De Drempel van Hermes
Hoofdstuk 35 – De Ochtend
Het licht kwam van opzij. Niet het vlakke, grijze licht van de Westerschelde, maar het warmere, geelachtige licht van een hotelkamer in Middelburg. Maarten werd wakker en wist even niet waar hij was. Zijn lichaam herinnerde het eerst—de zachtheid van een echt bed, lakens die niet naar zee roken, het gewicht van een donzen deken. Dan pas kwam het bewustzijn: ze waren terug. Ze hadden de drempel verlaten. Ze hadden Asselbergs achtergelaten.
Hij ging rechtop zitten, langzaam, voorzichtig. Zijn lichaam voelde fragiel aan, alsof het uit glas was gemaakt. Drieënhalve dag vasten, gevolgd door de intensiteit van de crossing. Hij had gisteren iets gegeten—brood, kaas, een kom soep die Yara hem had aangereikt in het hotel—maar de voeding had nog niet zijn cellen bereikt. Hij voelde zich uitgehold, doorschijnend.
Door de gordijnen sijpelde het ochtendlicht. Hij stond op, liep naar het raam, trok de stof opzij. De stad lag stil onder een heldere hemel. Het was vroeg, misschien zes uur. Te vroeg voor het verkeer, voor de drukte van de dag. Middelburg zag eruit zoals het altijd had uitgezien—oude gevels, kinderkopjes, kerktorens die boven de daken uitstaken. Niets was veranderd.
Maar hij was veranderd. Hij zag het aan de manier waarop hij naar de stad keek. Er was een laag bijgekomen, een filter weggevallen—hij wist niet precies hoe hij het moest benoemen. De gebouwen zagen er solide uit, maar tegelijkertijd voelde hij hun leeftijd, de druk van tijd die op hen rustte. De lucht leek helderder, alsof hij meer dimensies had dan gisteren.
Het was niet overweldigend, zoals in de drempel. Maar het was er. Een residueel effect. Een blijvend geschenk, of misschien een blijvende vloek.
Hij trok zijn kleren aan—dezelfde kleren als gisteren, stijf van het zout en het slib—en liep de gang op. Het hotel was klein, misschien tien kamers. Ze hadden gisteravond ingecheckt, laat, met het verhaal dat ze een wandeling over het wad hadden gemaakt en de tijd uit het oog waren verloren. De receptionist had niet doorgevraagd, had alleen gekeken naar hun modderige schoenen en Yara's bleke gezicht en had kamers gegeven op de tweede verdieping.
Yara's kamer was naast de zijne. De deur stond op een kier. Hij klopte zacht, wachtte. Geen antwoord. Hij duwde de deur open en zag dat het bed leeg was, de lakens netjes opgemaakt. Of ze had niet geslapen, of ze was al op. Waarschijnlijk het laatste. Yara was geen slechte slaper.
Hij liep verder door de gang, naar de kamer aan het einde. Lotte. Hij klopte, harder nu. Na een moment hoorde hij beweging, en toen werd de deur geopend. Lotte stond daar in een te grote hoodie en haar haar warrig van de slaap. Maar haar ogen waren helder.
"Hoi," zei ze.
"Hoi. Heb je geslapen?"
"Een beetje. Jij?"
"Ja."
Ze keken elkaar aan. Er was iets veranderd tussen hen, een stilzwijgende erkenning van wat ze hadden gedeeld. Ze hadden samen de drempel overgestoken. Ze hadden samen iets gezien dat de meeste mensen nooit zouden zien. Dat creëerde een band die dieper ging dan het vaderschap dat hen al verbond.
"Yara is beneden," zei Lotte. "Ik hoorde haar een halfuur geleden naar buiten gaan. Ik denk dat ze koffie is gaan halen."
"Oké."
Hij wilde iets zeggen, iets belangrijks, iets dat recht deed aan het moment. Maar de woorden kwamen niet. In plaats daarvan legde hij zijn hand op Lotte's schouder, licht, en knikte. Ze begreep het. Ze knikte terug.
"Tien minuten," zei ze. "Dan kom ik naar beneden."
Hij liep de trap af, door de smalle lobby, naar buiten. De straat was leeg, op een fietser na die voorbijreed met een tas brood aan het stuur. De lucht was koel maar niet koud. Het beloofde een mooie dag te worden, een van die zeldzame winterdagen waarop de hemel zo blauw is dat het pijn doet om naar te kijken.
Yara zat op een bankje aan de overkant van de straat, twee koffiebekers in haar handen. Ze keek op toen ze hem zag en hief een van de bekers omhoog. Hij stak over en ging naast haar zitten.
"Zwart," zei ze. "Dat drink je toch?"
"Ja. Dank je."
Hij nam de beker aan, voelde de warmte door het karton heen. De eerste slok was bitter en perfect. Hij had sinds gisteren geen koffie gehad—had sinds de vuurtoren nauwelijks iets anders dan water gehad—en de cafeïne raakte hem onmiddellijk, een schok van alertheid die zijn zintuigen verscherpte.
Ze zaten een tijdje in stilte. Om hen heen ontwakte de stad. Een bakker opende zijn winkel verderop in de straat. Een vrouw liep voorbij met een hond, een oude teckel die traag voortstapte. Een auto startte ergens dichtbij, het geluid hard in de ochtendstilte.
Gewoon leven. Doorgewone dingen. Het was geruststellend en ontstellend tegelijk. De wereld ging door alsof er niets was gebeurd. En voor de wereld was er ook niets gebeurd. Drie mensen hadden gisteren iets gezien op een modderbank in de Westerschelde. Een oude man was achtergebleven en waarschijnlijk verdronken. Dat was alles. Een voetnoot, meer niet.
"Ik heb vannacht geen minuut geslapen," zei Yara uiteindelijk. Haar stem was laag, vermoeid. "Ik heb liggen denken over wat we hebben gezien. Wat het betekent."
"En?"
"Ik weet het niet. Het past niet. Het past nergens in." Ze nam een slok van haar koffie, keek recht vooruit. "Ik ben mijn hele leven bezig geweest met structuren. Dynastieën, religies, machtssystemen. Ik dacht dat ik begreep hoe de wereld werkte. Maar dit—dit is anders. Dit is—"
Ze stopte, zocht naar woorden.
"Groter," zei Maarten zacht.
"Ja. Groter. En kleiner tegelijk. Het maakt alles waar ik in geloofde triviaal. Alle conflicten, alle ambities. Het is allemaal zo klein vergeleken met—" Ze maakte een vaag gebaar, alsof ze de immensiteit van wat ze had ervaren probeerde te vatten in beweging. "Met wat daar is."
"Maar het is er altijd al geweest. Het was er voordat we het zagen. Het zal er zijn nadat we weg zijn."
"Dat maakt het niet minder beangstigend."
"Nee."
Ze zwegen weer. Een groep scholieren fietste voorbij, lachend, hun stemmen helder in de koude lucht. Maarten keek hen na en voelde iets wat op jaloezie leek. Hun grootste zorgen waren toetsen en vriendschappen en misschien de vraag wat ze wilden studeren. Ze wisten niet dat er drempels waren. Ze wisten niet dat de wereld groter was dan ze dachten.
Was dat beter? Om niet te weten? Om te leven in de kleinere maar veiligere werkelijkheid van alledaagse dingen?
Hij wist het antwoord niet.
"Ze hebben hem gevonden," zei Yara plotseling.
Maarten draaide zich naar haar. "Wat?"
"Asselbergs. De kustwacht heeft vanmorgen vroeg gebeld. Ze hebben zijn lichaam gevonden, aangespoeld bij Terneuzen. Ze willen ons spreken, natuurlijk. Voor een verklaring."
Hij voelde de informatie als een fysieke klap. Hij had het geweten, natuurlijk. Hij had geweten dat Asselbergs niet zou overleven. Maar weten en horen waren verschillende dingen.
"Wanneer?" vroeg hij.
"Over twee uur. Een inspecteur komt hierheen."
"Oké."
"Maarten, we moeten—" Ze stopte, keek hem aan. "We moeten voorzichtig zijn met wat we zeggen. Het verhaal moet kloppen. Geen tegenspraken."
"Ik weet het."
"We zeggen dat we zijn meegegaan met zijn onderzoek naar de Nehalennia-altaren. Dat hij geobsedeerd was, oud en ziek. Dat hij tegen ons advies in de modderbanken op ging tijdens het keren van het tij. Dat we hem hebben gewaarschuwd maar dat hij niet wilde luisteren. Dat we hem niet hebben kunnen bereiken voordat het water kwam."
Het was de waarheid, technisch gezien. Alleen niet de hele waarheid.
"En de drempel?" vroeg Maarten.
"We noemen het een psychologisch fenomeen. Een alteratie in perceptie veroorzaakt door combinatie van vasten, slaapgebrek, en de isolatie van de locatie. We suggereren dat Asselbergs daar gevoelig voor was, dat het zijn beoordelingsvermogen heeft aangetast. Dat hij dacht iets te zien wat er niet was."
Maarten knikte langzaam. Het was een goed verhaal. Geloofwaardig. Het zou vragen oproepen—waarom hadden ze meegedaan met zo'n gevaarlijke onderneming, waarom hadden ze de autoriteiten niet gewaarschuwd—maar het was verdedigbaar. En het belangrijkste: het zou de drempel zelf beschermen. Het zou voorkomen dat er teams van onderzoekers naar de Westerschelde gingen om het fenomeen te bestuderen.
Want dat wilde hij niet. Niet nu. Misschien later, als hij tijd had gehad om te begrijpen wat het betekende. Maar nu nog niet.
"Goed," zei hij. "We doen het zo."
Yara knikte. Ze zag er opgelucht uit, alsof ze had gevreesd dat hij zou weigeren mee te werken. Maar Maarten was niet dom. Hij begreep dat er momenten waren om waarheid te spreken en momenten om waarheid te bewaren.
Lotte kwam naar buiten, haar rugzak over één schouder. Ze zag er jonger uit in het ochtendlicht, kwetsbaarder. Maarten stond op en gaf haar zijn koffiebeker.
"Neem maar. Ik ga er nog een halen."
"Ze hebben Asselbergs gevonden," zei Yara tegen Lotte, zonder omhaal.
Lotte verstijfde even, knikte toen. "Oké."
"De politie komt straks. We moeten een verklaring afleggen."
"Wat zeggen we?"
Yara herhaalde het verhaal, de officiële versie. Lotte luisterde, haar gezicht uitdrukkingsloos. Toen Yara klaar was, zei ze alleen: "Oké."
Maarten keek naar zijn dochter en voelde een steek van bezorgdheid. Ze was te kalm, te beheerst. Hij wist hoe ze eruitzag wanneer ze verdrietig was, wanneer ze boos was. Dit was anders. Dit was afstandelijkheid, alsof een deel van haar nog steeds daar was, op de drempel, kijkend naar dingen die verder lagen dan de horizon.
"Lotte," zei hij zacht.
Ze keek hem aan.
"Hoe voel je je?"
Ze dacht na over de vraag, langer dan normaal. "Ik voel me—oké. Ik denk dat ik me oké voel. Maar het is alsof—" Ze stopte, zocht naar woorden. "Alsof alles verder weg is nu. Alsof ik door glas kijk naar de wereld."
"Dat gaat over," zei Yara snel. "Het is een normaal effect na zo'n intense ervaring. Dissociatie. Je brein heeft tijd nodig om het te verwerken."
Maar Maarten was daar niet zo zeker van. Hij voelde het zelf ook, die afstand. En hij vermoedde dat het niet zou overgaan. Het was geen tijdelijk effect maar een permanente verschuiving. Ze hadden iets gezien dat niet gezien kon worden en toch konden terugkomen. De prijs daarvoor was dat de gewone wereld nooit meer helemaal gewoon zou zijn.
Hij ging terug naar binnen, haalde meer koffie in het restaurantje op de hoek. Toen hij terugkwam zaten Yara en Lotte te praten, hun hoofden dicht bij elkaar. Ze stopten toen ze hem zagen, maar niet op een schuldige manier. Het was geen geheim. Het was alleen een gesprek dat zij tweeën moesten hebben.
Ze gingen terug naar het hotel, naar de kleine ontbijtkamer. Er waren twee andere gasten—een ouder stel dat aan tafel zat met een krant uitgespreid tussen hen in. Maarten, Yara en Lotte gingen aan de andere kant van de kamer zitten. Het ontbijt was eenvoudig maar goed: brood, kaas, ham, gekookte eieren. Maarten at langzaam, voorzichtig. Zijn maag was nog niet gewend aan voedsel.
Om negen uur kwam de inspecteur. Een vrouw van in de veertig, kort donker haar, een vriendelijk maar alert gezicht. Ze stelde zich voor als Janssen, rechercheur bij de politie Zeeland. Ze had een collega bij zich, een jongere man die aantekeningen maakte maar niet veel zei.
Ze gingen in de kleine lounge van het hotel zitten. De inspecteur had koffie afgeslagen maar nam een glas water aan. Ze begon met standaardvragen: namen, adressen, relatie tot de overledene. Maarten antwoordde kalm, precies. Yara deed hetzelfde. Lotte was stiller maar bleef consistent.
Toen kwam de kern van het verhaal.
"Meneer Asselbergs had contact met u opgenomen over een onderzoeksproject?" vroeg Janssen.
"Ja," zei Maarten. "Hij was geïnteresseerd in de oude cultusplaatsen van Nehalennia. De godin die werd vereerd in deze regio tijdens de Romeinse tijd. Hij had een theorie over de locaties van niet-geregistreerde altaren."
"En u was betrokken omdat—"
"Ik ben archeoloog. Of was. Victor en ik kenden elkaar van de universiteit. Hij had mijn hulp gevraagd bij het identificeren van mogelijke sites."
"En mevrouw El-Masri?"
"Egyptologe," zei Yara. "Maar met expertise in mediterrane cultusplaatsen. Victor dacht dat er parallellen waren tussen de Nehalennia-verering en bepaalde Egyptische tradities."
Het was allemaal waar. Het was alleen niet compleet.
Janssen knikte, maakte geen aantekeningen—dat deed haar collega. "En u ging met hem mee naar de Westerschelde."
"Ja. Vier dagen geleden. Hij had een locatie geïdentificeerd bij Ellewoutsdijk. We hebben daar gelogeerd in een oude vuurtoren—ik kan u het adres geven."
"Dat hebben we al. We zijn daar vanmorgen geweest." Ze leunde iets naar voren. "Wat ik probeer te begrijpen is: waarom was het nodig om te vasten? De medewerker van de kustwacht die het lichaam heeft gevonden zei dat meneer Asselbergs tekenen vertoonde van ernstige uitdroging en ondervoeding. Dat strookt met uw eigen verschijning, als ik dat mag zeggen."
Maarten voelde Lotte naast hem verstijven, maar hij bleef kalm. Ze hadden dit verwacht.
"Victor geloofde dat vasten de perceptie veranderde," zei hij. "Dat het je gevoeliger maakte voor—hij noemde het 'geomantische energieën'. Subtiele variaties in het magnetische veld, temperatuur, atmosferische druk. Zaken die normaal onder de waarnemingsdrempel liggen maar die volgens hem konden helpen bij het lokaliseren van oude cultusplaatsen."
"En u geloofde daarin?"
"Ik was sceptisch. Maar Victor was overtuigend. En hij was ziek—longkanker, stadium vier. Hij had niet veel tijd meer. Ik denk dat ik het deels deed uit—" Hij zocht naar het juiste woord. "Medelijden."
Het was waar. Het was alleen niet de enige reden.
Janssen keek hem aan met een blik die moeilijk te lezen was. Toen knikte ze, schreef iets in haar eigen notitieblok dat Maarten niet kon zien.
"En wat gebeurde er gisteren?"
"We zijn naar het convergentiepunt gegaan. Dat is—Victor had vier locaties geïdentificeerd waar hij dacht dat altaren hadden gestaan. Hij geloofde dat ze een patroon vormden, een soort geometrische configuratie. Het middelpunt van dat patroon lag op een modderbank die alleen bij laag tij bereikbaar is."
"En u bent daar allemaal heen gegaan."
"Ja. We hebben gewacht tot het tij laag genoeg was, en toen zijn we over het wad gelopen naar de plek die Victor had aangewezen."
"Hoe laat was dat?"
"Tegen het middaguur, denk ik. Misschien iets later. Ik heb niet precies op de tijd gelet."
"En wat gebeurde daar?"
Dit was het moment. Maarten haalde diep adem.
"Victor raakte—gedesoriënteerd. Het vasten, de inspanning van de wandeling, zijn ziekte—het werd hem te veel. Hij begon verwarde dingen te zeggen. Hij beweerde dat hij iets zag, iets voelde. Hij weigerde terug te gaan toen we zeiden dat het tij keerde."
"Wat zag hij dan?"
"Dat weet ik niet precies. Hij sprak over patronen in het water, over een 'ademhaling' in het landschap. Het klonk als—" Maarten aarzelde opzettelijk. "Het klonk als hallucinatie."
"En u? Hebt u ook iets gezien?"
Maarten keek Janssen recht aan. "Ik heb gezien hoe het vasten en de isolatie de perceptie kunnen vervormen. Hoe je brein patronen gaat zien waar geen patronen zijn. Het was—instructief. Maar ook gevaarlijk, zoals bleek."
Het was waar en niet waar tegelijk. De kunst van liegen was om zo dicht mogelijk bij de waarheid te blijven.
"U hebt geprobeerd hem te overtuigen om terug te gaan."
"Ja. We hebben het alle drie geprobeerd. Maar Victor wilde niet luisteren. Hij was—geobsedeerd. Hij bleef zeggen dat hij het eindelijk zag, dat zijn hele leven hiernaartoe had geleid. En toen kwam het water."
Janssen was stil even. "En u hebt hem daar achtergelaten."
Het was geen beschuldiging, maar het voelde er wel naar.
"We hadden geen keuze," zei Yara. Haar stem was vast. "Het water steeg snel. We waren te ver van hem verwijderd. Als we waren geprobeerd om hem te bereiken, waren we zelf verdronken."
"Waarom hebt u niet direct contact opgenomen met de hulpdiensten?"
"Dat heb ik gedaan," zei Yara. "Zodra we vast land bereikten. Ik heb 112 gebeld. Ze hebben de kustwacht gestuurd, maar tegen de tijd dat die arriveerde was de hele modderbank onder water."
Janssen knikte, controleerde iets in haar notities. "Dat klopt met het rapport dat we hebben ontvangen."
Ze stelde nog meer vragen, details over de route die ze hadden genomen, over de toestand van Asselbergs in de dagen ervoor, over of hij suïcidaal was geweest. Maarten antwoordde zo eerlijk als hij kon zonder de drempel te noemen. Het was uitputtend, dat navigeren tussen waarheid en verzwijging. Maar noodzakelijk.
Na een uur stond Janssen op. "Dank u voor uw medewerking. We zullen waarschijnlijk nog vervolgvragen hebben, maar voor nu is dit voldoende. Het spijt me voor uw verlies."
Verlies. Het was een vreemd woord. Maarten had Asselbergs nauwelijks gekend, echt gekend. De oude man was een gids geweest, een mentor misschien, maar geen vriend. En toch voelde het als verlies. Want Asselbergs had begrepen. Hij had geweten wat de drempels waren, wat ze betekenden. En nu was hij weg, opgeslokt door de obsessie die zijn hele leven had gedefinieerd.
Was het de moeite waard geweest? Voor Asselbergs? Had hij in die laatste momenten, ondergedompeld in de drempel terwijl het water steeg, gevonden wat hij zocht? Of was het alleen maar waanzin geweest, een laatste hallucinatie van een stervend brein?
Maarten wist het niet. Hij zou het nooit weten.
De inspecteur vertrok. Maarten, Yara en Lotte bleven zitten in de lounge, uitgeput door de verhoor. Buiten was het middag geworden. Het licht was scherp en helder, die winterse helderheid die alles in hoge resolutie liet zien.
"Wat doen we nu?" vroeg Lotte uiteindelijk.
Het was de vraag waar Maarten de hele ochtend omheen had gedraaid. Wat nu? Ze hadden de drempel gezien. Ze hadden bewijs dat er iets was, iets echt. Maar wat deden ze met die kennis?
"Ik ga terug naar Egypte," zei Yara na een lange stilte. "Naar Saqqara. Ik wil de kamer opnieuw onderzoeken. Nu we weten waar we naar moeten zoeken—" Ze stopte. "Er zijn meer drempels. Overal ter wereld. We hebben er maar één gezien. Ik wil de andere begrijpen."
"Alleen?" vroeg Maarten.
"Nee. Niet alleen. Ik ken mensen. Onderzoekers die—die open staan voor dit soort vragen. Ik ga een team samenstellen. Voorzichtig. Discreet. Maar het moet bestudeerd worden, Maarten. We kunnen niet doen alsof we dit niet hebben gezien."
Hij knikte. Ze had gelijk. De wetenschapper in hem begreep dat. Als de drempels echt waren—en ze waren echt, hij had het gevoeld, gezien, ervaren—dan moesten ze onderzocht worden. Maar wel op de juiste manier. Niet met de arrogantie van het Consortium, die het wilde bezitten en controleren. En niet met de waanzin van Asselbergs, die zich erin had willen verliezen.
Maar met respect. Met nieuwsgierigheid. Met de bereidheid om niet te begrijpen, alleen maar waar te nemen.
"Ik kom wel een keer langs," zei hij. "In Egypte. Als je team is gevormd. Ik wil zien wat jullie vinden."
Yara glimlachte. Het was een voorzichtige glimlach, maar echt. "Je bent altijd welkom."
Er hing iets tussen hen, niet uitgesproken. Ze hadden elkaar nauwelijks aangeraakt, hadden geen grote verklaringen afgelegd. Maar er was iets ontstaan tijdens die dagen in de vuurtoren, iets tijdens de crossing. Een verbinding. Of het zou groeien tot iets meer, of het zou blijven wat het nu was—een wederzijds begrip, een gedeelde ervaring. Tijd zou het vertellen.
"En jij?" vroeg Yara, kijkend naar Lotte. "Wat ga jij doen?"
Lotte haalde haar schouders op. "School, denk ik. Eindexamen halen. Het gewone leven." Ze glimlachte, maar het was een trieste glimlach. "Alsof dat nog kan na dit."
"Het kan," zei Maarten. "Het zal moeilijk zijn, maar het kan. Je leert ermee te leven. Met het weten."
"Hoe dan?"
Hij dacht na. "Door te onthouden dat het allebei waar is. Dat de wereld groter is dan we dachten, maar ook dat de kleine dingen nog steeds belangrijk zijn. School, vrienden, gewone dagen. Die zijn niet minder echt omdat er ook drempels bestaan."
Lotte knikte langzaam. Hij zag dat ze het probeerde te begrijpen, te integreren. Het zou tijd kosten. Misschien jaren. Maar ze was sterk. Sterker dan hij was op haar leeftijd.
Ze checkten uit van het hotel kort na de middag. Yara had een vlucht geboekt naar Cairo voor de volgende dag. Maarten en Lotte zouden teruggaan naar Amsterdam. Het gewone leven wachtte, met zijn verplichtingen en routines.
Ze liepen samen naar de parkeerplaats waar Yara haar huurauto had staan. Het was vreemd om afscheid te nemen. Ze hadden zo'n intense ervaring gedeeld, maar nu gingen ze allemaal hun eigen kant op, terug naar levens die heel verschillend waren.
Yara omhelsde eerst Lotte, stevig en lang. Toen Maarten. Hij voelde haar warmte, haar soliditeit. Ze fluisterde iets in zijn oor, te zacht voor Lotte om te horen: "Pas op jezelf. En op haar."
"Dat doe ik."
Ze stapte in de auto, startte de motor. Door het raam zwaaide ze nog een keer, en toen reed ze weg, de straat uit, verdwijnend in het verkeer.
Maarten en Lotte bleven staan, kijkend naar de lege plek waar de auto had gestaan.
"Ik mag haar wel," zei Lotte.
"Ik ook."
"Ga je haar terugzien?"
"Ik denk het wel. Op een gegeven moment."
"Mooi."
Ze liepen terug naar het centrum, naar het station. De trein naar Amsterdam vertrok over een uur. Ze kochten koffie bij een kiosk en gingen op een bankje zitten wachten.
De stad bewoog om hen heen. Mensen haastten zich voorbij met boodschappentassen en aktetassen. Een tram reed ratelend langs. Ergens speelde een straatmuzikant gitaar, een droevige melodie die Maarten niet herkende maar die precies paste bij de middag.
Hij keek naar Lotte, die naar haar telefoon staarde. Ze scrollde door berichten, haar gezicht neutraal. Het gewone leven, dat alweer binnen drong. Vrienden die vroegen waar ze was geweest. School die morgen weer begon. De kleine dramas en vreugdes van zestien zijn.
Maar hij zag ook iets anders. De manier waarop ze af en toe pauzeerde, opkeek naar de lucht of naar een gebouw, alsof ze iets zocht dat er niet was—of iets zag dat anderen niet zagen. Het residu van de drempel. Het blijvende effect.
Ze zou ermee moeten leren leven. Ze zouden het allebei moeten leren.
"Pap," zei Lotte plotseling, zonder van haar telefoon op te kijken.
"Ja?"
"Dank je. Voor—je weet wel. Om me mee te nemen."
Hij had haar niet meegenomen. Ze had zichzelf meegenomen, had zich opgedrongen in een situatie die gevaarlijk was. Maar hij begreep wat ze bedoelde.
"Graag gedaan."
"Denk je dat het—dat het ons heeft veranderd? Permanent?"
"Ja."
Ze keek hem aan. "Is dat erg?"
Hij dacht na over de vraag. "Ik weet het niet. Vraag me dat over een jaar."
Ze glimlachte, klein maar echt. Toen ging ze verder met scrollen, terug in haar digitale wereld.
De trein kwam. Ze stapten in, vonden plaatsen in een bijna lege wagon. Het landschap begon voorbij te rollen—eerst de stad, dan de buitenwijken, dan de polders en velden van Zeeland. Vlak land, doorsneden met sloten en kanalen, hier en daar een boerderij of een bomenrij.
Maarten keek naar buiten en probeerde niet te denken aan Asselbergs. Aan het lichaam dat ergens in een mortuarium lag, wachtend op identificatie, op een autopsie die niets zou vinden behalve verdrinking en ondervoeding. Ze zouden het afdoen als een tragisch ongeval, een oude man die te ver was gegaan in zijn obsessie.
En misschien was dat de waarheid. Misschien was er niets anders geweest dan waanzin en water.
Maar Maarten wist beter. Hij had gezien wat Asselbergs had gezien. Hij had het gevoeld. En hij wist dat de oude man, in die laatste momenten, dichter bij iets werkelijks was geweest dan de meeste mensen in hun hele leven.
Dat moest iets waard zijn.
De trein reed verder, naar het noorden, weg van de kust. Lotte viel in slaap tegen zijn schouder, haar ademhaling rustig en regelmatig. Maarten bleef wakker, kijkend naar het landschap dat voorbij rolde.
Hij dacht aan wat Yara had gezegd. Dat ze een team wilde samenstellen. Dat ze terug wilde naar Egypte om de drempel daar te bestuderen. Het was een goed plan. Verstandig. Wetenschappelijk.
Maar hij vroeg zich af of het genoeg was. Of het bestuderen van de drempels echt begrip zou brengen, of dat het begrip altijd net buiten bereik zou blijven. Zoals het proberen te begrijpen van bewustzijn door hersenen te scannen. Je kon de mechanismen in kaart brengen, maar het mysterie bleef.
Misschien was dat oké. Misschien was het mysterie het punt.
De trein stopte in Roosendaal. Een paar mensen stapten in en uit. Toen reden ze verder. Het landschap veranderde langzaam, werd iets glooiender, meer bomen, meer bebouwing. Ze naderden de Randstad.
Maarten voelde zijn telefoon trillen in zijn zak. Hij pakte hem, keek naar het scherm. Een bericht van een onbekend nummer.
We moeten praten. Over wat er in Zeeland is gebeurd. En over wat er nu gaat gebeuren. Morgen, 15:00, café De Jaren in Amsterdam. Kom alleen. - R.B.
R.B. Renée Brouwer. De journalist die met hen had samengewerkt, die het Consortium had blootgelegd. Die zelf was ondergedoken nadat Elias Koen was gearresteerd.
Maarten staarde naar het bericht. Een deel van hem wilde het negeren, wilde gewoon thuiskomen en de deur dichtdoen en doen alsof de buitenwereld niet bestond. Maar hij wist dat dat niet ging.
De drempels waren aan het ontwaken. Hij had het gevoeld in de Westerschelde, maar het was breder dan dat. Over de hele wereld waren plaatsen waar de grens dun was, waar perceptie veranderde. En als hij en Asselbergs en Yara het konden voelen, dan zouden anderen het ook voelen.
De vraag was: wat zouden ze ermee doen?
Hij typte een antwoord: Oké. Ik ben er.
Hij stopte de telefoon terug in zijn zak. Lotte bewoog naast hem, werd half wakker.
"Wat is er?" mompelde ze.
"Niets. Slaap maar verder."
Ze deed het, haar hoofd weer tegen zijn schouder. De trein reed door, door het donker wordende landschap.
Ze kwamen aan in Amsterdam toen het bijna helemaal donker was. Het station was druk, vol mensen die van werk naar huis gingen of naar huis kwamen van een dag uit. Het lawaai was overweldigend na de stilte van Zeeland. Maarten voelde zich plotseling moe, zo verschrikkelijk moe dat hij nauwelijks kon staan.
Maar hij dwong zichzelf om te bewegen. Hij en Lotte liepen door de menigte, de trap af, naar de tram. Dertig minuten later waren ze thuis, in het appartement in Oost dat plotseling te klein en te vol aanvoelde na de leegte van de vuurtoren.
Lotte ging direct naar haar kamer. Maarten hoorde de deur dichtgaan, het geluid van muziek die werd aangezet. Ze had haar eigen manier om te verwerken, haar eigen ritme. Hij zou haar de ruimte geven die ze nodig had.
Hij liep naar de keuken, maakte een boterham. Hij had trek, eindelijk, na dagen van vasten. Maar toen hij at, smaakte het voedsel vreemd, te intens, alsof zijn zintuigen nog steeds overgevoelig waren.
Hij liet de boterham half op, liep naar de woonkamer. Zijn laptop stond op de tafel, nog steeds waar hij hem had achtergelaten een week geleden. Een week. Het voelde als een jaar.
Hij opende de laptop, keek naar zijn email. Honderden berichten, de meeste onbelangrijk. Spam, nieuwsbrieven, notificaties. Maar één bericht trok zijn aandacht. Van de universiteit, van de faculteitsdecaan.
Het onderwerp was: Heroverwegingscommissie.
Hij opende het bericht. Het was formeel, zakelijk. De faculteit had zijn zaak heroverwogen in het licht van nieuwe informatie. Ze erkenden dat zijn bevindingen in Saqqara verder onderzoek verdienden. Ze boden hem zijn positie terug aan, met excuses voor de overhaaste beslissing om hem te schorsen.
Maarten staarde naar het scherm. Een week geleden zou dit het beste nieuws ter wereld zijn geweest. Zijn carrière, zijn werk, zijn identiteit—alles teruggegeven.
Nu voelde het—betekenisloos. Niet onbelangrijk, maar veel kleiner dan het had geleken. Want hij had de drempel gezien. Hij had gevoeld hoe groot de wereld was. En het idee om terug te gaan naar de universiteit, naar de bureaucratie en de politiek en de kleine conflicten—het voelde als een kooi.
Maar hij zou het wel doen. Want dat was wat je deed. Je ging terug naar je leven. Je deed je werk. Je onderwees studenten en schreef papers en zat in vergaderingen, en ondertussen droeg je het weten met je mee als een geheim, als een gewicht dat niemand anders kon zien.
Hij typte een kort antwoord: Dank u. Ik accepteer het aanbod. Ik neem volgende week contact op om de details te bespreken.
Verzonden.
Hij sloot de laptop, leunde achterover op de bank. Door het raam kon hij de stad zien, de lichten die begonnen te fonkelen in het donker. Amsterdam, met zijn grachten en fietsen en eeuwenoude gebouwen die op elkaar leken te leunen als oude vrienden.
Thuis. Dit was thuis. Maar het voelde ook als een plek waar hij was gestrand, een tussenstation op een reis die nog lang niet voorbij was.
Zijn telefoon trilde weer. Een nieuw bericht, dit keer van een nummer dat hij wel herkende. Yara.
Ben veilig aangekomen in hotel. Morgen eerste vlucht naar Cairo. Denk aan je. Aan jullie allebei. x
Hij glimlachte, typte terug: Veilige reis. Houd me op de hoogte.
Hij bleef nog lang zo zitten, in het donker, luisterend naar de geluiden van de stad. Auto's op straat. Stemmen van voorbijgangers. Het zachte gekraak van het gebouw dat zich settelde voor de nacht.
Hij dacht aan Asselbergs, die nu dood was maar misschien ook niet, omdat het deel van hem dat in de drempel was achtergebleven misschien nog steeds daar was, nog steeds kijkend naar die oneindige patronen.
Hij dacht aan Yara, die morgen terug zou gaan naar Egypte om opnieuw te beginnen met het onderzoek dat hem hier had gebracht.
Hij dacht aan Lotte, aan de manier waarop ze naar de lucht had gekeken alsof ze iets zocht.
En hij dacht aan de drempels zelf. Overal ter wereld, ademend in hun eeuwenlange ritme. Wachtend. Niet op mensen specifiek, maar op bewustzijn, op aandacht, op de bereidheid om te zien wat er altijd al was geweest.
Ze waren aan het ontwaken, had Asselbergs gezegd. Niet omdat er iets veranderde in de drempels zelf, maar omdat er iets veranderde in de mensheid. Een verschuiving in bewustzijn, een opening. Sommigen zouden het voelen en zoeken. Anderen zouden het vrezen en onderdrukken. En de meesten zouden het nooit opmerken, zouden blijven leven in de kleinere maar veiligere wereld van het gewone.
Maarten wist niet tot welke groep hij behoorde. Hij was niet bang, maar ook niet roekeloos. Hij was niet onwetend, maar ook niet verlicht. Hij was ergens in het midden, proberend te begrijpen, proberend een weg te vinden tussen de twee werkelijkheden waarin hij nu leefde.
Het zou moeilijk worden. Hij besefte dat. Er zouden momenten komen dat hij zou twijfelen aan wat hij had gezien, dat hij zou denken dat het allemaal hallucinatie was geweest, een bijwerking van het vasten en de verwachting. Er zouden momenten komen dat hij zou wensen dat hij nooit naar Saqqara was gegaan, nooit die kamer was binnengegaan, nooit had gevoeld hoe de stilte hem aanraakte.
Maar er zouden ook momenten komen—hij voelde dat—waarin hij dankbaar zou zijn. Dankbaar dat hij had gezien wat de meeste mensen nooit zouden zien. Dat hij had geleefd in twee werelden en had leren navigeren tussen hen.
Dat was het geschenk van de drempel. En ook de vloek.
Hij stond op, liep naar het raam. Hij keek naar de straat beneden, naar de mensen die voorbij liepen. Een vrouw met een hond. Een fietser met een tas vol boodschappen. Een stel, hand in hand, lachend om iets dat hij niet kon horen.
Ze wisten het niet. Ze leefden in de wereld zoals die leek te zijn—vast, begrijpelijk, voorspelbaar. En dat was oké. Dat was misschien zelfs beter.
Maar voor hem—voor Lotte, voor Yara, voor iedereen die de drempel had overschreden—was die wereld niet meer genoeg. Ze hadden gezien wat er achter lag. Of onder. Of binnen. Hij wist nog steeds niet hoe hij het moest benoemen.
Hij draaide zich om van het raam. Morgen zou hij Brouwer ontmoeten, horen wat ze te zeggen had. Misschien was het iets belangrijks, misschien niet. Het maakte niet uit. Hij zou luisteren. Hij zou doen wat nodig was.
En daarna zou hij verder gaan met zijn leven. Terug naar de universiteit. Terug naar het lesgeven, het onderzoek, de dagelijkse routine. Maar altijd wetend dat er iets anders was, iets groters, iets dat wachtte op momenten van stilte en aandacht.
De drempels zouden er altijd zijn. Ademend in hun eigen tijd. En hij zou er altijd door getrokken worden, hoe hard hij ook probeerde om gewoon te zijn.
Dat was zijn lot nu. De last van het weten.
Maar ook, op een vreemde manier, een genade.
Hij liep naar Lotte's kamer, klopte zacht op de deur.
"Ja?" Haar stem, gedempt door de muziek.
"Ik ga slapen. Welterusten."
"Welterusten, pap."
Hij liep naar zijn eigen kamer, kleedde zich uit, kroop in bed. De lakens waren koud maar verwelkomend. Hij sloot zijn ogen en voor het eerst in dagen voelde hij zich veilig. Niet omdat het gevaar weg was—het gevaar was er altijd, dat wist hij nu. Maar omdat hij thuis was. Omdat hij had gedaan wat moest worden gedaan. Omdat hij had gezien en was teruggekeerd.
Dat alleen al was een wonder.
De slaap kwam langzaam, maar toen die kwam was hij diep en droomloos. Of misschien droomde hij wel, maar van dingen die hij zich niet herinnerde bij het ontwaken. Dingen die te groot waren om in het wakkere brein te passen.
En in zijn slaap, ver weg, in een kamer in Cairo die voorbereid werd voor een tweede expeditie, bladerde Yara door haar oude aantekeningen en maakte nieuwe plannen.
En in een bed niet ver van zijn vader lag Lotte wakker in het donker en keek naar patronen op het plafond die er niet waren en zich afvraagde of ze ooit weer normaal zou slapen.
En overal ter wereld, op duizend plaatsen die niemand kende en niemand had benoemd, ademden de drempels in hun eeuwige ritme. In en uit. Opening en sluiting. Wachtend op het moment dat de adem stil zou staan en alles mogelijk zou zijn.
De wereld draaide door.
En de ochtend zou komen, zoals de ochtend altijd kwam, met zijn licht en zijn koffie en zijn gewone geluiden.
En het leven zou doorgaan.
Maar niets zou ooit meer helemaal hetzelfde zijn.