De Drempel van Hermes

Hoofdstuk 5 – De Mentor

De regen viel gestaag op de Herengracht, een grijs gordijn dat de gevels deed glanzen en de grachten deed rimpelen alsof het water ademde. Maarten Vos stond op het stoepje van nummer 287 en keek omhoog naar de klokgevel, naar de hoge ramen waarachter zware gordijnen hingen. Het was een van die Amsterdamse grachtenpanden die eruitzagen alsof ze al eeuwen precies zo stonden — onbewogen, onverstoord, terwijl de wereld om hen heen onherkenbaar was veranderd.

Hij drukte op de bel. Ergens in het huis klonk een diep, ouderwets gerinkel.

Het had hem drie dagen gekost om deze afspraak te regelen. Drie dagen van omzichtige e-mails en een kort telefoongesprek waarin professor Hendrik Brouwer beleefd maar afstandelijk had gevraagd waarover het precies ging. Maarten had vaag gebleven — een academische kwestie, professor, rondom meetgegevens die ik in verband breng met het werk van wijlen dr. Van Dijk — en er was een stilte gevallen die langer duurde dan beleefd was. Toen had Brouwer gezegd: Komt u donderdag maar langs. Twee uur. Ik zet thee.

Het was nu acht minuten over twee.

De deur ging open. De man die verscheen was lang en mager, met haar dat zo wit was dat het bijna doorzichtig leek. Hij droeg een donkerbruin vest over een lichtblauw overhemd en keek Maarten aan met ogen die zo scherp en blauw waren dat ze bijna onnatuurlijk leken in dat oude, gerimpelde gezicht.

Dus dit is Brouwer, dacht Maarten. Tweeënzeventig. Emeritus. Drie decennia lang de stilste man in de Nederlandse academische wereld.

— Dr. Vos, neem ik aan. Brouwer stak een hand uit. Die was droog en verrassend stevig. — Komt u binnen.

Het halletje was smal en hoog, met een tegelvloer in zwart en wit. Aan de muren hingen ingelijste prenten — oude kaarten van de Middellandse Zee, van de Peloponnesos, van Egypte.

Brouwer ging hem voor naar de studeerkamer. Boeken. Overal boeken. Van vloer tot plafond, in kasten van donker hout die doorbogen onder het gewicht. Op het bureau lagen stapels papieren, een vergrootglas, een opengeslagen foliant met Griekse tekst. De lucht rook naar pijptabak en oud leer en naar iets wat Maarten alleen kon omschrijven als geleerdheid — die specifieke geur van een leven dat tussen boeken was doorgebracht.

— Gaat u zitten. Brouwer wees naar een leren fauteuil bij het raam. — Ik heb Darjeeling gezet.

De thee werd geschonken uit een zilveren pot in dunne kopjes van Delfts blauw. Brouwer ging tegenover hem zitten, nam een slok, zette het kopje zorgvuldig terug op het schoteltje en keek Maarten aan met die onmogelijk blauwe ogen.

— U bent universitair hoofddocent in Leiden, vertelde u. Vergelijkende Archeologie.

— Dat klopt.

— En u doet onderzoek naar meetafwijkingen op bepaalde vindplaatsen. Brouwer sprak langzaam, elk woord gewogen als een goudstuk op een weegschaal. — U noemde Van Dijk.

— Ja. Maarten zette zijn kopje neer. — Professor, ik zal eerlijk tegen u zijn. Ik heb de afgelopen weken, samen met een collega in Oxford, data verzameld van meer dan zeventien archeologische sites waar instrumenten afwijkingen vertonen die niet verklaard kunnen worden door bekende geologische of technische factoren. We hebben een patroon gevonden. En toen we dat patroon volgden, kwamen we uit bij dr. Van Dijk. En via Van Dijk bij u.

Er viel een stilte. Buiten tikte de regen tegen het raam. Brouwer verroerde zich niet. Zijn kopje stond halfweg zijn mond, bevroren in de lucht, en Maarten zag iets in die blauwe ogen veranderen — een vernauwing, een verharding, alsof er achter dat beleefde academische masker een deur was dichtgeslagen.

De oude man zette het kopje neer. Heel langzaam.

— Zeventien sites, zegt u.

— Minstens zeventien. Vermoedelijk meer.

Brouwer stond op en liep naar het raam. Zijn rug was kaarsrecht, zijn handen gevouwen achter zijn rug, en hij stond daar zo lang zonder iets te zeggen dat Maarten begon te twijfelen of hij niet beter kon vertrekken.

Toen sprak Brouwer, zonder zich om te draaien.

— Hoeveel weet u van de Hermesgroep?

Maarten voelde zijn hartslag versnellen. — Bijna niets. Alleen dat die naam opdook in de correspondentie van Van Dijk. In een brief uit 1983.

Brouwer draaide zich om. Hij keek Maarten lang aan — niet vijandig, niet argwanend, maar met iets wat Maarten pas later zou herkennen als verdriet. De oude professor liep naar een kast, opende een la en haalde er een pijp uit die hij met de trage precisie van een ritueel begon te stoppen.

— Ik heb in geen dertig jaar met iemand over deze dingen gesproken, zei hij zacht. — En ik had gehoopt dat nooit meer te hoeven doen.

Hij stak de pijp aan. De zoete geur van tabak vulde de kamer.

— Maar als u zeventien sites hebt gevonden, dr. Vos, dan bent u verder dan wij ooit zijn gekomen. En dan bent u het vermoedelijk ook aan uzelf verplicht om te weten waar u mee bezig bent.

Hij ging weer zitten. De pijp gloeide zachtjes in het halfduister.

— Het begon in 1981. Of eigenlijk eerder, voor ieder van ons afzonderlijk, maar in '81 vonden we elkaar. We waren met z'n zessen. Zes academici uit zes disciplines, aan zes universiteiten, die elk onafhankelijk op dezelfde onmogelijkheid waren gestuit.

Hij trok aan zijn pijp. De rook kringelde omhoog langs de boekenplanken.

— Van Dijk was er één. Archeoloog, zoals u. Brilliant man. Hij had het verband gelegd tussen de akoestische eigenschappen van bepaalde neolithische structuren en de neurologische effecten die onderzoekers rapporteerden. Mensen met meetapparatuur die dingen registreerden die er niet hoorden te zijn.

— Wat voor effecten? vroeg Maarten.

— Verschuivingen in waarneming. Brouwer sprak het woord uit alsof hij het met een pincet vastpakte. — Geen hallucinaties. Juist het tegenovergestelde. Een soort helderheid. Alsof bepaalde filters in de menselijke perceptie werden uitgeschakeld. Mensen zagen patronen die ze eerder niet hadden opgemerkt. Hoorden frequenties die normaal onder de drempel van het bewuste liggen. Sommigen rapporteerden een gevoel van aanwezigheid — niet van iemand, maar van iets.

Brouwer zweeg even. De regen was aangetrokken. Dikke druppels sloegen tegen het glas.

— De zes. Ik zal u hun namen noemen. Van Dijk, archeologie, Leiden. Ikzelf, filosofie, Amsterdam. Dr. Pieter Hoekstra, theoretisch fysicus, Utrecht. Dr. Élise Moreau, historisch linguïst, Parijs. Dr. Kaspar Weizenbaum, geofysicus, München. En dr. Ibrahim Khalil, egyptoloog, Caïro.

Zes namen. Maarten herhaalde ze in zijn hoofd.

— We noemden onszelf de Hermesgroep. Naar Hermes Trismegistus. Het was Moreau die de naam voorstelde. Ze had een zwak voor symboliek. Brouwer glimlachte vaag, maar het was een glimlach die niet zijn ogen bereikte. — We kwamen twee keer per jaar bijeen. Altijd ergens anders. Altijd discreet. We deelden data, vergeleken bevindingen, ontwikkelden hypothesen.

— En wat concludeerden jullie?

— We bevestigden wat ieder van ons al vermoedde. Dat bepaalde oude structuren — tempels, grafkamers, megalithische complexen — gebouwd zijn op locaties waar specifieke geologische condities samenvallen met specifieke geometrische verhoudingen. Bepaalde typen gesteente. Bepaalde breuklijnen. En dat de structuren zelf resonantiecondities creëren in het laagfrequente spectrum. Infrageluid. Onder de twintig hertz. Frequenties die het menselijk oor niet hoort, maar die het menselijk brein wel registreert.

Hij boog zich naar voren.

— Hoekstra bouwde een model. De geometrie van de structuur werkt als een resonantiekamer. De geologische ondergrond levert de basisfrequentie — seismische micro-trillingen, piezo-elektrische effecten in kwartshoudend gesteente. De structuur versterkt die frequentie en focust haar. Het resultaat is een zone — soms niet groter dan een vierkante meter — waar die frequenties convergeren tot een staand golfpatroon.

— En dat patroon veroorzaakt de perceptuele verschuivingen, zei Maarten.

— Dat was onze hypothese. En tot op zekere hoogte klopt het. Het is meetbaar. Herhaalbaar. Het is fysica. Geen mystiek. Gewoon akoestiek en geologie en neurowetenschappen die samenkomen op een manier die we nog niet volledig begrijpen.

Hij zweeg. De pijp was uitgegaan. Hij stak hem niet opnieuw aan.

— Maar dat was niet het hele verhaal, zei Maarten. Het was geen vraag.

— Nee. Brouwer keek hem aan. — Dat was niet het hele verhaal.

De stilte die volgde was zwaarder dan de eerdere. Brouwer stond op en schonk zichzelf een glas water in. Hij dronk het in één teug leeg.

— In de zomer van 1984 besloten Van Dijk en Moreau om een locatie in Zuid-Spanje te onderzoeken. Een site in de bergen boven Ronda. We hadden de coördinaten geïdentificeerd op basis van Hoekstra's model — een voorspelling. Het model voorspelde dat daar een bijzonder sterke zone moest zijn. Geen bekende vindplaats. Alleen een kalksteengrot in een onbewoond berggebied.

Zijn hand met het glas trilde licht.

— Ze zijn er in augustus heen gegaan. Met meetapparatuur. Met kaarten. Ze hadden een schema — drie dagen veldwerk, dagelijkse check-ins via de radio. De eerste dag meldden ze dat het model klopte. De tweede dag meldden ze metingen die Hoekstra's voorspellingen met een factor acht overtroffen.

Brouwer zette het glas neer.

— De derde dag meldden ze niets.

De woorden bleven in de kamer hangen als de rook die er niet meer was.

— We wachtten twee dagen. Toen stuurden Hoekstra en ik een lokale gids. Hij vond hun kamp. De tenten stonden er nog. De apparatuur. Hun paspoorten. Maar Van Dijk en Moreau waren er niet. Niet in de grot. Niet in de omgeving. Nergens.

— Geen spoor van geweld? vroeg Maarten.

— Niets. Geen bloed. Geen tekenen van een worsteling. Er stond een kopje koffie dat halfleeg was. Alsof ze halverwege een slok waren opgestaan en waren weggelopen. Of...

Hij maakte de zin niet af.

— De Spaanse politie deed onderzoek. Vond niets. Het dossier is na twee jaar gesloten. Vermist, vermoedelijk verdwaald in de bergen. Maarten hoorde de bitterheid in Brouwers stem, scherp als azijn. — Élise Moreau had haar hele leven in de Pyreneeën gewandeld. Ze verdwaalde niet.

Brouwer ging weer zitten. Hij leek opeens ouder. De scherpe blik was er nog, maar eronder lag iets vermoeids, iets dat al heel lang moe was.

— Zes weken later kregen we bezoek. Hoekstra en ik, allebei, op dezelfde dag, in verschillende steden. Twee mannen in donkere pakken. Geen visitekaartjes. Geen namen. Ze spraken Nederlands met een accent dat ik niet kon plaatsen — of misschien was het juist de afwezigheid van elk accent. Ze waren buitengewoon beleefd. Ze zeiden dat ze bezorgd waren over ons welzijn. Dat ze ons adviseerden om ons onderzoek te staken. Dat de wereld bepaalde kennis niet nodig had.

— En jullie luisterden, zei Maarten.

— Wij luisterden. Niet alleen omdat we bang waren. Maar omdat we tegen die tijd zelf ook begrepen dat we iets hadden gevonden wat groter was dan wij. We hadden een fout gemaakt, dr. Vos. Een fundamentele, arrogante fout.

— Welke fout?

Brouwer liep naar het raam. De regen stroomde langs het glas in grillige banen, als tranen over een oud gezicht.

— We dachten dat het puur fysisch was. Resonantie. Frequenties. Geologie. Een mechanisme dat we konden meten, beschrijven, uiteindelijk beheersen. Maar de zones... Zijn stem daalde tot bijna een fluistering. — De zones zijn niet passief, Maarten. Ze zijn niet gewoon plekken waar iets gebeurt. Ze reageren.

Hij draaide zich om.

— Van Dijk begreep dat. In zijn laatste brieven aan mij — brieven die ik nooit aan iemand heb laten lezen — schreef hij over een wederkerigheid. Alsof de zone niet alleen de waarnemer beïnvloedt, maar de waarnemer ook de zone. Een feedbacklus. Een dialoog. Hij gebruikte het woord drempel. Niet als metafoor. Als beschrijving. Een grens die in twee richtingen werkt.

Brouwer pakte zijn pijp weer op, draaide hem rond in zijn vingers zonder hem aan te steken.

— Ik denk dat Van Dijk dat begreep. En ik denk dat hij daarom naar binnen is gegaan.

De woorden landden in de stilte als stenen in diep water. Maarten voelde een koude rilling langs zijn ruggengraat.

— Professor. U zegt naar binnen gegaan. Waar naartoe?

Brouwer glimlachte. Het was de droevigste glimlach die Maarten ooit had gezien.

— Dat is precies de juiste vraag. En het is precies de vraag die ik niet kan beantwoorden. Niet omdat ik het niet wil. Maar omdat ik het werkelijk niet weet. Ik weet alleen dat Van Dijk niet schreef als een man die bang was. Hij schreef als een man die iets had gevonden. Iets wat hij zijn hele leven had gezocht zonder het te weten.

Er viel een lange stilte. Maarten keek naar de boeken om hem heen en bedacht dat al die kennis niet genoeg was geweest om te begrijpen wat er in een kalksteengrot boven Ronda was gebeurd.

— De groep viel uiteen, zei Brouwer. Hij sprak nu zakelijker, alsof hij het verdriet weer achter het academische masker wegborg. — Hoekstra ging terug naar zijn theoretische fysica. Khalil keerde terug naar Caïro en overleed in 1997. En ik trok me terug in de filosofie. In Plato en de pre-Socraten. Veilig terrein.

Hij leunde naar voren en keek Maarten recht aan.

— Maar er is er één die niet is gestopt.

Maarten voelde zijn adem stokken. — Wie?

— Weizenbaum. Kaspar Weizenbaum. Onze geofysicus. Hij is in München. Officieel gepensioneerd, maar hij werkt nog steeds. Al dertig jaar verzamelt hij geomagnetische data van deze sites. Stilletjes. Zonder publicaties. Zonder aandacht. Hij heeft een netwerk van sensoren op minstens twaalf locaties.

Brouwer liep naar zijn bureau en schreef iets op een velletje papier dat hij aan Maarten overhandigde. Een naam. Een adres in München-Schwabing. Een telefoonnummer.

— Hij zal u ontvangen als u mijn naam noemt. Maar wees voorbereid. Kaspar is veranderd. Het werk heeft hem veranderd. Hij ziet dingen die anderen niet zien, en ik weet niet altijd of dat een gave is of een vloek.

Maarten vouwde het papier op en stak het in zijn binnenzak. Zijn thee was koud geworden. De regen was afgenomen tot een zacht gedruppel.

— Professor. Waarom vertelt u mij dit? Na dertig jaar stilte?

Brouwer stond bij de deur van de studeerkamer. In het schemerlicht leek hij nog langer, nog magerder, een silhouet uit een andere tijd.

— Omdat u het zelf hebt gevonden, dr. Vos. Zonder de Hermesgroep. Zonder de data die wij hadden. U en uw collega in Oxford zijn op eigen kracht tot dezelfde conclusies gekomen als wij in vier jaar. Dat betekent ofwel dat u buitengewoon goed bent — ofwel dat het gevonden wil worden. En dat tweede maakt me ongerust.

Hij deed de deur open. De gang lag in duisternis. Ergens in het huis tikte een staande klok.

Ze liepen door de smalle gang, langs de oude kaarten aan de muren. Bij de voordeur bleef Brouwer staan. Hij legde een hand op Maartens schouder — een gebaar dat zowel vaderlijk als waarschuwend was.

— Twee dingen, dr. Vos. Wees voorzichtig met wie u dit vertelt. Er zijn mensen die liever niet hebben dat deze kennis verspreid wordt. Niet omdat ze kwaadwillend zijn. Misschien juist niet. Maar ze opereren vanuit een overtuiging dat de wereld bepaalde deuren beter gesloten kan houden.

Hij zweeg even.

— En het tweede?

Brouwer opende de voordeur. De avondlucht van Amsterdam stroomde naar binnen, vochtig en koel en doorspekt met de geur van grachtenwater.

— Wees nog voorzichtiger met wat u vindt.

Maarten stapte naar buiten. De stoep glom van de regen. Op de gracht voer een rondvaartboot voorbij, verlicht als een lantaarn in de schemering. Achter hem hoorde hij de deur van nummer 287 zachtjes dichtgaan.

Hij bleef een ogenblik staan. In zijn binnenzak voelde hij het gewicht van het velletje papier. In zijn hoofd echoden Brouwers woorden, en daarachter, als een onderstroom, de woorden die de oude professor niet had uitgesproken maar die net zo duidelijk waren als de regen op de Herengracht.

Ze zijn niet verdwenen. Ze zijn ergens heen gegaan. En ik weet niet of dat erger is.

Maarten sloeg de kraag van zijn jas op en liep de avond in, langs de gracht, langs de verlichte ramen van huizen waar mensen gewone levens leefden, onwetend van drempels en zones en deuren die al millennia op een kier stonden.

In zijn zak trilde zijn telefoon. Een bericht van Yara.

Maarten. Ik heb er nog drie gevonden. Twintig sites nu. En er is iets met de data. De afwijkingen worden sterker. Niet geleidelijk. Exponentieel. Alsof iets wakker wordt.

Hij stopte midden op de brug over de Leidsegracht. Onder hem stroomde het donkere water, en in het water weerspiegelden de lichten van de stad — vervormd, trillend, alsof de werkelijkheid daar beneden net iets anders was dan de werkelijkheid hierboven.

Hij dacht aan Van Dijk en Moreau, aan een halfleeg kopje koffie in een grot boven Ronda. Aan een drempel die in twee richtingen werkte. Aan een stilte die luisterde.

Toen typte hij zijn antwoord.

Ik ga naar München.