De Drempel van Hermes

Hoofdstuk 4 – Het Patroon

De vloer van Yara's kantoor was verdwenen onder papier.

Wat ooit een overzichtelijke werkruimte was geweest op de tweede verdieping van het Oriental Institute — boeken keurig op alfabet, mappen gerangschikt op vindplaats, één strategisch geplaatste orchidee op de vensterbank — was in achtenveertig uur veranderd in iets wat het midden hield tussen een commandocentrale en het atelier van een waanzinnige. Kaarten van het Midden-Oosten, de Middellandse Zee en het oostelijk Mediterrane bekken lagen als een lappendeken over het tapijt uitgespreid. Daaroverheen lagen transparante vellen met meetgegevens, plattegronden, doorsneden van opgravingen. Rode lijnen verbonden punten die niemand eerder had verbonden.

Maarten stond op zijn knieën naast de Egeïsche Zee, met een potlood achter zijn oor en koffievlekken op zijn overhemd. Het was dinsdagochtend, halftien. Of woensdag. Hij wist het niet meer zeker.

„Knossos," zei hij, en tikte op een plattegrond van het paleis. „Kamer 7 in de westelijke vleugel. In Evans' originele publicatie uit 1903 staat een ruimte van vier bij vijf komma twee meter. Geen deur naar aangrenzende vertrekken. Geen ramen. Geen decoratie. Evans noemde het een magazine — een opslagruimte."

Yara zat met gekruiste benen aan de andere kant van de Middellandse Zee. Ze had haar donkere haar opgebonden met een potlood — het tweede potlood, want het eerste was ergens onder Mesopotamië verdwenen. Ze keek niet op van haar laptop.

„En in de herziene editie van 1906?"

„Drie komma acht bij vier komma negen."

Nu keek ze op. Haar ogen waren scherp, ondanks de donkere kringen eronder. „Ze hebben de maten aangepast."

„Binnen drie jaar."

Ze staarden elkaar aan over het papieren landschap. Het was hetzelfde patroon. Hetzelfde verdomde patroon, keer op keer.

Het was begonnen op zondagavond, nadat ze het Ashmolean hadden verlaten. Yara had Maarten meegenomen naar haar kantoor — even de basisgegevens naast elkaar leggen, meer niet — en sindsdien waren ze niet meer gestopt. Het hotel waar hij had ingecheckt, een bescheiden B&B aan de Banbury Road, had zijn bed alleen gezien als hij daar rond drie uur 's nachts in was gevallen, om vijf uur later weer op te staan en terug te fietsen naar het instituut op een geleende fiets die voor geen meter recht reed.

Maar het maakte niet uit. Niets maakte uit behalve de gegevens.

Want de gegevens vertelden een verhaal dat niemand wilde horen.

Yara had het systematisch aangepakt, zoals je van een Oxford-onderzoeker mocht verwachten. Ze had een spreadsheet gebouwd — kolommen voor vindplaats, oorspronkelijke publicatie, eerste meting, herziene meting, datum van herziening, naam van de verantwoordelijke onderzoeker. Maarten had zijn eigen gegevens aangeleverd: Saqqara, Hattusa, drie locaties in Anatolië die hij in het verleden had onderzocht. Yara bracht Dendera, Abydos, twee tempels in Opper-Egypte, en — tot Maartens verbazing — drie locaties op Kreta die ze al jaren in haar systeem had staan zonder te weten waarom ze haar aandacht trokken.

Op maandagochtend hadden ze elf locaties.

Op maandagavond, nadat Yara twee collega's had gebeld — een Duitser in Tübingen en een Griekse in Athene, allebei met dezelfde vraag: heb je ooit een ruimte gevonden die nergens op sloeg? — hadden ze er vijftien.

Nu, op dinsdagochtend, waren het er zeventien.

Zeventien locaties. Verspreid over vijf landen en vierduizend jaar menselijke beschaving.

„Laten we het rijtje aflopen," zei Yara. Ze pakte een vel papier en begon te schrijven terwijl ze sprak. „Saqqara. Dendera. Abydos. Karnak — het kleine heiligdom ten noorden van de Chonsu-tempel. Hattusa, twee locaties. Çatalhöyük. Göbekli Tepe — en ja, ik weet dat dat controversieel is. Knossos. Phaistos. Mycene. Het Heraion van Samos. Delos. Didyma. En drie locaties die we nog moeten verifiëren: Ugarit, Ebla, en Byblos."

Maarten leunde achterover en wreef over zijn gezicht. Zijn stoppelbaard kraakte onder zijn vingers. „Egypte, Mesopotamië, Kreta, Turkije, de Cycladen, de kust van Klein-Azië. Het hele oostelijke Middellandse Zeegebied."

„En dat is alleen wat wij in twee dagen hebben gevonden. Met twee laptops en een handvol contacten."

De implicatie hing in de lucht tussen hen in. Hoeveel zijn er nog meer?

Yara stond op, rekte zich uit, en liep naar het raam. Buiten lag de Broad Street er verlaten bij in het grijze ochtendlicht. Een fietser in een academische toga scheurde voorbij. Oxford leefde zijn gewone leven, onwetend van het feit dat in dit kantoor twee mensen bezig waren de fundamenten van hun vakgebied onderuit te halen.

„Het gaat niet alleen om de correcties," zei ze, met haar rug naar hem toe. „Het gaat om wat er gecorrigeerd wordt."

„De verhoudingen."

„De verhoudingen." Ze draaide zich om. „Laat me je iets zien."

Ze liep naar haar bureau, opende een la, en haalde er een vergeeld notitieboekje uit dat ze al had klaargelegd. Het was haar eigen werk — aantekeningen uit haar promotieonderzoek, dateerde Maarten het, zes of zeven jaar oud. Ze sloeg het open bij een pagina vol berekeningen.

„De kamer in Dendera. Mijn oorspronkelijke meting: breedte-hoogteverhouding van 1 staat tot 1,618. Lengte-breedteverhouding van 1 staat tot 2,058. De diagonaal van de vloer gedeeld door de breedte: 2,236."

Maarten fronste. De eerste ratio was de gulden snede — die kwam overal in de oudheid voor, daar was niets bijzonders aan. Maar de tweede...

„2,058," herhaalde hij langzaam. „Dat is de wortel van phi vermenigvuldigd met... wacht." Hij pakte zijn rekenmachine. „Wortel van 1,618 is 1,272. Maal phi zelf is... 2,058."

Phi in het kwadraat gedeeld door de wortel van phi. Een verhouding die nergens in de standaard architecturale canon van de oudheid voorkomt. Maar die wél voorkomt in de Corpus Hermeticum."

De stilte die volgde was van een ander soort dan de stilte in Saqqara. Geen stilte die luisterde. Een stilte die begreep.

„Traktaat XIII," zei Maarten zacht. „De Geheime Rede op de Berg."

Precies." Yara's ogen glansden. „In het dertiende traktaat beschrijft Hermes Trismegistus aan zijn zoon Tat de proportie van de wedergeboorteruimte — de kamer waarin de transformatie plaatsvindt. De meeste vertalers hebben die passage altijd als metafoor gelezen. Als allegorie voor de innerlijke wedergeboorte van de ingewijde."

„Maar het zijn bouwspecificaties."

„Het zijn bouwspecificaties." Ze sprak het woord uit alsof het haar nog steeds verraste, hoewel ze er duidelijk al dagen, weken, misschien maanden mee rondliep. „De phi-kwadraat-verhouding. De wortel van vijf als diagonaalratio — jouw 2,236. En een plafond-vloerverhouding die gebaseerd is op de verhouding van de aardstraal tot de maanstraal. Elke kamer die wij gevonden hebben, Maarten — elke kamer — volgt dit schema. Binnen een foutmarge van minder dan twee procent."

Maarten stond op. Hij moest bewegen. De energie die door hem heen ging was te groot om zittend te verwerken. Hij liep naar de kaart op de vloer en keek neer op de rode stippen die ze hadden gemarkeerd. Zeventien punten, verspreid als sterrenbeelden over het land van de oudheid.

„En de gecorrigeerde metingen?" vroeg hij, hoewel hij het antwoord al wist.

„De gecorrigeerde metingen passen in geen enkel hermetisch schema. De verhoudingen zijn gewoon — normaal. Passend bij een opslagruimte, een bijkamer, een architecturale onvolkomenheid. De correcties vernietigen het patroon. Ze maken de kamers onzichtbaar."

Hij bleef staan bij het raam naast haar. Buiten was de hemel dichtgetrokken. Het zou gaan regenen, zoals het in Oxford altijd ging regenen. Hij dacht aan Saqqara, aan het moment dat zijn kompas begon te tollen, aan de lucht die anders smaakte. Dat was geen verbeelding geweest. Dat was geen stoornis in zijn instrumenten geweest. Die kamer was gebouwd om iets te doen.

„Ze zijn niet functioneel leeg," zei hij, meer tegen zichzelf dan tegen Yara. „Ze zijn het doel."

„De tempels, de paleizen, de megalithische complexen — het zijn geen gebouwen met een raadselachtige kamer erin. Het zijn gebouwen die om die kamer heen zijn gebouwd. De rest is de behuizing. De bescherming. Het omhulsel."

„Behuizingen voor wat?"

Yara aarzelde. Het was de eerste keer in twee dagen dat hij haar zag aarzelen, en het maakte meer indruk op hem dan alle data bij elkaar. Ze was niet het type dat twijfelde uit onzekerheid. Ze twijfelde omdat ze wist wat ze ging zeggen en omdat ze wist hoe het zou klinken.

„Ze zijn geen graven," zei ze ten slotte. „Ze zijn geen opslagruimtes. Ze zijn geen ceremoniële kamers in de gebruikelijke zin." Ze keek hem recht aan. Haar stem was laag en vast. „Het zijn drempels."

Drempels.

Het woord viel als een steen in water. Kringen spreidden zich uit. Maarten voelde de haartjes in zijn nek overeind komen — dezelfde reactie als in Saqqara, dezelfde oeroude herkenning die dieper ging dan rationele analyse.

„Overgangszones," fluisterde hij.

„Overgangszones. Gebouwd volgens exacte specificaties. Ontworpen om iets op te wekken — of mogelijk te maken — wat wij niet begrijpen. Niet met onze huidige modellen. Niet met onze huidige fysica."

Ze liep terug naar de kaart en knielde neer. Met haar vinger trok ze een denkbeeldige lijn tussen de punten. „Weet je wat het ergste is? De mythologie heeft het ons altijd al verteld. Wij waren alleen te arrogant om te luisteren."

Maarten knielde naast haar. Hij rook koffie en papier en de vage geur van sandelhout die ze bij zich droeg. „Wat bedoel je?"

„Elke vindplaats op deze kaart heeft een bijbehorende mythe. Elke mythe beschrijft hetzelfde fenomeen." Ze begon te wijzen. „Dendera — de tempel van Hathor. De mythe van de godin die afdaalt naar het dodenrijk en terugkeert. Niet sterft. Terugkeert. Abydos — de Osiris-mysteriën. Osiris wordt niet vernietigd. Hij ondergaat een transformatie en komt terug in een andere toestand. Eleusis —" ze wees naar Griekenland — „Persephone daalt af naar de onderwereld. Zes maanden weg, zes maanden terug. Heen en weer. Een overgang, geen einde."

Maartens gedachten raasden. „Orpheus."

„Orpheus gaat naar beneden en komt terug. De mythe waarschuwt alleen dat je niet moet terugkijken — niet dat je niet kunt terugkeren."

„Inanna."

„De Sumerische Inanna daalt af naar de onderwereld. Passeert zeven poorten. Komt terug. Het oudste opgetekende verhaal over een afdaling en terugkeer dat we kennen, drieduizend jaar voor Christus."

Maarten ging zitten op de vloer, midden tussen de kaarten, en staarde naar het plafond. Het neonlicht bromde zacht. Ergens op de gang lachte iemand. De gewone wereld ging door.

„Het zijn geen metaforen," zei hij. „Het zijn verslagen."

„Verschillende culturen. Verschillende talen. Verschillende eeuwen. Maar dezelfde ervaring, telkens opnieuw beschreven met de middelen die de verteller tot zijn beschikking had. De Egyptenaren noemden het Duat. De Grieken noemden het Hades. De hermetische traditie noemde het de ogdoade — de achtste sfeer. Het zijn namen voor hetzelfde fenomeen."

„En de kamers zijn de plekken waar dat fenomeen plaatsvond."

Plaatsvindt," corrigeerde Yara zacht. „Als de specificaties kloppen — als de verhoudingen het werkzame principe zijn — dan is er geen reden om aan te nemen dat het gestopt is. De kamers zijn er nog steeds. De meeste zijn alleen begraven, of herbestemd, of —"

„Gecorrigeerd."

De stilte keerde terug. Buiten begon het te regenen. Dikke druppels tikten tegen het raam als vingers die om aandacht vroegen.

Maarten richtte zich op een nieuw probleem. Het probleem dat als een schaduw achter al hun ontdekkingen lag. „De correcties," zei hij. „Laten we het over de correcties hebben."

Yara knikte. Ze trok haar laptop naar zich toe en opende de spreadsheet. De kolommen lichtten op in het scherm — een stille getuigenis van systematische manipulatie.

„De vroegste correctie die ik heb gevonden dateert uit 1981," zei ze. „Dendera. Een Duits-Egyptisch team onder leiding van professor Werner Kiesel hermaalt de tempel. In het rapport staan nieuwe metingen voor drie ruimtes die afwijken van de oorspronkelijke Napoleontische opmetingen uit 1799. De verklaring: meetfouten in de oorspronkelijke publicatie als gevolg van primitieve instrumenten."

„En de meest recente?"

„2019. Göbekli Tepe. Een Turkse publicatie waarin de afmetingen van enclosure D worden herzien. Dezelfde verklaring, andere woorden: kalibratiefout in het oorspronkelijke lasermeetsysteem."

„Veertig jaar," zei Maarten. „De correcties bestrijken veertig jaar."

„Veertig jaar en minstens vijf landen. Egypte, Turkije, Griekenland, Irak en Syrië. Verschillende teams. Verschillende universiteiten. Verschillende financieringsbronnen — althans op papier."

„Maar altijd dezelfde richting."

„Altijd dezelfde richting. De oorspronkelijke metingen worden vervangen door metingen die de hermetische verhoudingen maskeren. Nooit andersom. Het is geen toeval, Maarten. Dit is geen reeks onafhankelijke meetfouten. Iemand stuurt dit aan."

Hij stond op en begon te ijsberen. Drie stappen naar het raam, drie stappen terug. De kamer was te klein voor wat er door zijn hoofd ging. „Maar wie? En waarom? Als dit patroon echt is — als deze kamers werkelijk iets doen — waarom zou je dat willen verbergen?"

„Twee mogelijkheden," zei Yara, en ze stak twee vingers op. „Eén: iemand weet wat deze kamers zijn en wil voorkomen dat anderen erachter komen. Twee: iemand gebruikt deze kamers en wil ze voor zichzelf houden."

„Er is een derde mogelijkheid."

„Welke?"

„Iemand weet wat deze kamers zijn en is oprecht bang voor wat er gebeurt als de wereld het ontdekt."

Yara zweeg. Ze draaide haar potlood tussen haar vingers — een tic die hij in twee dagen had leren kennen als teken dat ze nadacht. Niet oppervlakkig nadacht, maar diep, in die laag waar intuïtie en intellect samenkwamen.

„Dat," zei ze uiteindelijk, „is misschien de meest verontrustende optie van de drie."

Maarten stopte met ijsberen. Hij stond nu bij haar bureau, naast een stapel boeken die dreigde om te vallen. Zijn blik gleed over de ruggen: Festugière's vertaling van de Corpus Hermeticum, Frankfort's Kingship and the Gods, Assmann's Death and Salvation in Ancient Egypt. En daaronder, half verscholen, een naam op een los vel papier dat niets met Yara's werk te maken had.

Nee. Niet een los vel. Een fotokopie. Een pagina uit een wetenschappelijk tijdschrift.

Zijn hart sloeg over.

„Yara."

Iets in zijn stem deed haar opkijken. „Wat?"

Hij trok het vel voorzichtig onder de boekenstapel vandaan. Het was een pagina uit het Nederlands Tijdschrift voor Wijsgerige Archeologie, jaargang 2004. Een artikel van dr. J.P. van Dijk, de man wiens postuum gepubliceerd paper Maarten voor het eerst op het spoor van de anomalieën had gezet. Het paper dat Van Dijks collega's hadden afgedaan als het laatste werk van een briljante maar verwarde geest.

Maar het was niet Van Dijks naam die zijn aandacht trok.

Het was de voetnoot onderaan de pagina. Voetnoot 34. Hij had het artikel tientallen keren gelezen, maar altijd gericht op de hoofdtekst, op de meetgegevens, op de conclusies. De voetnoten had hij overgeslagen — een onvergeeflijke zonde voor een academicus, en toch.

Met dank aan prof. dr. H.J. Brouwer (Universiteit van Amsterdam) voor zijn begeleiding bij het vroege stadium van dit onderzoek en voor toegang tot zijn privéverzameling hermetische manuscripten.

H.J. Brouwer. Hendrik Brouwer. De naam rees op uit Maartens geheugen als een luchtbel uit diep water. Hij had die naam eerder gezien. In het proefschrift van Van Dijk — Brouwer was zijn promotor geweest. Professor Antieke Wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. Specialist in neoplatonisme en de hermetische traditie. Emeritus sinds 2011.

Maar dat was niet alles. Er was iets anders, iets wat hij destijds had gelezen en niet had onthouden omdat het niet relevant leek. Brouwer had in de jaren tachtig en negentig een reeks artikelen gepubliceerd over de architecturale symboliek in antieke tempels. Over meetkundige verhoudingen. Over de relatie tussen bouwkundige proporties en hermetische filosofie.

De jaren tachtig. Het decennium waarin de eerste correcties waren aangebracht.

„Maarten?" Yara stond nu naast hem. Ze had de spanning in zijn lichaam gelezen zoals ze alles las: snel en accuraat. „Wat heb je gevonden?"

Hij gaf haar de fotokopie. Wees naar de voetnoot. Keek toe hoe haar ogen de tekst volgden, hoe haar wenkbrauwen omhooggingen, hoe haar lippen een naam vormden zonder geluid.

„Hendrik Brouwer," zei ze ten slotte hardop.

„Van Dijks promotor. Specialist in hermetische teksten. En actief in precies de periode waarin de eerste meetcorrecties werden doorgevoerd." Hij zweeg even. Toen: „Hij leeft nog, Yara. Hij is emeritus. Begin tachtig. Maar hij leeft nog."

Ze keken elkaar aan. De regen stroomde nu langs het raam in brede banen die het uitzicht op de Broad Street vervormden tot een impressionistisch schilderij. De spreadsheet gloeide op Yara's laptop. De kaarten lagen als stille getuigen op de vloer, zeventien rode stippen die wachtten op hun verklaring.

„Als Van Dijk dit patroon heeft gevonden," zei Yara langzaam, „dan heeft Brouwer het ook gevonden. Of hij wist het al. Hij was de promotor. Hij heeft Van Dijk begeleid bij dit onderzoek."

„En Van Dijk is dood," zei Maarten. Het klonk harder dan hij bedoelde. „Hartfalen, volgens het officiële bericht. Drie maanden voordat zijn paper werd gepubliceerd."

De stilte die volgde was geladen. Niet met beschuldiging — dat was te vroeg, te veel — maar met een besef dat steeds scherper werd. Ze waren niet de eersten die dit pad betraden. Anderen waren hen voorgegaan. En minstens één van hen was er niet meer.

„We moeten met Brouwer praten," zei Maarten.

Yara knikte. Ze draaide zich om naar haar laptop, opende een nieuw tabblad en typte een naam in het zoekvenster van de universitaire database. De resultaten verschenen binnen seconden. Prof. dr. H.J. Brouwer. Emeritus hoogleraar Antieke Wijsbegeerte, Universiteit van Amsterdam. Publicatielijst: zesenzeventig artikelen, vier monografieën, twee geredigeerde bundels. Laatste publicatie: 2009. Daarna niets meer.

„Zeventien jaar stilte," mompelde Yara. „Voor een man met die publicatiegeschiedenis is dat —"

„Ongewoon."

„Ik wilde verdacht zeggen, maar ongewoon is diplomatischer."

Maarten keek naar de kaarten op de vloer. Naar de rode stippen. Naar de lijnen die ze ertussen hadden getrokken. Driehoeken, verbindingen, een web dat zich uitstrekte over millennia en continenten. En ergens in dat web, in een woning in Amsterdam of misschien in een verzorgingshuis of misschien in een studeerkamer vol boeken die roken naar pijptabak en vergane eeuwen, zat een oude man die de antwoorden had die zij zochten.

Of die deel uitmaakte van het probleem.

„Ik vlieg morgen naar Amsterdam," zei hij.

Yara schudde haar hoofd. „Wij vliegen morgen naar Amsterdam." En toen hij wilde protesteren: „Maarten, als jij denkt dat ik je dit alleen laat doen nadat ik twee nachten slaap heb ingeleverd voor die zeventien rode punten, dan ken je me slecht. En je kent me pas twee dagen."

Ondanks alles — de vermoeidheid, de spanning, het groeiende besef dat ze iets hadden aangeraakt wat misschien beter onaangeraakt had kunnen blijven — glimlachte hij.

„Oké," zei hij. „Wij vliegen morgen naar Amsterdam."

De regen hield aan. In Yara's kantoor gloeiden zeventien rode punten op de kaart als sterren in een constellatie die de mensheid was vergeten te lezen. Ergens in Amsterdam leefde een man die wist wat ze betekenden.

De vraag was of hij het wilde vertellen.