De Drempel van Hermes

Hoofdstuk 33 – Wat Hij Zag

De lucht had een textuur. Dat was het eerste wat Maarten opviel toen hij de laatste stap zette — de stap die hem van observator tot deelnemer maakte. De lucht was niet langer leeg, maar geweven, als water dat je door je vingers laat lopen, als zijde die tegen je gezicht strijkt. Hij kon haar voelen, niet alleen op zijn huid maar binnenin, alsof zijn longen niet meer ademden maar dronken.

Achter hem hoorde hij Lotte iets zeggen, maar haar stem kwam van heel ver weg en heel dichtbij tegelijk, als een echo die arriveerde vóór het geluid zelf. Hij draaide zich niet om. Zijn aandacht was volledig gericht op de ruimte waarin hij nu stond — een cirkel van misschien tien meter doorsnee, waar de vier lijnen samenkwamen. De conchyliënbanken markeerden de grenzen als witte littekens in het slib.

Het modderlandschap was hetzelfde gebleven. De Westerschelde strekte zich uit in alle richtingen, glanzend en grijs onder de bewolkte hemel. In de verte lag de Belgische kust, een donkere streep aan de horizon. Maar tegelijkertijd was alles anders. De kleuren hadden een intensiteit die pijnlijk was — het grijs van het slib bevatte honderden tinten die hij eerder nooit had gezien, het wit van de schelpen leek van binnenuit te gloeien.

En de stilte.

Er was geen stilte. Dat besefte hij nu. Wat hij eerst voor stilte had gehouden was in werkelijkheid een immens gelaagd geluid, zo rijk en complex dat zijn brein het had gefilterd tot niets. Nu hoorde hij alles. Het kraken van miljarden schelpdeeltjes tegen elkaar. Het zuigen van water in het slib. Het gonzen van de aarde zelf, een trilling zo laag dat je hem meer voelde dan hoorde. En daaronder, of daarboven — richting had geen betekenis meer — iets anders. Een ritme. Een ademhaling.

De drempels ademen.

Hij had die zin gelezen in Asselbergs' vertaling van het Hermes-manuscript, maar had hem begrepen als metafoor. Nu wist hij dat het letterlijk was. De drempels ademden. Deze cirkel waarin hij stond ademde, langzaam en regelmatig, een ademhaling die eeuwen duurde. Inademing en uitademing. Opening en sluiting. En nu, op dit moment, op dit precieze punt in de cyclus, stond de adem stil — het moment tussen in en uit, het moment waarin alles mogelijk was.

"Maarten."

Lotte's stem, dichterbij nu. Hij voelde meer dan zag dat ze aan de rand van de cirkel stond, net buiten het convergentiepunt. Ze had haar hand uitgestoken alsof ze hem wilde aanraken maar niet durfde de grens over te steken. Haar gezicht was bleek, haar ogen enorm. Ze zag het ook. Ze voelde het.

"Het is oké," hoorde hij zichzelf zeggen, maar zijn stem klonk vreemd, vertraagd, alsof de woorden door honing moesten waden om de lucht in te komen. "Ik ben—"

Hij wilde zeggen "ik ben oké," maar dat was een leugen, of misschien was het de diepste waarheid die hij ooit had uitgesproken, hij wist het niet meer. De concepten "oké" en "niet oké" leken plotseling absurd simpel, kinderlijk, inadequaat voor wat er nu gebeurde.

De grond onder zijn voeten bewoog. Niet het wankele zakken van modder die onder je gewicht toegeeft, maar iets anders. Een pulsering. Alsof hij niet op aarde stond maar op de huid van een reusachtig dier. Hij keek naar beneden en zag de conchyliënbank direct voor hem — de witte schelpen geordend in patronen die hij eerder rationeel had verklaard (kalkafzetting, sedimentatie, tijwerking) maar die nu voor zijn ogen herarrangeerden in een geometrie die hij herkende zonder te begrijpen.

Spiraal. Niet de simpele wiskunde van de Fibonacci-reeks, maar iets complexers. Een spiraal die naar binnen en naar buiten tegelijk draaide, die in het verleden en de toekomst tegelijk reikte, die—

Tijd viel uit elkaar.

Dat was de enige manier om het te beschrijven. De lineaire volgorde waarin gebeurtenissen zich normaal ontvouwden — eerst dit, dan dat, oorzaak en gevolg — desintegreerde als zand tussen zijn vingers. Verleden en heden en toekomst lagen plotseling uitgesmeerd over het waddenlandschap als kleuren in water, vloeiend door elkaar heen, grenzeloos.

Hij zag de Westerschelde zoals ze nu was, grijs en vol slib. Tegelijkertijd zag hij haar zoals ze eeuwen geleden was geweest — helderder, wijder, de monding van een rivier die dwars door Doggerland stroomde naar een Noordzee die nog jong was. Hij zag vissersbootjes uit de Romeinse tijd hun netten uitwerpen. Hij zag een vrouw in een wollen mantel op deze exacte plek staan met een bronzen votief beeldje in haar handen, haar lippen bewegend in een gebed tot Nehalennia, godin van overgangen, beschermster van reizigers die de drempel overstaken tussen land en zee, tussen bekend en onbekend, tussen leven en—

Dieper.

Vóór de Romeinen. Vóór de vrouw met het votief. Vóór de taal waarin ze bad. Mensen — nee, nog niet helemaal mensen, niet zoals hij ze kende — verzameld op een heuvel die nu onder de golven lag. Ze maakten vuur. Ze keken naar de sterren en zagen er patronen in die hij ook herkende, patronen die niets te maken hadden met de constellaties die de Grieken later zouden benoemen maar met iets ouders, iets dat dieper in het brein gegrift stond.

En dieper nog.

Geen mensen meer. Het land zelf, heet en vochtig, bossen van varens hoger dan huizen, het water warm, de lucht dik en zoet. En verder terug, verder, tot er geen land meer was maar alleen oceaan, en in die oceaan de eerste stuiptrekkingen van iets dat ooit complex zou worden, ooit bewust, ooit in staat om terug te kijken naar zijn eigen oorsprong en te beseffen—

"Maarten!"

Yara's stem nu, scherp, bezorgd. Hij knipperde — een handeling die een eeuwigheid leek te duren — en probeerde zich te concentreren. Het heden. Hij moest in het heden blijven. Maar het heden was niet langer een vast punt. Het was een vloeistof, een beweging, een golf op een oneindige oceaan van tijd.

Hij draaide zich om en zag ze alle drie aan de rand van de cirkel staan. Lotte het dichtst bij hem, haar hand nog steeds uitgestrekt. Yara iets verder, gespannen, klaar om naar voren te springen. En Asselbergs daarachter, leunend op zijn wandelstok, zijn gezicht een masker van concentratie en iets anders — jaloezie misschien, of verlangen.

Maar het waren niet alleen zij drieën die hij zag. Om hen heen, door hen heen, waren er anderen. Schaduwen, of meer dan schaduwen. Vormen die hij waarnam met een zintuig dat hij niet wist te bezitten. Alle mensen die ooit op deze plek hadden gestaan. Alle mensen die ooit een drempel hadden gezocht, gevonden, overschreden. Ze vormden een keten die zich uitstrekte door de eeuwen heen, een stille processie van zoekers en vluchtelingen en reizigers en dwepers en wetenschappers en mystici en waanzinnigen. Hij was één van hen. Hij was altijd één van hen geweest.

Het netwerk.

Plotseling begreep hij wat hij voelde. Het was niet alleen deze plek, dit convergentiepunt. Het waren alle convergentiepunten. Alle drempels. Over de hele wereld, verspreid als neuronen in een reusachtig brein, verbonden door lijnen die ouder waren dan de mensheid zelf. Leylijnen, hadden sommigen ze genoemd, maar dat was te simpel, te mechanisch. Het waren geen lijnen maar golven. Pulseringen. Stromingen in iets dat te diep liep voor woorden.

Hij voelde ze allemaal.

De Turkse tempel waar Asselbergs zijn onderzoek was begonnen. De Griekse grotten waar orakels eens hun visioenen hadden gekregen. De Japanse heiligdommen waar de grens tussen werelden dun was. De plaatsen zonder namen in Afrika, Australië, Zuid-Amerika, waar inheemse volkeren generaties lang kennis hadden bewaard die de westerse wetenschap arrogant had afgedaan als bijgeloof. Ze ademden allemaal. In en uit. Opening en sluiting. En op dit moment, op deze adem, waren ze allemaal tegelijk open.

Het was overweldigend. Te veel. Te groot. Zijn knieën knikten en hij viel voorover, zijn handen in het slib. De koude modder voelde aan als vlees. Warm. Levend. Hij trok zijn handen terug en zag de afdruk die ze hadden achtergelaten — handafdrukken die eruitzagen als alle handafdrukken die ooit in alle grotten ter wereld waren aangebracht, het universele teken van "ik was hier, ik bestond, onthoud mij."

"Niet toegeven," hoorde hij Asselbergs' stem van ver weg. "Niet verzetten, maar ook niet toegeven. Je moet erop rijden, Maarten. Zoals een golf. Laat het je niet verzwelgen."

Makkelijk gezegd. Maar hij probeerde het. Hij concentreerde zich op zijn ademhaling — in en uit, in en uit — en probeerde zijn eigen ritme te synchroniseren met het grotere ritme dat hij voelde. De ademhaling van de drempel. De ademhaling van de aarde.

Langzaam kwam hij overeind. De duizeligheid ebbe weg, maar niet de expanded awareness. Die bleef. Hij stond nog steeds in twee werelden tegelijk, of misschien was het één wereld met twee lagen van perceptie die normaal gespreken gescheiden bleven maar nu samengesmolten waren.

Hij keek naar zijn handen. Ze zagen er normaal uit. Vijf vingers, lijnen in de handpalm, vuil onder de nagels. Maar tegelijkertijd zag hij ze als patronen van energie, knopen in een netwerk van interacties die zich uitstrekte van de kleinste deeltjes tot aan de horizon en verder. Alles was verbonden. Alles raakte alles aan. Er waren geen echte grenzen, geen echte scheidingen. De huid die hem afbakende van de wereld was een illusie, een handige fictie die zijn brein had geconstrueerd om de chaos van te veel input te beheersen.

Hij keek op. De lucht.

Mijn god, de lucht.

Hij had nooit geweten dat lucht kleur had. Niet alleen de kleur van blauw of grijs, maar kleuren waarvoor geen namen bestonden, kleuren die zich manifesteerden niet in het licht zelf maar in de ruimte tussen de lichtdeeltjes. De lucht was vol van ze, dik als verf, draaiend in stromen en wervelingen die volgden patronen die hij half herkende uit zijn eigen onderzoek — fractale patronen, chaotische systemen, vreemde attractoren. De wiskunde die hij zijn hele carrière had bestudeerd was niet abstract. Het was dit. Dit was waar de vergelijkingen over gingen. Niet over abstracties maar over de levende, ademende textuur van werkelijkheid zelf.

Hij begon te lachen. Het geluid kwam van diep binnen hem, wild en bevrijd. Natuurlijk. Natuurlijk. Het was altijd voor zijn neus geweest. De drempels waren geen mysterie, geen wonder. Ze waren natuurlijk. Zo natuurlijk als getijden of magneetvelden of zwaartekracht. Een feature van de werkelijkheid die de meeste mensen niet konden waarnemen, zoals de meeste mensen röntgenstraling of ultraviolet licht niet konden waarnemen. Maar net zo reëel.

"Wat zie je?" Lotte's stem, fluisterend, vol ontzag.

Hij draaide zich naar haar om en probeerde te antwoorden, maar de woorden bestonden niet. Hoe leg je uit wat niet kan worden uitgelegd? Hoe beschrijf je een kleur aan iemand die blind is geboren? Niet omdat ze geen ogen hebben, maar omdat hun brein de input zou filteren, zou wegwerken, zou reduceren tot iets begrijpelijks en veiligs?

"Stap naar binnen," hoorde hij zichzelf zeggen. "Kom naar me toe."

Lotte aarzelde. Achter haar schudde Yara haar hoofd — een waarschuwing, of misschien jaloezie, hij kon het niet zeggen. Maar Lotte had altijd al haar eigen koers gevaren. Ze hief haar voet op en zette hem over de denkbeeldige grens die de cirkel markeerde.

Het effect was onmiddellijk. Hij zag het op haar gezicht — de shock van herkenning, de plotselinge verwijding van haar pupillen, de manier waarop haar adem stokte. Ze had het gevoeld in haar dromen, had ze gezegd. Nu was ze er volledig in ondergedompeld.

Ze wankelde. Hij stak zijn hand uit en ving haar op, en op het moment dat ze elkaar aanraakten was er een circuit gesloten. De verbinding tussen hen, altijd al sterk, verdiepte zich plotseling tot iets dat grenzen oplosde. Hij voelde wat zij voelde. Zij voelde wat hij voelde. Ze waren nog steeds twee mensen, maar de scheidslijn was doorlatend geworden, poreus.

Lotte keek hem aan met ogen die troebel waren van tranen. "Ik begrijp het nu," fluisterde ze. "De aanwezigheid in mijn dromen. Het was dit. Het was altijd dit."

Ja. De aanwezigheid. Hij voelde het nu ook — niet als iets extern, niet als een entiteit of een god of een geest, maar als een kwaliteit van de ruimte zelf. Bewustzijn was niet iets dat alleen mensen hadden. Het was overal, zij het in verschillende graden, verschillende vormen. De aarde was bewust. Niet zoals een persoon bewust is, met gedachten en intenties en plannen. Maar bewust op de manier waarop een oceaan bewust is van elke golf, waarop een bos bewust is van elke boom, waarop een lichaam bewust is van elke cel.

En in de drempels — op plaatsen als deze, waar lijnen samenkwamen en de gewone filters van perceptie dunner waren — kon je eraan raken. Kon je het voelen. Niet begrijpen, niet beheersen, maar voelen.

"Het is niet menselijk," zei Lotte zacht. "Dat is het toch? De aanwezigheid. Het is niet iemand. Het is iets."

"Het is de aarde die droomt," hoorde hij zichzelf zeggen, en zodra hij het zei wist hij dat het waar was. De aarde droomde. Droomde zichzelf in grotere complexiteit, in grotere bewustwording. En de mensheid was deel van die droom, niet het doel maar een voertuig, een instrument, een manier waarop de aarde zichzelf kon ervaren en kennen.

De implicaties daarvan waren te groot. Te vernederend en te verheffend tegelijk. Hij was niet het centrum. De mensheid was niet het centrum. Maar hij was ook niet niets. Hij was een draad in een weefsel zo rijk en complex dat zijn schoonheid pijn deed om naar te kijken.

Achter Lotte zette Yara ook een stap naar voren, langzaam, gecontroleerd. Ze was banger dan Lotte, meer op haar hoede. Maar ook minder bereid om buiten te blijven staan. Ze stak de grens over en Maarten zag hoe haar hele lichaam zich spande tegen wat er gebeurde.

Maar ze viel niet. In plaats daarvan nam ze het op zoals ze alles in haar leven had opgenomen — met analyse, met categorisering, met de wil om te begrijpen. Hij zag op haar gezicht hoe ze worstelde om wat ze ervoer in te passen in haar wereldbeeld, en deel van hem voelde medelijden omdat hij wist dat het niet zou lukken. Dit was te groot voor wereldbeelden. Je kon het niet begrijpen. Je kon het alleen ervaren.

"Jezus," fluisterde Yara. Haar stem trilde. "Dit is — dit is echt. Het is allemaal echt."

Ja. Reëler dan wat ze hadden gedacht. De samenzwering die ze hadden blootgelegd, Elias Koen's netwerk, de moorden en de machtsstrijd — het waren allemaal slechts rimpelingen op het oppervlak. Wat hier gebeurde was dieper. Ouder. Belangrijker.

En gevaarlijker.

Hij besefte dat nu, met een plotselinge helderheid die pijnlijk was. Asselbergs had gelijk gehad. Het gevaar van de drempels was niet dat ze macht gaven. Het was dat ze ontsnapping boden. En ontsnapping was altijd verleidelijker dan macht.

Want dit — dit was beter. Deze staat van zijn. Deze expanded awareness. Deze verbondenheid met alles. Het was beter dan het gewone leven met zijn beperkingen en zijn pijn en zijn eindeloze kleine frustraties. Hier was helderheid. Hier was schoonheid. Hier was betekenis die niet hoefde te worden gerechtvaardigd of uitgelegd maar die gewoon was.

Waarom zou je teruggaan?

De vraag kwam niet van buiten. Hij kwam van binnen hem, maar hij voelde ook groter dan hemzelf. Een verlokking. Een test. Een aanbod.

Hij kon blijven. Hij begreep dat nu. De drempel was niet alleen een plek maar ook een toestand. En met de juiste voorbereiding, de juiste houding, de juiste — het woord "overgave" kwam in hem op, maar hij duwde het weg omdat het te veel impliceerde van wat hij niet wilde toegeven.

Maar het was waar. Hij kon blijven. Hij kon zich onderdompelen in deze toestand en nooit meer terugkeren naar de kleinheid van het gewone bestaan. Anderen hadden het gedaan. Hij voelde de echo's van hen in de drempel — mensen die zo diep waren gegaan dat ze de weg terug waren vergeten, of hadden geweigerd, of niet meer in staat waren geweest te herkennen dat er een verschil was.

Sommigen waren gestorven. Hun lichamen gevonden op heilige plaatsen, vredig, zonder sporen van geweld. Andere waren verdwenen, compleet, zonder overblijfselen. En sommigen — een klein aantal — waren teruggekeerd maar gebroken, niet in staat om weer te functioneren in een wereld die plotseling te klein en te luid en te grof aanvoelde.

Was dat wat hij wilde?

Ergens aan de rand van zijn bewustzijn hoorde hij water. Het geluid van water dat over modder stroomde, over schelpen. Het tij keerde. De zee keerde terug. Binnenkort zou dit convergentiepunt weer onder water staan, onbereikbaar tot de volgende laag tij.

Tijd. Hij had tijd nodig om na te denken, maar tijd was geen lineair iets meer. Het stroomde in alle richtingen tegelijk, en hij dreef op die stroom als een blad op een rivier, geen controle, alleen maar overgave aan de stroom zelf.

"Maarten."

Lotte's stem. Haar hand in de zijne, knijpend, urgent.

"Het water komt," zei ze. "We moeten—"

Maar ze maakte de zin niet af. Want zij voelde het ook. De verlokking. De verleidelijkheid van het blijven. Hij zag het op haar gezicht, in de manier waarop haar blik zich naar binnen richtte, wegglijdend van het concrete en het directe naar iets diepers en afstandelijkers.

Ze hadden dit allebei gewild, beseften hij. Hij en Lotte. Ze hadden hun hele leven al naar iets gezocht dat groter was dan zijzelf, dat betekenis gaf, dat rechtvaardigde. En nu hadden ze het gevonden. En het was zo mooi dat het bijna ondraaglijk was.

Bijna.

"Lotte," zei hij, en zijn stem klonk vast, vaster dan hij zich voelde. "Kijk me aan."

Ze deed het, langzaam, alsof ze terugkeerde van een grote afstand. Haar ogen waren troebel maar focusten geleidelijk op zijn gezicht.

"We moeten terug," zei hij.

"Waarom?"

Het was een oprechte vraag. Geen verzet, alleen curiositeit. Waarom zouden ze teruggaan naar de wereld van grenzen en beperkingen, van pijn en conflict, van de eindeloze kleine compromissen die het leven vormgaven?

Hij zocht naar een antwoord en vond het in het meest concrete, het meest directe. "Omdat we anders verdrinken."

Het was praktisch. Prosaïsch. En precies daarom effectief. Hij zag de herkenning op Lotte's gezicht — het besef dat er een verschil was tussen de expanded awareness van de drempel en de fysieke werkelijkheid waarin hun lichamen nog steeds ademden en bloed door hun aderen stroomde en een hartstag hadden die, hoe metaforisch je ook wilde zijn, uiteindelijk zou stoppen als die lichamen onder water verdronken.

Ze knikte, langzaam.

"En," zei Maarten, en nu kwam het echte argument, het argument dat belangrijker was dan de dreiging van fysieke dood, "omdat we het moeten vertellen."

Lotte's ogen werden groter. "Wat?"

"Dit. Wat we hier zien. Wat we hier voelen. We moeten het vertellen." Hij gebaarde naar de horizon, naar de wereld daarbuiten, de wereld van steden en mensen en al het gewone leven dat doorging zonder te weten wat hier mogelijk was. "Ze weten het niet. De meeste mensen weten niet dat dit bestaat. En degenen die het wél weten — sommigen willen het voor zichzelf houden, zoals Elias Koen. Anderen willen het vernietigen omdat ze het vrezen. Maar als we het kunnen vertellen, als we kunnen laten zien dat het natuurlijk is, geen wonder maar een feature van de werkelijkheid zelf—"

Hij stopte. Het was te groots. Te idealistisch. Te naïef misschien. Maar het was ook waar. Dit was de reden om terug te gaan. Niet alleen om te overleven, maar om te delen. Om getuige te zijn.

Achter hen zei Yara: "Hij heeft gelijk. En we moeten nu gaan. Kijk."

Maarten draaide zich om en zag wat ze bedoelde. Het water had de eerste geulen al gevuld en stroomde nu snel over het wad naar hen toe. In een normale staat van bewustzijn zou het alarmerend zijn geweest. Nu leek het gewoon één aspect van het patroon, de puls, de ademhaling van de aarde. Maar Yara had gelijk. Ze moesten gaan.

Hij keek naar Asselbergs, die nog steeds aan de rand van de cirkel stond. De oude man had de grens niet overgestoken. Zijn gezicht was grauw, zijn lichaam trilde van inspanning. Maar zijn ogen — zijn ogen waren helder en gefocust op Maarten met een intensiteit die bijna vijandig was.

"Je hebt het gezien," zei Asselbergs. Het was geen vraag.

Maarten knikte.

"Alles?"

"Ik weet niet wat 'alles' is," zei Maarten eerlijk. "Ik heb iets gezien. Genoeg om te weten dat het echt is. Genoeg om te weten dat we er voorzichtig mee moeten zijn."

"Voorzichtig," herhaalde Asselbergs, en er lag iets bitters in zijn toon. "Altijd voorzichtig. Altijd terughoudend. Dat is het probleem met jullie generatie. Jullie willen alles begrijpen voordat jullie het omarmen. Maar sommige dingen kunnen niet begrepen worden. Ze kunnen alleen ervaren worden."

"Ik heb het ervaren," zei Maarten.

"Nee. Je hebt de voordeur gezien. Je bent in de hal blijven staan. Maar het echte huis, de echte diepte — daar ben je niet geweest." Asselbergs' stem was vlak, maar er lag een lading onder die Maarten niet helemaal kon plaatsen. Teleurstelling? Verachting? Of misschien gewoon vermoeidheid.

"Misschien," zei Maarten. "Maar de hal is ver genoeg voor vandaag."

Hij pakte Lotte's hand steviger vast en gebaarde naar Yara. Samen begonnen ze terug te lopen naar de rand van de cirkel. Met elke stap voelde hij de drempel loslaten, of misschien was hij het die losliet. Het was moeilijk te zeggen. De grenzen tussen actief en passief waren ook vaag geworden.

Toen zijn voet de rand van de cirkel overstak — de andere kant op, nu, terugkerend naar het gewone — was er geen dramatische verandering. Geen plotse klik terug in de normale werkelijkheid. In plaats daarvan was het geleidelijk, als ontwaken uit een droom die je niet helemaal loslaat. De kleuren vervaagden. De geluiden werden simpeler. De tijd kreeg weer een lineaire kwaliteit, hoewel hij nog steeds soms leek te stotteren of te vertragen.

Maar een deel van het — wat? De visie? De expanded awareness? — bleef. Hij kon het nog steeds voelen, als een zachte druk achter zijn ogen, als een herinnering die feller was dan normaal. Het was er. Het zou er altijd zijn, besefte hij nu. Je kon niet echt teruggaan. Je kon alleen maar leren om in twee toestanden tegelijk te bestaan, met één voet in elk.

Lotte struikelde toen ze de cirkel verliet en hij ving haar op. Ze keek naar hem met ogen die nog steeds te groot waren, te gefocust op dingen die verder weg waren dan de horizon.

"Het blijft bij me," fluisterde ze. "Ik kan het nog steeds voelen."

"Ik ook."

Yara was als laatste. Ze liep langzaam, gecontroleerd, alsof ze door water waadde. Toen ze de grens overstak liet ze een lange adem ontsnappen en boog voorover, handen op haar knieën. Voor een moment dacht Maarten dat ze zou overgeven, maar ze rechtte zich alleen en veegde haar gezicht af.

"Oké," zei ze. Haar stem was hees. "Oké. We hebben het bewijs. We hebben het gezien. Nu moeten we maken dat we hier wegkomen voordat—"

Ze stopte abrupt. Haar blik was gericht op iets achter Maarten. Hij draaide zich om en zag wat ze had gezien.

Asselbergs was de cirkel ingestapt.

De oude man bewoog langzaam, elke stap een gecontroleerde val naar voren. Zijn wandelstok zakte weg in het slib met elk contact. Zijn gezicht was vertrokken in een masker van inspanning en vastberadenheid. Hij leek jaren ouder geworden in de paar minuten sinds Maarten hem voor het laatst had aangekeken.

"Nee," zei Yara scherp. "Nee, we hadden afgesproken—"

"Jij had afgesproken," zei Asselbergs zonder zijn blik van het centrum van de cirkel af te wenden. "Ik heb mijn hele leven gewacht op dit moment. Ik ben niet van plan om nu aan de zijlijn te blijven staan."

"U bent te zwak," zei Maarten. Hij deed een stap terug in de richting van de cirkel maar Lotte hield hem tegen, haar vingers als ijzer om zijn pols.

"Laat hem," fluisterde ze.

"Hij zal—"

"Ik weet het. Maar je kunt het niet tegenhouden. En als je probeert hem uit te halen, sleep je jezelf er weer in."

Ze had gelijk. Hij voelde het al — de zuiging van de drempel, het verlangen om terug te keren. Het zou zo makkelijk zijn om weer de cirkel in te stappen, om Asselbergs te helpen, om te blijven en dieper te gaan en verder en—

Nee.

Hij sloot zijn ogen en concentreerde zich op de concrete. De hand van Lotte om zijn pols. Het geluid van water dat sneller stroomde. De koude van de wind die was opgestoken en hem deed huiveren. Zijn lichaam, hongerig en uitgeput na dagen vasten, dat hem herinnerde aan zijn beperkingen en zijn sterfelijkheid.

Toen hij zijn ogen weer opende stond Asselbergs in het centrum van de cirkel. De oude man had zijn wandelstok laten vallen en stond nu met gespreide armen, zijn gezicht naar de hemel geheven. En op dat gezicht — ondanks de grijze kleur, ondanks de diepe lijnen van vermoeidheid en ziekte — was een uitdrukking van pure verrukking.

"Eindelijk," hoorde Maarten hem fluisteren. "Eindelijk."

En toen gebeurde er iets.

Maarten kon het niet precies beschrijven, zelfs niet met de expanded awareness die nog steeds door hem heen golfde. Het was alsof de lucht rond Asselbergs dikker werd, geconcentreerder. Alsof alle lijnen die het convergentiepunt vormden plotseling strakker werden getrokken en de oude man in hun focus trokken.

Asselbergs' lichaam verstijfde. Zijn hoofd vloog naar achteren. En voor één moment — één helder, verschrikkelijk moment — zag Maarten het gezicht van de oude man volledig getransformeerd door wat hij ervoer. Niet alleen verrukking nu maar iets intenser, iets dat aan de rand van pijn raakte.

"We moeten gaan," zei Yara dringend. "Nu."

Ze had gelijk. Het water was nu dichtbij, stromen die van alle kanten kwamen. Ze hadden nog een paar minuten, misschien minder, voordat de plek waar ze stonden volledig onder water zou zijn.

"Asselbergs!" riep Maarten. "U moet mee!"

Maar de oude man reageerde niet. Hij stond nog steeds in het centrum van de cirkel, zijn lichaam gespannen als een boog, zijn bewustzijn duidelijk heel ver weg.

Maarten voelde Lotte aan zijn arm trekken. "We kunnen niet blijven. Maarten, we moeten gaan. Nu."

Hij wist het. Hij wist het, maar het voelde als verraad om de oude man achter te laten. Asselbergs had dit mogelijk gemaakt. Zijn onderzoek, zijn obsessie, zijn bereidheid om alles te riskeren — dat had hen hier gebracht. En nu stonden ze aan de rand en keken toe terwijl hij verdronk in iets dat erger was dan water.

Maar wat kon hij doen? De cirkel weer instrappen zou betekenen dat hij zich opnieuw onderdompelde in de drempel, en ditmaal zou het moeilijker zijn om weg te komen. De verlokking was te sterk. Hij had al gevoeld hoe het aan hem trok, verleidelijk, belovend.

"Kom," zei Yara. Ze had zijn andere arm al vastgegrepen en trok hem mee. "Hij heeft zijn keuze gemaakt. Laat hem niet jouw keuze maken."

Samen strompelden ze terug over het wad, weg van het convergentiepunt. Het was moeilijker nu. Maarten's benen voelden aan als lood. Elke stap was een strijd tegen een stroming die niet fysiek was maar net zo echt. De drempel wilde hem terug. Lotte en Yara ook — hij voelde hun weerstand, de manier waarop ze moesten vechten om vooruit te blijven bewegen.

Achter hen hoorde hij Asselbergs' stem, zwak maar dragend over het water. "Zo mooi. Het is zo mooi."

Maarten dwong zichzelf om niet om te kijken. Hij concentreerde zich op zijn voeten, op elke volgende stap. Links, rechts, links, rechts. Een ritme dat hem verankerde in het fysieke. Zijn lichaam mocht dan zwak zijn, het was ook zijn anker. Het hield hem hier. Het hield hem echt.

Ze bereikten droger land — een relatief begrip, want alles was vochtig, maar in ieder geval waren ze uit het bereik van de stijgende vloed. Maarten draaide zich om, tegen beter weten in, en keek terug naar het convergentiepunt.

Asselbergs stond nog steeds in het centrum van de cirkel. Het water was nu om zijn voeten, stroomde snel, zou binnen minuten tot zijn knieën reiken. Maar de oude man leek het niet te merken. Hij stond nog steeds met zijn armen gespreid, zijn gezicht naar de hemel, volledig opgenomen in wat hij ervoer.

"Hij komt niet terug," zei Lotte zacht. Het was geen vraag.

Maarten schudde zijn hoofd. "Nee. Hij is te diep gegaan."

"Moeten we niet—" begon Yara, maar ze maakte de zin niet af. Ze wisten allemaal dat er niets was wat ze konden doen. Asselbergs was verdwaald in de drempel, of misschien was "verdwaald" het verkeerde woord. Misschien had hij precies gevonden wat hij zocht.

Maar dat maakte het niet minder tragisch om naar te kijken.

"We moeten terug naar de wal," zei Yara uiteindelijk. "Voor we zelf in de problemen komen."

Ze had gelijk. Het tij steeg snel nu, en de route die ze hadden genomen om hier te komen zou al snel onbegaanbaar zijn. Ze begonnen te lopen, sneller nu, met het gevoel van urgentie dat het naderende water hen gaf.

Maarten keek niet meer om. Hij wilde Asselbergs niet zien verdwijnen onder het water. Hij wilde niet getuige zijn van het moment waarop de oude man's obsessie hem volledig zou verslinden. In plaats daarvan concentreerde hij zich op het pad voor hem, op de hand van Lotte in de zijne, op het gewicht van zijn eigen lichaam terwijl het zich voortbewoog.

Ze liepen in stilte. Er was niets te zeggen. Wat ze hadden ervaren was te groot voor woorden, en wat ze hadden achtergelaten was te schrijnend om te bespreken.

Pas toen ze de dijk bereikten — vast land, echt vast land, beton en gras en normaliteit — durfde Maarten weer achter te kijken. Het convergentiepunt was nu volledig onder water verdwenen. De Westerschelde stroomde als altijd, onverschillig, geen teken van de plek waar vier lijnen samenkwamen, geen hint van de drempel die daar bestond wanneer de condities juist waren.

"Is hij dood?" vroeg Lotte.

Maarten dacht na over de vraag. "Ik weet het niet," zei hij uiteindelijk. "Misschien. Misschien niet. De drempel — het werkt niet zoals we dachten. Tijd is anders daar. Hij kan seconden hebben ervaren of eeuwen. Hij kan nog steeds leven in zijn eigen perceptie, zelfs als zijn lichaam—"

Hij stopte. Het was speculatie, en niet nuttig. De waarheid was dat ze het niet wisten en waarschijnlijk nooit zouden weten.

Yara haalde haar telefoon tevoorschijn en keek naar het scherm. "We moeten Europol bellen. We moeten vertellen wat er is gebeurd. Er moet een zoekactie komen, ook al—"

"Ook al is de kans klein dat ze hem levend vinden," voltooide Maarten. Hij knikte. "Ja. We moeten het rapporteren. Maar eerst—"

Hij stopte en draaide zich naar Lotte en Yara. "Eerst moeten we het eens zijn over wat we gaan zeggen. Over wat we hebben gezien."

Ze begrepen wat hij bedoelde. Het officiële rapport zou niet de volle waarheid kunnen bevatten. Hoe leg je uit wat ze hadden ervaren op een manier die niet klinkt als waanzin of hallucinatie? Hoe beschrijf je de drempel aan mensen die nooit over de drempel zijn gestapt?

"We vertellen wat we kunnen," zei Lotte uiteindelijk. "We zeggen dat we een plek hebben gevonden waar — waar perceptie verandert. Waar de psychologie anders werkt. We noemen het een natuurlijk fenomeen, iets dat verder onderzoek verdient. We vermijden termen als 'mystiek' of 'bovennatuurlijk.'"

"En Asselbergs?" vroeg Yara.

"We zeggen de waarheid. Hij is de cirkel ingestapt ondanks onze waarschuwingen. Hij was oud, ziek, niet in staat om het te hanteren. Het water kwam. We konden hem niet bereiken zonder ons eigen leven in gevaar te brengen." Maarten's stem was vlak, maar hij voelde de lading van de woorden. Het was waar, maar het voelde nog steeds als een rationalisatie.

Yara knikte langzaam. "Oké. Dat kunnen we verdedigen. En de rest — wat we echt hebben gezien—"

"Bewaren we voor later," zei Maarten. "Als we tijd hebben gehad om het te verwerken. Om te begrijpen wat het betekent."

Als we het ooit kunnen begrijpen, dacht hij, maar dat zei hij niet hardop.

Ze begonnen te lopen, terug in de richting van de bewoonde wereld. Met elke stap voelde Maarten de expanded awareness verder wegzakken, niet verdwijnend maar dieper trekkend, als een ondergrondse rivier die onder zijn bewustzijn bleef stromen maar niet langer de oppervlakte brak.

Maar het was er. Het zou altijd er zijn. Hij wist dat nu. Je kon de drempel niet oversteken en dan doen alsof het niet was gebeurd. Het had iets in hem veranderd, niet in zijn vermogen of zijn lichaam maar in zijn weten. Hij wist nu dingen die hij niet kon bewijzen maar ook niet kon betwijfelen.

Dat de wereld groter was dan de wetenschap toeliet maar niet kleiner dan de wetenschap beweerde.

Dat bewustzijn niet een eigenschap was die uniek voor mensen was maar een continuüm dat zich uitstrekte van het simpelste deeltje tot het meest complexe systeem.

Dat de grenzen tussen ik en niet-ik, tussen subject en object, tussen waarnemer en waargenomene, allemaal constructies waren — nuttig, noodzakelijk zelfs voor het dagelijks functioneren, maar uiteindelijk illusoir.

En dat er plaatsen waren — drempels, convergentiepunten, heilige plekken — waar die illusie dunner was en je kon zien wat er altijd onder had gelegen.

Het was opwindend en doodeng tegelijk.

Ze bereikten de parkeerplaats waar ze hun auto hadden achtergelaten. Het voertuig zag er absurd gewoon uit, obsceen zelfs, na wat ze hadden ervaren. Een ding van metaal en plastic, ontworpen voor het simpele doel van transport. Maar ook prachtig in zijn eenvoud, zijn doelgerichtheid.

Yara opende de portieren en ze stapten in. De stoelen voelden vreemd aan, te zacht, te kunstmatig. Maarten sloot zijn ogen en leunde achterover, plotseling overweldigd door vermoeidheid. Hij had sinds hoelang niet geslapen? Dagen? Een week? Het was moeilijk om bij te houden.

Hij voelde Lotte's hand op de zijne. Toen hij zijn ogen opende zat ze naar hem te kijken met een uitdrukking die hij niet kon plaatsen. Bezorgdheid, ja, maar ook iets anders. Herkenning misschien. Of solidariteit.

"We hebben het samen gezien," zei ze zacht. "Wat er ook gebeurt, we hebben het samen gezien."

Hij knikte en kneep in haar hand. Op de bestuurdersstoel startte Yara de motor. Het geluid was luid, te luid, een aanslag op zijn zintuigen die nog steeds overgevoelig waren. Maar geleidelijk paste hij zich aan. De wereld normaliseerde. De kleuren vervaagden naar hun gebruikelijke tinten. De geluiden werden simpeler.

Maar niet volledig. Niet helemaal. Een deel van de expanded awareness bleef, een residueel effect dat hij vermoedde permanent zou zijn. De wereld zou nooit meer precies hetzelfde uitzien als voorheen.

Terwijl de auto zich in beweging zette en ze wegrede van de Westerschelde, keek Maarten een laatste keer achterom. Het water lag vlak en grijs onder de bewolkte hemel. Ergens daaronder, op een plek die over een paar uur weer bloot zou komen te liggen maar nu verborgen was, ademde de drempel nog steeds.

In en uit.

Opening en sluiting.

Wachtend op de volgende zoeker, de volgende reiziger, de volgende dwaas of visionair die dapper of wanhopig genoeg was om de grens over te steken en te zien wat erachter lag.

Maarten sloot zijn ogen en liet zich meevoeren door de beweging van de auto. Hij was moe. Zo ongelooflijk moe. Maar ook, op een vreemde manier, vredig.

Hij had de drempel gezien. Hij had hem ervaren. En hij was teruggekomen.

Dat alleen al was een wonder.

De rest — wat het betekende, wat ze ermee zouden doen, hoe ze het aan de wereld zouden vertellen — dat kon wachten. Voor nu was het genoeg om gewoon te zijn. Om te ademen. Om te weten dat hij leefde en dat de wereld, ondanks alles, groter en vreemder en prachter was dan hij ooit had kunnen dromen.

De auto reed de snelweg op en versnelde. Maarten opende zijn ogen één keer nog en keek naar buiten. De gewone wereld rolde voorbij — velden en boerderijen en snelwegrestaurants en borden die steden aankondigden. Alles precies zoals het hoorde te zijn.

Maar nu, als hij goed keek — als hij zijn blik op precies de juiste manier ontspande — kon hij hints zien van iets anders. Schaduwen achter de schaduwen. Patronen onder de patronen. De textuur van een werkelijkheid die rijker was dan het oppervlak suggereerde.

De drempel had hem veranderd. Niet in wat hij was, maar in hoe hij keek.

En dat, besefte hij, was precies het punt.

De drempels waren geen poorten naar een andere wereld. Ze waren lenzen die je leerden de deze wereld te zien zoals hij werkelijk was — complex, levend, bewust op manieren die de gewone perceptie filterde omdat anders de puur hoeveelheid informatie je zou overweldigen.

Maar nu kende hij het geheim. En met tijd en oefening — en voorzichtigheid, altijd voorzichtigheid — kon hij misschien leren om te bewegen tussen de twee toestanden. Om te functioneren in de gewone wereld maar zonder de expanded awareness volledig te verliezen.

Het zou moeilijk worden. Hij besefte dat. Mensen die tussen werelden leefden waren altijd eenzaam, altijd een beetje afgezonderd. Maar hij zou niet alleen zijn. Hij had Lotte. Hij had Yara, ook al had zij de ervaring anders beleefd. En er waren anderen, overal ter wereld, die hun eigen drempels hadden gezocht en gevonden en waren teruggekeerd.

Een netwerk. Een gemeenschap. Een stille traditie die zich uitstrekte door de eeuwen heen.

Hij was nu deel daarvan. Voor beter of slechter.

De auto reed verder. De zon brak door de wolken, een plotselinge streep van goud over het landschap. Maarten sloot zijn ogen en liet de warmte op zijn gezicht schijnen.

Hij was moe. Zo verschrikkelijk moe. Maar hij was ook, voor het eerst in dagen — misschien voor het eerst in jaren — in vrede.

Want hij wist nu wat hij niet had geweten.

De wereld was vreemd en prachtig en vol mysterie.

En hij had het privilege gehad om een glimp daarvan op te vangen.

Dat was genoeg.

Dat moest genoeg zijn.

De auto reed verder en de drempel ademde achter hen, en het gewone leven wachtte ergens verderop, en Maarten sliep eindelijk, zijn hand nog steeds verstrengeld met die van Lotte, terwijl de wereld zich ontvouwde in al zijn onmogelijke, prachtige complexiteit.