De Drempel van Hermes
Hoofdstuk 32 – De Nacht van Stilte
De vierde dag begon zonder dat Maarten had geslapen. Hij had gelegen in de duisternis van de vuurtoren, zijn ogen open, en had gevoeld hoe zijn lichaam zich langzaam loskoppelde van de aarde. Niet letterlijk—zijn rug rustte nog steeds op de dunne matras, zijn hoofd op het opgerolde jack dat als kussen diende—maar op een andere manier. Alsof de zwaartekracht haar greep verloor, alsof de grens tussen lichaam en lucht aan het vervagen was.
Drieënzeventig uren zonder voedsel. Zijn maag had uren geleden opgehouden met protesteren. Wat overbleef was een soort innerlijke helderheid, scherp en broos tegelijk, als bevroren glas.
Toen het eerste licht door de ramen van de vuurtoren viel—bleek, winters, zonder warmte—stond hij op. Zijn bewegingen waren traag geworden, niet van zwakte maar van aandacht. Elk gebaar vroeg concentratie. Opstaan betekende het gewicht herverdelen, de voeten vinden, het evenwicht herstellen. Het was alsof hij zijn lichaam moest herinneren hoe te functioneren.
Yara lag nog te slapen op haar matras bij de kachel, haar gezicht half verborgen onder een dekbedovertrek. Haar ademhaling was oppervlakkig, onregelmatig. Het vasten raakte haar anders dan hem—waar Maarten helderheid vond, leek zij iets diepers te zoeken, iets dat verder lag dan wakend bewustzijn.
Lotte zat rechtop, haar rug tegen de muur, haar ogen open en starend naar iets dat niemand anders kon zien. Ze had de hele nacht zo gezeten, bewegingloos, ademend in een ritme dat te langzaam leek voor een kind van zestien. Toen Maarten naar haar keek, knipperde ze eindelijk en richtte haar blik op hem.
"Ze zijn er nog steeds," zei ze. Haar stem was hees van het gebrek aan gebruik. "De punten. Ze pulseren nu."
Maarten knikte. Hij wist wat ze bedoelde. De vier altaarlocaties, verspreid over de modderbanken van de Westerschelde. Hij voelde ze ook, als een zwak trillen onder zijn bewustzijn, vier ankers in het landschap.
Asselbergs bewoog zich in de schaduw bij de kachel. Hij zag eruit alsof hij geen deel meer uitmaakte van de levenden—zijn huid had een grijze tint gekregen, zijn ogen waren diep weggezonken in hun kassen. Maar toen hij sprak, was zijn stem helder.
"Vandaag is de laatste dag," zei hij. "Vanavond, bij springtij. Dan gaan we."
Niemand antwoordde. Er was niets te zeggen. Ze wisten allemaal waarom ze hier waren.
Maarten liep naar de deur, naar buiten. De kou sloeg tegen zijn gezicht, maar hij voelde het nauwelijks. De wereld buiten de vuurtoren was veranderd, of misschien was hij degene die veranderd was en zag hij nu wat er altijd was geweest.
De Westerschelde strekte zich uit onder een hemel die niet grijs was en niet blauw maar iets daartussen. Het water had een textuur gekregen die het gisteren niet had gehad—patronen die zich verspreidden over het oppervlak, geometrische vormen die verschenen en weer oplossen. Niet golven. Iets anders.
Hij liep naar de waterlijn. Het was eb, de modderbanken lagen bloot, glanzend in het koude licht. En daar, onder de modder, voelde hij ze. De oude stenen. De altaren van Nehalennia, begraven onder eeuwen sediment en water. Ze waren niet zichtbaar, maar ze waren aanwezig, als een gewicht in het landschap, als een betekenis die wachtte om gelezen te worden.
Vier punten. Noordwest, noordoost, zuidwest, zuidoost. Een vierkant getekend in de aarde, met de vuurtoren als centrum. Of niet de vuurtoren—iets dieper, iets ouder. Een plek die belangrijk was geweest lang voordat mensen hier torens bouwden.
Maarten sloot zijn ogen en concentreerde zich op het gevoel. Het was als het luisteren naar een toon die net buiten het bereik van gehoor lag, als het zien van licht dat net buiten het spectrum viel. Hij moest zich openstellen, zijn normale manier van waarnemen loslaten.
En toen voelde hij het. Een verbinding. Van het ene punt naar het andere, onzichtbare lijnen die door de modder liepen, door het water, door de lucht. Ze vormden een patroon, een geometrie die betekenis had. Dit was geen willekeurige plaatsing van altaren. Dit was een machine. Een instrument.
Voor wat?
Hij opende zijn ogen. De Westerschelde zag er weer normaal uit, maar het gevoel bleef. Het patroon was er, of hij het nu zag of niet.
Hij draaide zich om en zag Yara staan bij de deur van de vuurtoren. Ze had haar armen om zichzelf heen geslagen tegen de kou, maar ze bewoog niet naar binnen.
"Voel je het?" vroeg hij.
Ze knikte langzaam. "Het is als... als of het landschap ademt. Alsof het leeft."
"Misschien doet het dat."
Ze keek hem aan met een blik die hij niet kon plaatsen. Angst misschien, of verwondering, of beide. "Maarten, als dit echt is... als we vanavond echt iets vinden..."
"Dan verandert alles."
"Ja." Ze zweeg even. "Ben je bang?"
Hij dacht na over de vraag. Was hij bang? Zijn lichaam gaf geen duidelijk signaal—de honger had alle normale reacties verdoofd. Maar ergens dieper, op een niveau dat niets te maken had met maagkrampen of hartslag, voelde hij iets. Niet angst precies. Ontzag misschien. Of eerbied.
"Ik denk het wel," zei hij. "Maar ik denk dat angst de juiste reactie is. Als je niet bang bent voor wat hier ligt, begrijp je het niet."
Yara glimlachte zwak. "Asselbergs zei iets soortgelijks. In Göbekli Tepe was hij doodsbang."
"En toch bleef hij bij het Consortium. Bleef hij de drempels bewaken."
"Tot nu."
Ze stonden naast elkaar en keken uit over het water. De wind was gaan liggen. De stilte was intens, niet de afwezigheid van geluid maar iets anders—een kwaliteit van aandacht, alsof het landschap zelf aan het luisteren was.
"Lotte is sterker dan wij denken," zei Yara opeens. "Ik zie hoe ze naar dingen kijkt. Ze ziet meer."
"Drempelkinderen," zei Maarten. "Zo noemde Asselbergs ze. Mensen geboren met verhoogde gevoeligheid."
"Denk je dat het genetisch is?"
"Ik weet het niet. Misschien. Of misschien is het iets anders—een configuratie van bewustzijn, een manier van waarnemen die sommigen hebben en anderen niet." Hij zweeg even. "Maar wat het ook is, het maakt haar kwetsbaar. Het Initiatief zou alles doen om iemand zoals zij te vinden."
"Dan moeten we haar beschermen."
"Ja. Maar eerst moeten we begrijpen wat we vanavond tegenkomen."
Yara draaide zich naar hem toe. "Maarten, Asselbergs heeft je de Hermes codex laten memoriseren. Hij heeft je voorbereid. Maar hij heeft mij en Lotte niet voorbereid. We zijn pas twee dagen aan het vasten. We hebben de teksten niet gelezen. Als er protocollen zijn, procedures..."
"Ik zal vertellen wat ik weet," zei Maarten. "Maar de codex is... cryptisch. Het spreekt in beelden, niet in instructies. Stilte, tijd, aanwezigheid, aandacht—dat zijn de voorwaarden. Geen rituelen, geen bezweringen. Alleen een toestand van zijn."
"Dat klinkt te simpel."
"Misschien is het simpel. Misschien is dat juist het probleem—we denken dat het complex moet zijn, dus missen we het."
Ze lachte, een kort, bitter geluid. "Eenvoud als ultieme complexiteit. Heel zen."
"Of heel menselijk. We compliceren dingen omdat we bang zijn voor de leegte."
Yara huiverde, en deze keer niet van de kou. "Ik ben niet goed met leegte, Maarten. Ik heb mijn hele leven gevuld met werk, met kennis, met controle. Loslaten is niet iets wat ik doe."
"Misschien moet je het niet loslaten. Misschien moet je het alleen even vergeten."
Ze keek hem aan, en in haar ogen zag hij iets verschuiven. "Jij bent veranderd," zei ze zacht. "Sinds we hier zijn. Sinds het vasten. Je praat anders."
"Ik voel me anders. Alsof... alsof lagen afvallen. Dingen die ik dacht dat ze essentieel waren, blijken kostuums te zijn. Rollen die ik speelde."
"En daaronder?"
"Ik weet het nog niet. Misschien is dat wat we vanavond gaan ontdekken."
De deur van de vuurtoren ging open en Lotte kwam naar buiten. Ze liep naar hen toe met die vreemde, precieze manier van bewegen die ze had ontwikkeld—elke stap overwogen, elk gebaar afgemeten. Het vasten had haar niet verzwakt; het had haar geconcentreerd.
"De punten zijn actiever," zei ze zonder inleiding. "Vooral die in het noordwesten. Het is als... als een hartslag, maar langzamer. Een puls elke minuut of zo."
Maarten richtte zijn aandacht op het noordwesten, naar waar de Noordzee lag voorbij de horizon. En ja, daar was het—een zwak trillen, regelmatig, ritmisch. Niet hoorbaar, niet zichtbaar, maar onmiskenbaar.
"Springtij komt eraan," zei hij. "Het water bereikt zijn hoogste punt. En dan keert het."
"Bij het keren gaan we," zei Lotte. Het was geen vraag.
"Ja."
Ze knikte, alsof dit bevestigde wat ze al wist. "We moeten ons voorbereiden. Niet fysiek—we zijn al voorbereid. Maar hier." Ze raakte haar voorhoofd aan. "We moeten leeg worden."
Yara keek naar het meisje met iets als ontzag. "Hoe weet je dat?"
"Ik weet het niet. Ik voel het." Lotte haalde haar schouders op, een vreemd alledaags gebaar in deze context. "Het is als wanneer je weet dat je honger hebt zonder dat iemand het je vertelt. Het lichaam weet dingen."
"De codex zegt hetzelfde," beaamde Maarten. "Het lichaam is wijzer dan de geest. We moeten leren luisteren."
Ze bleven nog een moment staan, drie mensen op de rand van iets dat geen naam had, en toen draaide Lotte zich om en liep terug naar de vuurtoren. Yara volgde haar. Maarten bleef alleen achter bij het water.
Hij keek uit over de Westerschelde en probeerde te begrijpen wat hij zag. Het water, de modder, de horizon—ze waren allemaal hetzelfde als gisteren, maar ook anders. Alsof een tweede werkelijkheid doorschemerde door de eerste, transparant maar aanwezig.
Hendrik ter Horst had geschreven: De drempel is geen deur maar een spiegel.
Wat had hij daarmee bedoeld? Dat je aan de andere kant jezelf zou zien? Of dat de andere kant niet echt een andere kant was, maar een reflectie, een omkering van wat hier was?
Maarten had geen antwoorden. Alleen vragen die groeiden in de stilte.
Hij draaide zich om en liep terug naar de vuurtoren. Binnen was het donker ondanks het daglicht buiten. Asselbergs zat aan de tafel, Hendriks notitieboekje opengeslagen voor hem. Hij keek niet op toen Maarten binnenkwam.
Lotte zat op haar matras, haar benen gekruist, haar ogen gesloten. Ze ademde zo langzaam dat het minutenlang leek tussen inademing en uitademing.
Yara stond bij de kachel en keek naar het vuur. Er was iets in haar houding—een spanning, een verwachting—dat Maarten deed stoppen.
"Wat is er?" vroeg hij.
Ze schudde haar hoofd. "Niets. Alleen... ik denk aan Cairo. Aan het museum. Aan de nacht dat alles veranderde."
"Wat gebeurde er?"
"Ik zag iets. In de Egyptische galerij, laat op de avond. Ik was alleen, ik dacht dat ik alleen was. En toen zag ik een vorm tussen de standbeelden. Niet menselijk, niet dierlijk. Iets anders. Het bewoog, of de schaduwen bewogen, ik weet het niet meer zeker. Maar ik voelde iets—een aanwezigheid, een aandacht." Ze zweeg even. "Ik rende weg. Ik heb het nooit aan iemand verteld. Ik dacht dat ik het had verbeeld."
"Maar nu denk je dat het echt was."
"Nu weet ik niet meer wat echt betekent."
Maarten liep naar haar toe, stond naast haar bij het vuur. "Misschien is dat de eerste stap," zei hij. "Loslaten van de zekerheid over wat echt is en wat niet. Ruimte maken voor mogelijkheid."
"Ik ben wetenschapper, Maarten. Zekerheid is mijn fundament."
"Was," zei hij zacht. "Zekerheid was je fundament. Maar je bent hier. Dat betekent dat je twijfelt. En twijfel is een opening."
Ze keek hem aan, en in het licht van het vuur zag hij tranen glinsteren in haar ogen. "Ik ben bang dat ik de weg terug niet meer vind," fluisterde ze. "Als we vanavond door die drempel gaan—wat als ik niet terugkom? Niet fysiek, maar... wat als ik verlies wie ik ben?"
"Misschien is dat wat moet gebeuren. Misschien is wie je denkt te zijn alleen maar een constructie. En daaronder ligt iets echters."
"Of niets. Misschien is er onder de constructie alleen leegte."
"Dan is het een heilige leegte," zei Maarten. "De codex spreekt erover—de leegte vol potentieel. Niet het niets, maar de bron van alles."
Yara veegde haar ogen af met de rug van haar hand. "Jij klinkt als een mysticus."
"Drie dagen vasten kan veel veranderen."
Ze lachte, en deze keer klonk het minder bitter. "We zijn gek geworden, nietwaar? Allemaal. Dit is waanzin."
"Misschien. Of misschien is de rest van de wereld gek, en worden wij eindelijk wakker."
Ze stonden stil bij het vuur. Het hout knetterde. Ergens buiten riep een vogel, een schril geluid dat door de stilte sneed.
De uren kropen voorbij. Maarten probeerde niet aan tijd te denken, maar het was onmogelijk om het te negeren. De spanning groeide in de kamer, tastbaar, alsof de lucht zelf dikker werd.
Asselbergs bewoog niet van zijn plaats. Hij leek verzonken in het notitieboekje, zijn vingers voorzichtig de vergeelde pagina's omslaand. Af en toe mompelde hij iets—woorden die Maarten niet kon verstaan, in een taal die hij niet herkende.
Lotte bleef in meditatie. Haar ademhaling was nog steeds onmogelijk langzaam. Maarten vroeg zich af hoe ze het deed, hoe iemand van zestien zo diep kon gaan. Maar dan herinnerde hij zich wat Asselbergs had gezegd: drempelkinderen werden zo geboren. Het was geen kwestie van training maar van natuur.
Yara zat bij het raam en keek naar het water. Het tij was aan het keren—Maarten zag het aan de verandering in het licht, de manier waarop de schaduwen over de modderbanken verschoven. Het water kwam terug, langzaam maar onverbiddelijk, vullend wat leeg was geweest.
Het ritme van de wereld. In en uit. Eb en vloed. Leven en dood.
Alles ademde.
Tegen de middag—Maarten schatte het, hij had geen horloge en de zon was verborgen achter wolken—stond Asselbergs op. Hij bewoog zich moeizaam, elk gebaar een strijd tegen een lichaam dat niet meer wilde meewerken. Maar hij kwam overeind en liep naar het midden van de kamer.
"We moeten praten," zei hij. Zijn stem was zwak maar helder. "Over wat er vanavond gaat gebeuren."
Lotte opende haar ogen. Yara draaide zich weg van het raam. Maarten liep naar voren. Ze vormden een cirkel rond de oude man.
"Het springtij bereikt zijn hoogste punt om elf uur vanavond," begon Asselbergs. "Op dat moment keert het water. De overgang van vloed naar eb—dat is het moment. Niet het hoogste water zelf, niet het laagste, maar het keren. De drempel bestaat in de overgang."
Hij haalde adem, een moeizaam geluid. "We zullen naar buiten gaan, naar de convergentiepunt waar de vier altaren hun lijnen kruisen. Het ligt ongeveer een kilometer ten noordwesten van hier, op de modderbank. Bij hoogwater is het bedekt, maar tijdens het keren komt het even vrij—misschien tien minuten, misschien minder."
"En dan?" vroeg Yara.
"Dan doen we niets. We zijn aanwezig. We observeren. De drempel zal zich openbaren, of het zal het niet doen. Het is geen kwestie van dwingen."
"Maar je zei dat je de codes had," zei Maarten. "Dat je de drempels kon activeren."
Asselbergs schudde zijn hoofd. "Ik heb laten ze voor wat ze zijn. Te gevaarlijk, te onvoorspelbaar. Ik was arrogant in mijn planning—ik dacht dat ik alles kon beheersen, zoals het Initiatief denkt. Maar Hendrik had gelijk: je kunt een drempel niet dwingen. Je kunt alleen wachten tot hij je toelaat."
"Dan hebben we geen garanties," zei Yara vlak.
"Nee. Geen garanties, geen zekerheid. Alleen mogelijkheid."
Er viel een stilte. Maarten zag hoe de anderen dit verwerkte. Yara's gezicht stond strak, haar wetenschappelijke geest in conflict met wat ze hoorde. Lotte leek onbewogen, alsof ze dit al had geweten.
"Er is nog iets," zei Asselbergs. "Jullie moeten begrijpen wat een drempel is. Het is geen poort naar een andere wereld. Het is geen tijdmachine. Het is een toestand van waarneming. Aan de andere kant van de drempel is dezelfde werkelijkheid, maar gezien met andere ogen. Helderder, vollediger, zonder de filters die we normaal gebruiken."
"Waarom hebben we filters nodig?" vroeg Lotte.
"Omdat de volledige werkelijkheid te veel is. Te intens, te complex, te overweldigend. We filteren om te overleven, om te functioneren. Maar die filters verbergen ook. Ze maken ons blind voor aspecten van de werkelijkheid die altijd aanwezig zijn."
"En de drempel verwijdert die filters," zei Maarten.
"Tijdelijk. En gedeeltelijk. Je zult niet alles zien—dat zou je geest verbreken. Maar je zult meer zien dan je ooit hebt gezien. En wat je ziet, zal je veranderen."
"Kunnen we ons daarop voorbereiden?" vroeg Yara.
"Jullie zijn al voorbereid, zoveel als mogelijk is. Het vasten heeft jullie lichamen geleegd, jullie geesten helderder gemaakt. De stilte van deze plek heeft jullie gewone denkpatronen verstoord. Jullie zijn zo klaar als je kunt zijn." Hij zweeg even. "Maar niets kan je echt voorbereiden. De eerste keer door een drempel is als... als geboren worden. Je komt uit een wereld die klein en veilig is in een wereld die oneindig en gevaarlijk is. Het is een shock."
"Maar mensen overleven het," zei Maarten.
"Sommigen. Anderen raken verloren, zoals ik heb gezegd. De geest kan breken onder te veel waarheid." Asselbergs keek hen een voor een aan. "Ik moet jullie de kans geven om terug te gaan. Nu, voordat het te laat is. Niemand zal je veroordelen. Dit is geen test van moed."
Niemand bewoog.
"Ik blijf," zei Lotte.
"Ik ook," zei Yara.
"Ik ga niet terug," zei Maarten.
Asselbergs knikte langzaam. "Dan is het beslist." Hij liep terug naar zijn stoel, liet zich erin zakken als een man veel ouder dan zijn jaren. "Rust tot de avond valt. Eet niet, drink alleen water. Spreek niet meer dan nodig. Laat de stilte groeien."
Hij sloot zijn ogen, en de discussie was voorbij.
De namiddag gleed over in avond. Het licht veranderde—eerst oranje, dan rood, dan violet, dan grijs. Wolken trokken over vanuit het noorden, dik en zwaar met regen die niet viel. De temperatuur daalde.
Maarten zat bij het raam en keek naar het water. Het was nu hoog, de modderbanken verdwenen onder grijs water dat zich uitstrekte tot de horizon. De Westerschelde ademde in.
Hij probeerde te mediteren, maar zijn geest was te onrustig. Gedachten kwamen en gingen—herinneringen, zorgen, vragen. Hij liet ze komen zonder ze vast te houden, zoals de codex instrueerde. Wolken die passeerden.
Maar een gedachte bleef terugkomen: wat als Asselbergs ongelijk had? Wat als de drempel niet bestond, of niet werkte, of niet toegankelijk was? Ze hadden dagen gevast, zich afgesneden van de wereld, hun lichamen verzwakt—en waarvoor? Voor een illusie? Voor een mythe?
En toch wist hij dat het echt was. Hij voelde het, nu, in dit moment. De aanwezigheid van iets dat groter was dan hij kon begrijpen. Het was als staan aan de rand van een afgrond in het donker—je zag de afgrond niet, maar je voelde de leegte, de oneindige ruimte die zich onder je uitstrekte.
De vier punten pulseerden sterker nu. Hij hoefde niet te concentreren om ze te voelen—ze waren gewoon daar, kloppen in het landschap zoals een hartslag klopte in een lichaam. Noordwest, noordoost, zuidwest, zuidoost. Een patroon, een geometrie, een betekenis.
Lotte kwam naast hem zitten. Ze zei niets, keek alleen uit over het water. In het schemerige licht zag ze eruit als iets dat niet helemaal menselijk was—te stil, te gefocust, te aanwezig.
"Het is bijna tijd," zei ze uiteindelijk.
"Ja."
"Ben je bang?"
"Ja."
"Ik ook." Ze zweeg even. "Maar ik denk dat het goed is. Bang zijn betekent dat je begrijpt wat er op het spel staat."
"Wat staat er op het spel, denk je?"
"Alles," zei Lotte simpel. "Als we de drempel oversteken, kunnen we niet doen alsof de wereld is zoals we dachten. We zullen moeten leven met wat we zien."
"En als we niet kunnen leven met wat we zien?"
"Dan breken we. Maar ik denk dat we sterker zijn dan we denken. Mensen zijn altijd sterker dan ze denken."
Maarten keek naar het meisje—nee, niet een meisje. Iets ouders, iets wijzers. Iemand die was geboren met een voetstap in twee werelden tegelijk.
"Hoe is het?" vroeg hij. "Om zo te zijn? Om dingen te zien die anderen niet zien?"
Lotte dacht na. "Eenzaam," zei ze uiteindelijk. "Je kunt het aan niemand uitleggen. En als je het probeert, denken ze dat je gek bent. Dus leer je te zwijgen. Je leert twee levens te leiden—een naar buiten, waar je doet alsof alles normaal is, en een naar binnen, waar je weet dat niets normaal is."
"Maar nu ben je niet alleen."
"Nee. Nu ben ik niet alleen." Ze glimlachte, en het was de eerste keer dat Maarten haar echt zag glimlachen. "Dat is al de moeite waard, wat er ook gebeurt vanavond."
De duisternis viel volledig. Asselbergs stak een enkele kaars aan, plaatste die op de tafel. Het licht danste, wierp lange schaduwen tegen de ronde muren van de vuurtoren.
"Over een uur," zei hij. "Bereid je voor."
Ze kleedden zich aan in lagen—het zou koud zijn op de modderbanken. Maarten trok zijn dikke jas aan, wikkelde een sjaal om zijn nek. Zijn lichaam voelde vreemd licht, alsof het was uitgehold.
Yara controleerde haar rugzak—zaklampen, water, een deken. Praktisch, zelfs nu. Maarten bewonderde haar om die vasthoudendheid aan het concrete. Het was een anker in een wereld die steeds meer abstracter werd.
Lotte stond bij de deur, gereed. Ze droeg alleen een dunne jas over haar kleren. Toen Maarten vroeg of ze het niet koud zou hebben, schudde ze haar hoofd.
"Ik voel de kou niet zo veel," zei ze. "Niet meer, tenminste."
Het was geen verklaring die Maarten begreep, maar hij drong niet aan.
Asselbergs trok zijn jas aan met moeizame bewegingen. Zijn handen trilden. Maarten zag pillenbuisjes uit zijn zakken steken—pijnstillers waarschijnlijk, medicijnen die hem op de been hielden. Hoe lang nog? Dagen? Uren?
"Ik kan niet ver lopen," zei Asselbergs. "Jullie zullen me moeten ondersteunen."
"We laten je niet achter," zei Yara.
"Ik weet het. Dank je."
Ze doofden de kaars. Duisternis vulde de vuurtoren, compleet en absoluut. Maarten hoorde de ademhaling van de anderen, hoorde zijn eigen hartslag bonzen in zijn oren. En onder die geluiden, als een laag ritme dat alles droeg, hoorde hij de zee.
"Nu," zei Asselbergs.
Ze openden de deur en stapten naar buiten.
De nacht was niet zo donker als Maarten had verwacht. Er was geen maan, maar de wolken weerspiegelden een vreemd licht—misschien van verre steden, misschien van iets anders. Het was genoeg om bij te lopen zonder zaklamp.
Het water was aan het keren. Maarten voelde het eerder dan hij het zag—een verschuiving in de spanning van de lucht, een verandering in het geluid van de golven. Het hoogste punt was bereikt. Nu zou de zee zich terugtrekken.
Ze begonnen te lopen naar het noordwesten, over het kiezelstrand, toen over modder die glibberig was onder hun voeten. Asselbergs liep tussen Maarten en Yara in, zijn armen over hun schouders. Hij was lichter dan Maarten had verwacht, alsof de ziekte hem had uitgehold.
Lotte liep voorop. Ze bewoog zich met zekerheid over de modder, haar voeten vinden vaste plekken waar de anderen zouden wegglijden. Het was alsof ze de weg kende, hoewel ze hier nooit eerder was geweest.
De vier punten pulseerden sterker nu ze dichterbij kwamen. Maarten voelde ze als fysieke objecten in het landschap, als stenen pilaren die onzichtbaar waren maar aanwezig. Het noordwestelijke punt was het sterkste—het trok aan hem, een zwaartekracht van betekenis.
Ze liepen in stilte. Het enige geluid was het zuigen van modder aan laarzen, de moeizame ademhaling van Asselbergs, het verre ruisen van de zee.
Na twintig minuten—misschien langer, tijd was moeilijk te meten—stopte Lotte. "Hier," zei ze.
Maarten keek om zich heen. Ze stonden op wat leek een willekeurige plek op de modderbank, omringd door water dat zich langzaam terugtrok. Maar toen hij zijn ogen sloot en zich concentreerde, voelde hij het. Dit was het centrum. Dit was waar de vier lijnen kruisten, waar het patroon zijn focus had.
Ze hielpen Asselbergs te gaan zitten op de modder. Hij zakte neer met een kreun, zijn gezicht vertrokken van pijn. Maar toen hij naar hen opkeek, was er iets anders in zijn ogen. Vrede misschien, of opluchting.
"We zijn er," zei hij. "Nu wachten."
Ze gingen zitten in een cirkel, gezichten naar elkaar toe. De modder was koud en nat, maar Maarten merkte het nauwelijks. Alle aandacht was gericht op het moment, op het keren van het tij, op het opengaan van wat gesloten was geweest.
Het water trok zich terug. Maarten hoorde het, zag het, voelde het—de zee die zijn adem inhield, die stil werd, die wachtte. Dit was het moment tussen in en uit, tussen vloed en eb. Het ongrijpbare nu waar de overgang plaatsvond.
En toen gebeurde het.
Eerst was er licht. Niet van de hemel, niet van een bron die hij kon aanwijzen, maar gewoon daar—een blauwgroene gloed die zich verspreidde over de modderbanken. Het was het licht dat hij had gezien vanuit de vuurtoren, maar nu veel sterker, helder genoeg om schaduwen te werpen.
Het licht kwam van onder de modder. Van de vier punten, pulseren nu in synchronisatie. En waar de lijnen kruisten—precies waar zij zaten—was het licht het felst.
Yara hapte naar adem. Lotte zat doodstil, haar ogen wijd open. Asselbergs glimlachte, een vreemde, vredige uitdrukking.
"Kunnen jullie het zien?" fluisterde hij. "Het is echt. Het was altijd echt."
Maarten kon niet spreken. Hij staarde naar het licht, naar de patronen die erdoorheen bewogen—geometrische vormen die verschenen en oplossen, symbolen uit een taal die hij niet kende maar wel begreep.
En toen, langzaam, begon de lucht boven hen te veranderen. Niet donker maar ook niet licht—iets daartussen, iets zonder naam. Het was alsof de hemel een doek werd, en achter dat doek werd iets anders zichtbaar.
Sterren die geen sterren waren. Patronen die te complex waren om te volgen. Een diepte die oneindig leek.
"De drempel," zei Asselbergs. "Hij opent zich."
Maarten voelde het. Een scheuring in het weefsel van de werkelijkheid, een opening waar er geen opening had moeten zijn. Het was niet zichtbaar—niet precies—maar het was voelbaar, zoals wind voelbaar is zonder dat je hem ziet.
De drempel was geen deur. Het was geen poort. Het was een toestand, een overgang, een mogelijkheid.
En het wachtte.
Lotte stond langzaam op. Haar bewegingen waren vloeiend, zonder aarzeling. Ze keek omhoog naar de scheuring in de lucht, en op haar gezicht lag geen angst maar verwondering.
"Ik kan het zien," zei ze. "Het is zo mooi."
Yara stond ook op, haar wetenschappelijke instinct tijdelijk overwonnen door ontzag. "Wat is het? Wat zien we?"
"De waarheid," zei Asselbergs. "De werkelijkheid zoals die echt is, zonder filters, zonder tussenlagen. Dit is waar de oude mysterieën over spraken. Dit is waarnaar alle religies hebben gewezen zonder het te kunnen benoemen."
Maarten probeerde te begrijpen wat hij zag, maar zijn geest had geen kader ervoor. Het was te groot, te vreemd, te anders. Maar op een dieper niveau—niet met zijn verstand maar met iets anders—begreep hij het.
Dit was geen ontdekking. Dit was een herinnering. Hij had dit eerder gezien, op een manier die niets te maken had met tijd of ervaring. Het was als thuiskomen in een huis dat je was vergeten.
Het licht groeide feller. De drempel opende verder. En in de opening zag Maarten iets bewegen—of misschien waren het schaduwen, patronen, vormen die betekenis hadden zonder lichaam.
De poortwachters. De codex had erover gesproken. Entiteiten die noch vriend noch vijand waren, die simpelweg aanwezig waren, deel van de drempel zelf.
Ze cirkelden in de scheuring, observeerden, wachtten.
Asselbergs probeerde overeind te komen, maar zijn lichaam weigerde. Hij viel terug in de modder, zijn gezicht vertrokken. "Help me," hijgde hij. "Help me te staan. Ik moet het volledig zien."
Maarten en Yara hielpen hem overeind. Hij stond op bevende benen tussen hen in, zijn blik gericht op de drempel.
"Het is zoals Hendrik beschreef," fluisterde hij. "Precies zoals hij zei. De spiegel. We zien onszelf, maar zoals we werkelijk zijn."
"Ik zie geen spiegel," zei Yara.
"Omdat het geen letterlijke spiegel is. Het is een metafoor. De drempel toont je wat je hebt vergeten. Wie je was voordat je werd wie je bent. De kern onder alle lagen."
Lotte liep vooruit, dichter naar de drempel. Maarten wilde haar terugroepen, maar iets hield hem tegen. Ze wist wat ze deed. Ze was hiervoor geboren.
Ze stopte een meter of twee van waar de scheuring het meest intens was. Het licht speelde over haar gezicht, blauwgroen en vreemd. Ze hief haar hand, alsof ze iets wilde aanraken.
"Het voelt warm," zei ze. "En het zingt. Horen jullie dat?"
Maarten luisterde. En ja, daar was het—een toon, laag en diep, die niet uit een richting kwam maar overal vandaan. Het was geen geluid maar een trilling, een resonantie die door zijn lichaam ging, door zijn botten, door zijn bewustzijn.
Het was het lied van de aarde. Het lied van de werkelijkheid zelf.
"We kunnen erdoorheen," zei Lotte. "Nu. Het is open. Het wacht op ons."
Maarten voelde de waarheid van haar woorden. De drempel was open, toegankelijk. Een stap vooruit en ze zouden in het hart van het mysterie zijn, in de kern van wat eeuwenlang was verborgen.
Maar er was ook angst. Niet de angst voor gevaar maar iets diepers—de angst voor verandering, voor transformatie, voor het verliezen van wat je dacht te zijn.
"Ik kan niet," zei Asselbergs plotseling. "Dit lichaam... het houdt het niet. Ik kan niet mee."
Yara keek naar hem, en in haar ogen zag Maarten het conflict. De arts die wilde helpen, de onderzoeker die wilde begrijpen, de vrouw die bang was te verliezen.
"Dan blijven we hier," zei ze. "We gaan niet zonder jou."
"Nee." Asselbergs' stem was zwak maar vastberaden. "Jullie moeten gaan. Jullie drie. Ik blijf hier, ik houd het open zolang ik kan. Maar jullie moeten zien wat ik nooit heb kunnen zien. Jullie moeten het begrijpen."
"Victor..."
"Ga." Hij liet zich zakken, ging zitten in de modder, zijn rug recht ondanks de pijn. "Ga, en kom terug om me te vertellen wat je hebt gezien. Dat is alles wat ik vraag."
Maarten keek naar Yara, toen naar Lotte. De beslissing hing tussen hen in, zwaar en urgent.
Lotte liep verder naar de drempel. Ze draaide zich om en keek hen aan. "Kom," zei ze. "We zijn zo ver gekomen. We kunnen nu niet stoppen."
Yara aarzelde, toen knikte ze. "Oké. We gaan."
Maarten voelde zijn hart bonzen. Dit was het. Het moment waar alles naartoe had geleid. Het punt van geen terugkeer.
Hij liep naar Lotte. Yara volgde. Ze stonden samen voor de drempel, drie mensen op het randje van iets dat geen naam had.
Het licht was overweldigend nu, pulseren in golven die synchroon liepen met hun hartslag. De lucht trilde. De modder onder hun voeten voelde niet meer solide maar vloeibaar, alsof ze zweefden.
"Samen," zei Lotte. Ze stak haar handen uit. Maarten nam de ene, Yara de andere. Ze vormden een ketting, een verbinding.
"Op drie," zei Maarten. Zijn stem klonk vreemd, vervormd door het licht en de trilling. "Een..."
De drempel pulseerde, open, wachtend.
"Twee..."
Achter hen, op de modder, zat Asselbergs en keek toe. Zijn gezicht was vredig.
"Drie."
Maarten deed een stap vooruit, in het licht, in de opening, in het hart van de drempel.
En de wereld viel weg.