderd. Beleefd, professioneel. We kregen een gouden handdruk en de impliciete boodschap: praat erover en je carrière is voorbij. Of erger."

"Erger?" vroeg Lotte.

Asselbergs keek naar haar met een blik die Maarten kil maakte. "Een van mijn twee collega's, Sophie Marchand, een Franse archeologe, overleed acht maanden na haar verwijdering aan een hartaanval. Ze was tweeënvijftig en kerngezond. De andere, David Pemberton—kleinzoon van een van de oprichters—pleegde zelfmoord. Althans, dat stond in het rapport."

De stilte die volgde was zwaar. Buiten gierde de wind als een aanklacht.

"En jij leeft nog," zei Yara langzaam.

"Ik hield me stil. Ik trok me terug in mijn appartement in Utrecht en ik zei niets. Ik was een lafaard." Zijn stem brak. "Zes jaar lang deed ik niets terwijl het Initiatief zijn experimenten voortzette, terwijl ze mensen rekruteerden en locaties in kaart brachten en God weet wat nog meer. Zes jaar waarin ik elke dag wakker werd met de smaak van schaamte in mijn mond."

"Tot je Maarten ontmoette," zei Yara.

Asselbergs knikte. "Ik hoorde over je, Maarten. Geruchten binnen de academische wereld—een archeoloog in Nijmegen die vreemde vragen stelde over landschappelijke patronen en perceptieverschuivingen. Het Consortium had je nog niet opgemerkt, of in elk geval nog niet als een bedreiging gezien. Maar ik wist wat er ging gebeuren als je bleef graven."

"Dus je nam contact op," zei Maarten. "Je speelde de behulpzame gepensioneerde hoogleraar."

"Ik was behulpzaam. Maar ik was ook voorzichtig. Te voorzichtig. Ik gaf je stukjes informatie, verwees je naar bronnen, maar ik vertelde je niet de waarheid. Ik dacht dat ik je kon begeleiden zonder je in gevaar te brengen."

"Dat werkte niet," zei Maarten vlak.

"Nee. En toen ze je in de gaten kregen, toen Simone stierf, toen alles escaleerde—toen besefte ik dat mijn voorzichtigheid je juist kwetsbaarder had gemaakt. Ik had je wapenloos de oorlog ingestuurd."

Maarten voelde de woede in zich opkomen, scherp en zuiver. "Je had me kunnen waarschuwen. Vanaf het begin. Je had kunnen zeggen: er is een organisatie die mensen doodt om dit geheim te bewaren."

"Zou je me hebben geloofd?"

De vraag hing tussen hen in. Maarten wilde ja zeggen, maar hij wist dat het niet waar was. Een jaar geleden zou hij Asselbergs voor gek hebben verklaard. Hij zou hebben gedacht: paranoïde oude man, te lang in de academische ivoren toren.

"Misschien niet," gaf hij toe. "Maar je had het kunnen proberen."

"Je hebt gelijk. En daar moet ik de rest van mijn leven—hoe kort dat ook is—mee leven."

Yara had haar benen onder zich gevouwen, zat naar Asselbergs te kijken met een blik die Maarten niet helemaal kon plaatsen. Niet vijandig, niet sympathiek. Analytisch.

"Je hebt ons hier naartoe gebracht," zei ze. "Naar deze specifieke plek. Waarom? Wat maakt Zeeland zo bijzonder?"

Asselbergs richtte zijn aandacht op haar. "Omdat dit de oudste is," zei hij eenvoudig. "De brondrempel. Ouder dan Göbekli Tepe, ouder dan elke bekende site. De plaats waar het begon."

Maarten voelde zijn hart sneller slaan. "Hoe weet je dat?"

"Hendrik wist het. Hij had documenten bestudeerd die teruggingen tot de Romeinse tijd—votiefoffers gevonden in het slik, inscripties, altaren voor Nehalennia. Hij begreef het verband tussen de godin en de drempels. Nehalennia was geen godin van de zee, Maarten. Ze was de bewaarster van de overgang. De drempelgodin."

"Het Nehalennia-heiligdom," zei Maarten. "Domburg, tweede eeuw na Christus."

"Dat was het laatste openbare heiligdom. Maar de verering ging veel verder terug. Hendrik vond bewijs—nooit gepubliceerd, natuurlijk—dat de Nehalennia-cultus terugging tot ten minste de late Bronstijd. En dat deze kust toen al werd gezien als een heilige plek. Een plek waar de grens tussen werelden dun was."

Lotte had haar armen strakker om haar knieën geslagen. "Wat gebeurde er met de kennis?" vroeg ze. "Toen Rome viel, toen het christendom kwam—waar ging het naartoe?"

"Ondergronds," zei Asselbergs. "Letterlijk soms. Kloosters hielden fragmenten in leven, verborgen in mystieke teksten en heiligenlevens. Sommige gildes in de Middeleeuwen—steenhouwers, metaalbewerkers—droegen praktische kennis over over de locaties, zonder te weten waarom die plekken belangrijk waren. En sommige families, oude families, bewaarden herinneringen die ze niet begrepen maar wel doorgaven."

Hij keek naar Lotte toen hij dat laatste zei, en Maarten zag haar verstijven.

"Families zoals die van Lotte," zei Yara zacht.

"Het is zeldzaam," zei Asselbergs. "Maar het komt voor. Mensen die geboren worden met een verhoogde gevoeligheid voor de drempels. Hendrik noemde ze drempelkinderen. De oude codices hebben andere namen—seers, walkers, threshold-gifted."

"Ik ben niet bijzonder," zei Lotte abrupt. "Ik zie alleen dingen. Soms."

"Je bent buitengewoon," zei Asselbergs vriendelijk. "En het Initiatief zou alles doen om je te vinden. Ze hebben programma's, Lotte. Ze scannen medische dossiers op patronen—kinderen met bepaalde soorten migraine, synesthesie, disociatieve episoden. Ze rekruteren ze, testen ze."

"Testen?" Yara's stem was scherp als glas.

"Ze brengen ze naar drempelzones. Kijken hoe ze reageren. De meeste kinderen voelen niets—vals alarm. Maar degenen die wel gevoelig zijn..." Hij zweeg.

"Wat gebeurt er met hen?" drong Yara aan.

"Ik weet het niet precies. Ik was al weg toen die programma's echt van start gingen. Maar ik heb geruchten gehoord. Trainingen. Conditionering. Het idee dat je drempelkinderen kunt leren om de overgangen te navigeren, om informatie mee terug te brengen."

Maarten voelde misselijkheid opkomen die niets met het vasten te maken had. "Ze gebruiken kinderen als... wat? Verkeners?"

"In potentie. Of erger."

Lotte stond plotseling op, liep naar het raam. Ze keek uit over de donkere zee, haar silhouet afgetekend tegen het bleke licht van de maan.

"Mijn moeder wist ervan," zei ze zonder zich om te draaien. "Daarom hield ze me weg van plekken. Daarom wilde ze niet dat ik met Maarten meeging."

"Ze wilde je beschermen," zei Asselbergs. "En ze had gelijk om bang te zijn."

Yara stond op, liep naar Lotte toe, legde een hand op haar schouder. Ze zei niets, maar Lotte leunde een beetje tegen haar aan.

Maarten keek naar Asselbergs. In het licht van het vuur zag de oude man eruit als een bundeling botten en schaduw. "Hoe lang heb je nog?" vroeg hij.

"Weken. Misschien een maand, als ik geluk heb. De uitzaaiingen zitten overal."

"Daarom heb je alles in gang gezet. Daarom nu."

"Ik kon niet sterven zonder het te proberen. Zonder jullie de waarheid te geven." Hij verschoof, kreunde zacht. "Maar er is meer dat jullie moeten weten."

"Meer?" Maarten hoorde de vermoeidheid in zijn eigen stem.

"De drempels zijn aan het veranderen, Maarten. Ze worden sterker. Actiever."

"Dat hebben we gemerkt."

"Het versnelt. Wereldwijd. Hendrik had een theorie—nooit bewezen, maar hij was er zeker van. Hij geloofde dat de drempels met elkaar verbonden zijn. Niet fysiek, maar op een dieper niveau. Een netwerk. En dat als één drempel activeert, dat de anderen versterkt."

Yara was teruggekomen naar het vuur, met Lotte naast zich. "Een cascade-effect," zei ze.

"Precies. En er zijn aanwijzingen dat het al is begonnen. Rapporten van archeologische sites overal ter wereld—Stonehenge, Newgrange, Chichen Itza, de Giza-piramiden—mensen die vreemde ervaringen melden. Perceptieverschuivingen, tijdverlies, synchroniciteiten."

"Het Initiatief weet hiervan," stelde Maarten vast.

"Ze weten het. En in plaats van voorzichtig te zijn, experimenteren ze erop los. Ze denken dat ze het kunnen beheersen, kunnen leiden. Ze begrijpen niet dat je een aardbeving niet kunt beheersen."

"Wat denk je dat er gaat gebeuren?" vroeg Lotte.

Asselbergs keek naar haar, en Maarten zag iets in zijn blik dat grensde aan wanhoop. "Ik weet het niet. Maar ik denk dat de onderdrukking van de kennis—het wegduwen van bewustzijn over de drempels—heeft geleid tot een ophoping van potentieel. Als een dam die decennialang water heeft tegengehouden. En nu begint die dam te barsten."

"En wij zijn hier," zei Maarten langzaam, "aan de bron. De oudste drempel."

"Jullie zijn hier omdat dit de plek is waar je het kunt begrijpen. Waar het fenomeen het zuiverst is, het minst verstoord door latere menselijke activiteit. Als er ergens een manier is om werkelijk te begrijpen wat de drempels zijn, zonder ze te proberen te gebruiken of te beheersen—dan is het hier."

De wind huilde. Het vuur flakkerde.

"Hendrik is hier ook geweest," zei Asselbergs, bijna fluisterend. "In 1952. Hij heeft vier dagen gevast op deze plek, in een tentje op het strand. Toen was er nog geen vuurtoren. Hij schreef in zijn dagboek dat hij op de derde nacht de drempel voelde—niet doorkruiste, maar voelde. 'Als een deur die op een kier staat,' schreef hij. 'Je hoeft niet naar binnen te gaan om te weten dat er een kamer achter is.'"

"Waar is dat dagboek nu?" vroeg Maarten.

"Verbrand. Hendrik verbrandde bijna al zijn aantekeningen voor hij stierf in 1989. Hij was paranoïde geworden op het eind. Bang dat de verkeerde mensen ze zouden vinden."

"Zoals het Initiatief."

"Hij had gelijk om bang te zijn."

Yara had haar benen weer onder zich gevouwen, zat in kleermakerszit met haar handen gevouwen in haar schoot. "Je hebt gezegd dat er anderen waren voor Maarten. Anderen met gevoeligheid. Wat gebeurde er met hen?"

Asselbergs sloot zijn ogen. "Niet allemaal dood, als je dat vraagt. Maar wel allemaal gestopt. Een psychiater in Berlijn die patronen zag in de locaties van heiligdommen—kreeg een zenuwinzinking in 1998, werd opgenomen, kwam eruit met geen interesse meer in zijn onderzoek. Een landschapsarcheologe in Wales die schreef over perceptiezones—haar publicatie werd keer op keer afgewezen, haar subsidies droogden op, ze werkt nu in een museum met rondleidingen voor schoolkinderen. Een fysicus in Japan die wiskundige modellen maakte van niet-Euclidische ruimtes—zijn laboratorium verbrandde, zijn data was verloren, hij kon het niet meer reconstrueren."

"Hoeveel?" vroeg Maarten.

"Tientallen over de jaren heen. Misschien meer. Sommigen werden door het Consortium gestopt, sommigen door toeval—of wat eruitzag als toeval—sommigen door zichzelf. Als je begint te zien hoe de wereld echt werkt, als je voelt dat de werkelijkheid minder solide is dan iedereen denkt—dat kan overweldigend zijn. Veel onderzoekers trokken zich vrijwillig terug."

"Maar ze werden in de gaten gehouden," zei Yara.

"Altijd. Het Consortium—en later het Initiatief—houdt een lijst bij. Namen, locaties, activiteiten. Zodra iemand de drempel van begrip nadert, wordt er ingegrepen."

"En Simone?" vroeg Maarten. De naam kwam er ruwer uit dan hij had bedoeld.

Asselbergs opende zijn ogen, keek Maarten recht aan. "Ik denk dat Simone een waarschuwing was. Aan jou. Ze stond niet dicht bij het begrip—ze was een onderzoeksassistent, geen theoreticus. Maar ze werkte met jou, en jij kwam te dichtbij. Haar dood was een signaal: trek je terug of betaal de prijs."

Maarten voelde iets in zich breken en weer heel worden, harder dan voorheen. "Ze hebben de verkeerde vermoord," zei hij zacht. "Ik ga niet terug."

"Dat weet ik," zei Asselbergs. "Daarom zijn we hier."

Het vuur was weer laag gebrand. Deze keer stond Yara op om hout toe te voegen. Haar bewegingen waren precies, gecontroleerd, maar Maarten zag de spanning in haar schouders.

"Hoe groot is het Initiatief?" vroeg ze terwijl ze weer ging zitten.

"Klein. Misschien dertig mensen in de kern, honderd als je alle geassocieerde leden meetelt. Maar ze hebben geld—veel geld—en connecties. En ze hebben iets wat nog waardevoller is: kennis. Decennia aan verzamelde data over de drempellocaties, over de patronen, over mensen met gevoeligheid."

"Namen," zei Yara. "Vertel ons namen."

Asselbergs schudde zijn hoofd. "De meeste namen die ik ken zijn buitenspel gezet of vertrokken. De huidige leiding is een generatie jonger. Maar er is één naam die jullie moeten weten: Thomas Whitmore."

"Wie is dat?" vroeg Maarten.

"Een Engelsman, begin vijftig. Hij was vroeger bij MI6, overgestapt naar de private sector halverwege de jaren negentig. Miljardair, multiple startup exits in tech en defense. En hij is nu de feitelijk leider van het Prometheus Initiatief."

"Wat wil hij?" vroeg Lotte.

"Wat iedereen met te veel macht wil: meer. Hij gelooft dat de drempels de sleutel zijn tot de volgende fase van menselijke ontwikkeling. Dat wie ze beheerst de toekomst zal bepalen."

"Messias-complex," mompelde Yara.

"Met de middelen om het uit te voeren," zei Asselbergs. "Whitmore is briljant, charismatisch, en volkomen overtuigd van zijn gelijk. Een gevaarlijke combinatie."

De wind was iets gaan liggen. Door het raam zag Maarten de eerste vage oplichting van de dageraad aan de horizon, nog meer een suggestie dan een werkelijkheid.

"Bijna drie uur gevast," merkte hij op.

"De derde dag is de zwaarste," zei Asselbergs. "Het lichaam heeft zijn reserves opgebruikt, de geest begint zich los te weken van zijn normale patronen. Als jullie vanavond bij de drempel zijn..."

"Vanavond?" onderbrak Yara hem.

"Morgenavond technisch gezien. De vierde nacht. Dat is het moment waarop Hendrik zijn ervaring had. Het moment waarop de grens het dunst wordt."

"Je wilt dat we erdoorheen gaan," zei Maarten.

"Ik wil dat jullie een keuze maken. Geïnformeerd, bewust. Met volle kennis van wat het betekent." Asselbergs leunde achterover tegen de muur, zichtbaar uitgeput. "Ik heb mijn leven verspild aan geheimen bewaren. Aan bang zijn. Aan denken dat onderdrukking veiligheid was. Maar de drempels laten zich niet onderdrukken. Ze zijn er, ze zijn echt, en ze ontwaken. De enige vraag is: wie zal ze begrijpen? Het Initiatief, met hun plannen voor controle en exploitatie? Of mensen zoals jullie, die misschien—misschien—wijs genoeg zijn om gewoon te kijken zonder te grijpen."

"Jij kon er niet tegen," zei Maarten. "In Göbekli Tepe. Je zei dat het te veel was."

"Voor mij. Op dat moment. Ik was niet voorbereid, niet klaar. En ik was alleen." Hij keek naar de drie mensen tegenover hem. "Jullie zijn samen. Dat maakt verschil."

Lotte had haar hoofd op haar knieën gelegd. Ze zag er klein uit, jonger dan veertien, een kind dat door volwassenen meegesleurd werd in zaken die te groot waren. Maar toen ze sprak was haar stem helder.

"Ik wil het zien," zei ze. "Wat er aan de andere kant is. Ik wil weten waarom ik zo ben."

Yara keek naar haar, en Maarten zag de innerlijke strijd op haar gezicht—de arts die wilde beschermen, de wetenschapper die wilde begrijpen, de vrouw die al te veel had verloren.

"We beslissen samen," zei Yara uiteindelijk. "Niemand gaat er alleen naartoe. We gaan allemaal, of niemand."

"Akkoord," zei Maarten.

"Akkoord," fluisterde Lotte.

Asselbergs knikte langzaam. Hij zag er opgelucht uit, maar ook bedroefd. "Ik wilde jullie deze last niet geven," zei hij. "Maar ik kon hem ook niet alleen dragen. Niet tot het einde."

"Je hebt ons de waarheid gegeven," zei Maarten. "Eindelijk."

"Een deel ervan. Er is altijd meer. Lagen onder lagen onder lagen. Maar jullie weten nu genoeg om te kiezen."

Het vuur flakkerde. Buiten werd het licht langzaam sterker, de zee zichtbaar als een vlak van grijs met witte koppen van schuim.

"Rust maar," zei Yara tegen Asselbergs. "Je hebt genoeg gepraat."

"Nog één ding," zei hij. Hij reikte in zijn jaszak, haalde er een klein, in leer gebonden notitieboekje uit. "Dit was van Hendrik. Het enige wat niet verbrandde. Hij gaf het me een week voor zijn dood."

Hij hield het uit naar Maarten. Het leer was versleten, de bladzijden vergeeld.

"Wat staat erin?" vroeg Maarten.

"Tekeningen. Diagrammen. En één zin, steeds herhaald: 'De drempel is geen deur maar een spiegel.'" Asselbergs glimlachte zwak. "Ik heb jaren geprobeerd te begrijpen wat hij daarmee bedoelde. Misschien zullen jullie het ontdekken."

Maarten nam het boekje aan. Het voelde warm aan in zijn hand, alsof het de hitte van jarenlange aanraking had vastgehouden.

"Dank je," zei hij.

Asselbergs sloot zijn ogen. "Dank jullie," fluisterde hij. "Omdat jullie gekomen zijn. Omdat jullie luisterden. Omdat jullie het misschien kunnen afmaken wat wij hebben laten liggen."

Hij zei niets meer. Zijn ademhaling werd langzamer, dieper, gleed over in slaap of iets wat daarop leek.

Maarten, Yara en Lotte bleven zitten in de groeiende stilte. Het vuur brandde. Het licht werd sterker. Ergens in de verte krijste een meeuw, een schril geluid dat klonk als een vraag.

Na een tijdje stond Yara op, liep naar de ramen die uitkeken over de kust. Maarten volgde haar. Ze stonden naast elkaar, keken uit over het water dat kleur kreeg in het ochtendlicht—grijs naar blauw naar groen naar goud.

"Geloofde hij alles wat hij zei?" vroeg Yara zacht.

"Ik denk het wel."

"Dat betekent niet dat het waar is."

"Nee. Maar het betekent dat hij dacht dat het waar was. En hij heeft zijn hele leven in dit geheim geleefd."

"Een leven van leugens en onderdrukking," zei Yara. "En nu, op het einde, wil hij verlossing. Door ons."

"Is dat zo erg?"

Ze draaide zich naar hem toe. In het vroege licht zag hij de littekens op haar gezicht—kleine, bijna onzichtbare lijnen die spraken van een geschiedenis die ze nooit volledig had gedeeld.

"Het is niet erg," zei ze. "Maar het is ook niet eerlijk. We worden gebruikt, Maarten. Misschien voor iets goeds, misschien niet, maar we worden gebruikt."

"We gebruiken hem ook. Voor informatie, voor begrip."

"Touché." Ze glimlachte flauw. "We zijn allemaal gebruikers hier."

Lotte was achter hen komen staan. "Ik denk dat hij spijt heeft," zei ze. "Echte spijt. Dat maakt het niet goed, maar het maakt het wel echt."

Maarten keek naar haar. "Hoe hou je het vol?" vroeg hij. "Al deze volwassen spelletjes, al deze geheimen—je bent veertien."

"Bijna vijftien," corrigeerde ze automatisch. Toen haalde ze haar schouders op. "Ik weet het niet. Misschien is het makkelijker voor mij omdat ik nooit heb gedaan alsof de wereld normaal was. Ik heb altijd geweten dat er iets anders was, iets onder de oppervlakte. Nu heeft het gewoon een naam."

"Drempels," zei Yara.

"Drempels," beaamde Lotte.

Ze stonden met z'n drieën voor het raam en keken uit over de zee. In de verte, op het strand, bewoog iets—een groep vogels, opvliegend in formatie, hun beweging zo gesynchroniseerd dat het leek alsof ze één organisme waren.

"Drieënveertig uur," zei Maarten. "Nog een dag en een nacht te gaan."

"En dan?" vroeg Lotte.

"Dan zien we wat er te zien is," zei Yara. "Of we keren terug en vergeten dit allemaal."

"Kunnen we het vergeten?" vroeg Maarten.

Geen van hen antwoordde.

Achter hen, bij de muur, mompelde Asselbergs iets in zijn slaap. Een naam misschien, of een waarschuwing, of een gebed. Het was niet te verstaan.

Maarten liep terug naar de kachel, ging weer zitten. Hij opende het notitieboekje dat Asselbergs hem had gegeven. De bladzijden waren gevuld met tekeningen—cirkel binnen cirkels, spiralen, patronen die zijn ogen leken te verwarren als hij er te lang naar keek. En op de laatste bladzijde, in een handschrift dat trilde van ouderdom of ziekte:

De drempel is geen deur maar een spiegel. Wat je ziet aan de andere kant ben je zelf, maar zoals je werkelijk bent. Wees niet bang voor wat je aantreft. Bang zijn betekent omdraaien, en omdraaien betekent vergeten. Vergeten is de echte dood.

Onder die woorden stond een datum: 12 maart 1989. Een week voor Hendrik ter Horst overleed.

Maarten sloot het boekje, hield het tegen zijn borst. Zijn hart bonsde—van het vasten, van vermoeidheid, van iets anders dat hij niet kon benoemen.

Yara en Lotte kwamen terug van het raam, gingen weer bij het vuur zitten. Ze zeiden niets, en dat was goed. Er waren momenten waarop woorden te klein waren, te beperkt voor wat gevoeld moest worden.

Het licht bleef groeien. De derde dag was begonnen.

Asselbergs sliep, of deed alsof. Zijn gezicht was ontspannen in de slaap, de lijnen minder diep, de spanning weggesmolten. Hij zag eruit als wat hij was: een oude man die te veel had gedragen en nu eindelijk, misschien, de last begon neer te leggen.

Maar de last was niet verdwenen. Die was alleen verschoven, overgedragen, verdeeld over de vier mensen in deze kamer op deze plek aan de rand van land en zee.

Maarten dacht aan alle onderzoekers die waren tegengehouden, alle carrières die waren omgebogen, alle kennis die was onderdrukt. Hij dacht aan Simone, aan haar laatste moment in het lab, alleen en niet wetend waarom. Hij dacht aan het Prometheus Initiatief met hun plannen en programma's, hun overtuiging dat alles beheerst kon worden, gebruikt kon worden.

En hij dacht aan de drempel, ergens daar buiten in het landschap, wachtend.

Niet een deur maar een spiegel.

Hij vroeg zich af wat hij zou zien als hij doorging. Hij vroeg zich af of hij de moed zou hebben om niet weg te kijken.

De kachel kreunde zacht toen het hout zich verschoof. Buiten zong de wind een lied zonder woorden.

En in het groeiende licht van de ochtend begon de derde dag van het vasten, de voorlaatste fase van hun voorbereiding, de tocht naar een drempel die al eeuwenlang wachtte om overschreden te worden.

Niet door hen, misschien. Maar door begrip. Door bewustzijn. Door de simpele erkenning dat er meer is dan wat zichtbaar lijkt, en dat niet elk mysterie opgelost hoeft te worden om reëel te zijn.

Maarten sloot zijn ogen en liet zich wegzakken in een toestand die geen slaap was maar ook geen waken—een tussenruimte, een drempel op zichzelf, waar gedachten vloeibaar werden en grenzen vervagen.

En ergens in die ruimte hoorde hij Hendriks stem, of verbeeldde hij zich dat—een fluistering die zowel herinnering was als voorspelling:

Wees niet bang. Bang zijn betekent omdraaien.

Hij zou niet omdraaien.

Geen van hen zou dat doen.

De derde dag was begonnen, en er was geen weg terug meer.