De Drempel van Hermes
Hoofdstuk 7 – De Verdwijningen
Den Haag was grijs. Niet het dramatische grijs van een naderende storm, niet het melancholische grijs van een winterse schemering, maar het administratieve grijs van een stad die functioneert. Het grijs van beton en tramrails en regendruppels op dubbel glas. Het grijs van instellingen die hun werk doen zonder ooit een krant te halen.
Maarten Vos stond voor het Europol-gebouw aan de Eisenhowerlaan en voelde zich hopeloos misplaatst. Hij droeg zijn beste colbert — wat niet veel zei — en had zijn aktetas bij zich met daarin drie USB-sticks, een stapel geprinte e-mails en een notitieboek vol aantekeningen die, als hij eerlijk was, eruitzagen als het werk van een paranoiacus. Lijnen tussen namen. Vraagtekens in rood. Cirkels om data die alleen voor hem een patroon vormden.
Dit is een vergissing, dacht hij. Ze gaan me uitlachen.
Maar hij dacht aan wat Brouwer hem had verteld over Van Dijk en Moreau. Aan de blik in Weizenbaums ogen toen ze over de gecorrigeerde metingen sprak. Aan Yara's stem door de telefoon, hoe die steeds zachter werd naarmate ze meer vertelde, alsof de muren oren hadden. Nee. Hij was niet paranoide. Er was een patroon, en iemand was heel zorgvuldig bezig dat patroon te wissen.
De contactpersoon was Hendriks geweest, een oud-studiegenoot die tegenwoordig iets deed met internationale juridische samenwerking — Maarten had nooit precies begrepen wat. Maar Hendriks had hem serieus genomen, serieuzer dan verwacht, en binnen twee dagen een afspraak geregeld.
Commissaris Nadia Bakker. Afdeling Cultuurgoederen en Erfgoedcriminaliteit. Derde verdieping, kamer 3.17.
De bewaker bij de ingang controleerde zijn legitimatie met de gelaatsuitdrukking van iemand die betere dingen te doen had. Een bezoekerspas. Een metaaldetector. Een lift die rook naar schoonmaakmiddel en teleurstelling. Toen stond hij in een gang die eruitzag als elke andere gang in elk ander overheidsgebouw ter wereld, en klopte hij op een deur met een bordje dat alleen een nummer droeg.
"Binnen."
De vrouw achter het bureau was niet wat hij had verwacht. Hoewel — hij wist niet precies wat hij had verwacht. Iemand in uniform misschien, of iemand met de koude efficiëntie van een televisierechercheur. Nadia Bakker was geen van beide. Ze was begin vijftig, met kort grijs haar dat eruitzag alsof ze het zelf knipte, en ogen die de kleur hadden van sterke koffie. Ze droeg een donkerblauwe blazer over een zwart shirt, geen sieraden behalve een horloge dat eruitzag alsof het tegen een stootje kon. Op haar bureau stonden twee beeldschermen, een lege koffiemok met de tekst World's Most Adequate Colleague, en drie stapels dossiers die de zwaartekracht leken te tarten.
"Professor Vos?" Ze stond op en schudde zijn hand. Stevige greep. Geen glimlach, maar ook geen vijandigheid. Zakelijk. "Hendriks zei dat u iets had over verdwenen onderzoekers. Gaat u zitten."
Het was geen uitnodiging. Het was een instructie.
Maarten ging zitten op de stoel tegenover haar bureau — een oncomfortabel ding van staal en stof dat duidelijk was ontworpen om bezoekers aan te moedigen hun verhaal kort te houden. Hij opende zijn aktetas en legde zijn materiaal op het bureau. De USB-sticks. De e-mails. Het notitieboek.
"Ik weet hoe dit eruitziet," begon hij.
"Dat betwijfel ik," zei Bakker droog. "Maar ga uw gang."
Hij vertelde het. Alles. Vanaf de geofysische anomalieën die Weizenbaum had gevonden in de metingen van historische sites. De systematische correcties die de afwijkingen uit de data verwijderden. Het patroon dat Yara had ontdekt in de positionering van Minoïsche structuren. Brouwers verhaal over de Hermes-groep — de vijf onderzoekers die in de jaren negentig hadden ontdekt dat bepaalde oude bouwwerken akoestische en ruimtelijke eigenschappen bezaten die niet verklaard konden worden met conventionele bouwmethoden. En hoe twee van die vijf — Van Dijk en Moreau — waren verdwenen.
Bakker luisterde zonder hem te onderbreken. Ze maakte geen aantekeningen. Ze knikte niet bemoedigend. Ze zat daar met haar handen gevouwen op het bureau en keek hem aan met een uitdrukking die het midden hield tussen professionele belangstelling en het geduld van iemand die gewend was aan lange verhalen met weinig inhoud.
Maar haar ogen veranderden toen hij over Van Dijk en Moreau begon. Het was subtiel. Een vernauwing. Een verschuiving in focus, als een cameralens die scherp stelt op iets in de verte.
"Wanneer is Van Dijk verdwenen?" vroeg ze toen hij pauzeerde.
"1998. Brouwer zei —"
"Oktober 1998. Kreta. In de buurt van Phaistos." Bakker leunde achterover. "En Moreau in 2001. Maart. Delphi."
Maarten staarde haar aan. "U weet ervan."
"Ik weet van hen." Ze stond op, liep naar een archiefkast in de hoek — een oud, grijs stalen geval dat eruitzag alsof het ouder was dan het gebouw — en trok een la open. Haar vingers dansten over de tabbladen met de automatische precisie van iemand die dit vaker deed. Ze haalde er een map uit. Dik. Versleten hoeken. Een sticker met een codenummer en, in Bakkers eigen handschrift, een enkel woord: Academici.
Ze legde de map op het bureau, voor hem.
"Maak open."
Maarten sloeg de map open. Foto's. Rapporten. Interpol-formulieren. Correspondentie met universiteiten, met politiekorpsen, met ambassades. Zeven tabbladen. Zeven namen.
De eerste twee herkende hij: dr. Pieter van Dijk, Universiteit Utrecht, verdwenen oktober 1998, Kreta. Dr. Isabelle Moreau, CNRS Parijs, verdwenen maart 2001, Delphi.
De andere vijf waren nieuw.
Dr. Alessandro Ferrini, Universiteit van Bologna. Verdwenen juni 2004, Paestum, Italië. Specialist in Griekse tempelarchitectuur.
Dr. Elena Papadopoulos, Universiteit van Athene. Verdwenen september 2007, Epidaurus, Griekenland. Onderzoek naar de akoestiek van het antieke theater.
Dr. Kemal Arslan, Technische Universiteit Istanbul. Verdwenen april 2011, Göbekli Tepe, Turkije. Geofysicus, gespecialiseerd in ondergrondse structuren.
Dr. Hossam El-Masri, American University in Cairo. Verdwenen januari 2015, Saqqara, Egypte. Onderzoek naar de akoestische eigenschappen van de Serapeum.
Dr. James Whitfield, University of Oxford. Verdwenen november 2019, Avebury, Verenigd Koninkrijk. Vergelijkende studie van megalithische monumenten en geluidsresonantie.
Zeven onderzoekers. Zes landen. Meer dan twintig jaar.
"Allemaal verdwenen," zei Maarten zacht.
"Verdwenen," bevestigde Bakker. "Niet vermoord. Niet ontvoerd — althans niet op een manier die we kunnen bewijzen. Geen geweld. Geen losgeldeis. Geen lichamen. Ze zijn gewoon... weg." Ze wees naar de map. "Ik volg dit dossier al sinds 2003, toen iemand bij Interpol het verband legde tussen Van Dijk en Moreau. Twee verdwenen academici, allebei verbonden aan oude Griekse sites. Toeval, misschien. Maar toen verdween Ferrini. En Papadopoulos. En het patroon werd steeds moeilijker te negeren."
"Waarom is dit geen groot onderzoek?"
Bakker lachte. Het was geen vrolijke lach. "Omdat niemand zich druk maakt om verdwenen academici, professor Vos. Geen bloed, geen camera's, geen publiek. Een onderzoeker die verdwijnt bij een opgraving in Turkije? Die is vast doorgereisd. Die heeft een burn-out. Die is een nieuw leven begonnen in een ashram in India. De autoriteiten ter plaatse doen een maand onderzoek, vinden niets, en sluiten het dossier. En ik heb niet genoeg om het open te breken."
Ze ging weer zitten. "Tot nu, misschien."
"Wat bedoelt u?"
"U geeft me iets wat ik niet had. Een verband. Ik wist dat ze allemaal academici waren. Ik wist dat ze allemaal verdwenen bij archeologische sites. Maar ik wist niet dat ze allemaal hetzelfde bestudeerden." Ze tikte met haar vinger op zijn notitieboek. "Ruimtelijke anomalieën. Akoestische afwijkingen. Plekken waar de fysica niet doet wat ze hoort te doen. Dat is nieuw. Dat verandert het beeld."
Maarten bladerde door de dossiers. Bij elk tabblad dezelfde structuur: een academisch profiel, een onderzoeksbeschrijving, een politierapport, correspondentie met de universiteit. En bij elk tabblad hetzelfde patroon in de nasleep.
"Het onderzoeksmateriaal," zei hij langzaam. "Het is telkens verdwenen."
"Geconfisqueerd," corrigeerde Bakker. "Dat is het interessante. Niet gestolen. Niet vernietigd — voor zover we weten. Geconfisqueerd. Via de juiste kanalen. Universiteiten die onderzoeksdata opeisen op grond van intellectueel eigendom. Overheden die materiaal in beslag nemen wegens vermeende schending van opgravingsvergunningen. Instanties die archieven verzegelen om redenen van nationale veiligheid." Ze telde mee op haar vingers. "Zeven keer dezelfde procedure. Zeven verschillende landen, zeven verschillende bureaucratieën, maar het resultaat is identiek. Binnen weken na de verdwijning is al het onderzoeksmateriaal weg. Netjes. Legaal. Onbetwistbaar."
"Iemand met institutionele toegang."
"Iemand met meerdere institutionele toegangen. Of een netwerk dat zich uitstrekt over universiteiten, overheidsinstellingen en culturele erfgoedorganisaties in minstens zes Europese en Noord-Afrikaanse landen." Bakker pakte haar lege mok op, keek erin alsof ze hoopte dat er door een wonder koffie in was verschenen, en zette hem weer neer. "Dat is niet iets wat één persoon doet. Dat is een organisatie. Met middelen. Met invloed. Met geduld."
"De Hermes-groep dacht dat het een soort beschermingsnetwerk was," zei Maarten. "Mensen die deze zones al kenden en wilden verhinderen dat anderen ze ontdekten."
"Dat is één hypothese. En niet de slechtste." Bakker stond op. "Ik heb koffie nodig voor de rest van dit gesprek. Er is een café om de hoek dat niet verschrikkelijk is. Loopt u mee?"
Het café om de hoek was inderdaad niet verschrikkelijk, maar het was ook niet goed. Het heette De Passage en had de inrichting van een wachtkamer: tl-verlichting, formica tafels, stoelen die aan de vloer waren geschroefd. De koffie was sterk en smaakte naar het apparaat waar hij uit kwam. De regen striemde tegen het raam alsof hij een persoonlijke grief had tegen de stad.
Bakker bestelde twee koffie zonder te vragen wat Maarten wilde en ging zitten bij het raam. Ze had de map meegenomen, verpakt in een plastic tas die ze uit een bureaulade had gehaald met de vanzelfsprekendheid van iemand die vaker dossiers meenam naar cafés dan gezond was.
"Er is nog iets," zei ze toen de koffie kwam. "Iets wat niet in mijn rapporten staat, omdat ik niet wist wat ik ermee moest."
Ze opende de map bij drie van de tabbladen. Ferrini. El-Masri. Whitfield.
"In drie van de zeven gevallen lieten de onderzoekers persoonlijke bezittingen achter op de locatie. Ferrini had een dagboek bij zich. El-Masri een reeks brieven aan zijn vrouw, nooit verstuurd. Whitfield een dictafoon met opnames." Ze schoof kopieën naar hem toe. "De lokale politie heeft deze spullen veiliggesteld voordat de institutionele confiscatie begon. In alle drie de gevallen heb ik kopieën weten te bemachtigen via connecties. Informeel. Buiten het dossier."
Maarten pakte de kopie van Ferrini's dagboek op. Het was in het Italiaans, maar hij las het voldoende om de essentie te begrijpen. De laatste drie pagina's beschreven Ferrini's ontdekking van een ruimte onder de tempel van Hera in Paestum — een ruimte die niet op de plattegronden stond, die niet in de archeologische literatuur voorkwam, die volgens alle bekende gegevens niet behoorde te bestaan.
De toon van de aantekeningen veranderde op de voorlaatste pagina. De wetenschappelijke distantie maakte plaats voor iets anders. Verwondering. Eerbied bijna.
De akoestiek hier is onmogelijk. De ruimte is klein — drie bij drie meter, misschien — maar het geluid gedraagt zich alsof ik in een ruimte sta die honderd keer zo groot is. Mijn stem klinkt niet alsof hij echoot. Hij klinkt alsof hij beantwoord wordt.
En de laatste regel: Morgen ga ik terug. Ik denk dat ik begrijp wat de drempel is.
Maarten legde het papier neer. Zijn handen trilden licht.
"El-Masri's brieven zijn vergelijkbaar," zei Bakker. "Minder poëtisch, meer technisch, maar dezelfde strekking. Hij beschrijft een kamer in de Serapeum die niet op de kaarten staat. Akoestische eigenschappen die zijn meetapparatuur niet kan verklaren. En in zijn laatste brief —" ze wees naar de betreffende passage — "schrijft hij dat hij uitgenodigd wordt."
"Uitgenodigd? Door wie?"
"Door niemand. Door de ruimte zelf. Dat zijn zijn woorden, niet de mijne." Bakker nam een slok koffie en vertrok geen spier, wat Maarten beschouwde als bewijs van jarenlange training. "Whitfields dictafoonopnames zijn het meest verontrustend. Ik heb de transcripties. De laatste opname is van de avond voor zijn verdwijning. Hij beschrijft een kamer onder de steencirkel van Avebury. En hij zegt — ik citeer: Dit is geen ontdekking. Dit is een terugkeer. Ik word verwacht."
De regen trok aan. Water stroomde langs het raam in grillige banen die Maarten deden denken aan de lijnen in zijn notitieboek — willekeurig op het eerste gezicht, maar met een onderliggend patroon als je lang genoeg keek.
"Ze zijn niet ontvoerd," zei hij.
"Nee."
"Ze zijn gegaan. Vrijwillig. Ze hebben ervoor gekozen."
"Dat is wat de aanwijzingen suggereren. Ja." Bakker vouwde haar handen om haar mok. "En dat maakt mijn dossier heel ingewikkeld, professor. Want verdwijningen zonder bewijs van misdrijf zijn geen misdrijf. Volwassen mensen mogen verdwijnen als ze dat willen. Ik kan een internationaal onderzoek naar ontvoering niet rechtvaardigen als de slachtoffers mogelijk geen slachtoffers zijn."
"Maar het onderzoeksmateriaal. De systematische confiscatie —"
"Dat is een ander verhaal." Voor het eerst zag Maarten iets wat op enthousiasme leek in Bakkers ogen. Het was het enthousiasme van een jachthond die een geur oppikt. "De confiscaties zijn aantoonbaar gecoördineerd. Dezelfde juridische constructies, dezelfde timing, dezelfde patronen. Iemand heeft een systeem opgezet om onderzoek te laten verdwijnen, en dat systeem opereert over landsgrenzen heen. Dat is iets waar ik mee kan werken. Dat valt onder mijn mandaat."
Ze haalde een notitieboekje tevoorschijn — een klein, zwart ding met een elastiek eromheen — en begon te schrijven. "Ik ga de institutionele verbanden in kaart brengen. Welke universiteiten, welke overheidsinstellingen, welke erfgoedorganisaties betrokken waren bij de confiscaties. Als er een netwerk is, laat het sporen na. Geldstromen. Communicatie. Personeelsoverlap. Dat soort dingen vind ik." Ze keek op. "En u?"
"Ik ga door met het archeologische spoor," zei Maarten. "De anomalieën. De locaties. Als ik kan bewijzen dat er een reëel fysiek fenomeen is dat systematisch uit de data wordt gewist, dan —"
"Dan heeft u iets concreets. Ja." Bakker knikte. "Maar ik wil dat u iets begrijpt, professor Vos."
Ze leunde naar voren. De zakelijke afstandelijkheid was even weg. Wat ervoor in de plaats kwam was niet warmte — Bakker leek niet het type voor warmte — maar een soort dringende oprechtheid.
"Zeven mensen zijn verdwenen. In twintig jaar. Ze bestudeerden allemaal wat u nu bestudeert. En iemand — een organisatie met aanzienlijke middelen en invloed — heeft er systematisch voor gezorgd dat hun werk onvindbaar werd." Ze liet de woorden hangen. "Ik zeg niet dat u in gevaar bent. Ik zeg dat de mensen die voor u kwamen in gevaar waren, of dat nu van buitenaf kwam of van binnenuit. Of ze nu ontvoerd zijn of vrijwillig zijn gegaan — het resultaat is hetzelfde. Ze zijn weg. Hun werk is weg. En wie het ook is die dit orkestreert, die wil niet dat iemand vindt wat zij gevonden hebben."
Maarten knikte langzaam. Hij dacht aan Ferrini's dagboek. Ik denk dat ik begrijp wat de drempel is. Hij dacht aan Whitfield. Dit is geen ontdekking. Dit is een terugkeer.
Wat hadden ze gevonden? En waar waren ze nu?
"Ik zal voorzichtig zijn," zei hij, en hoorde zelf hoe hol het klonk.
"Dat zeggen ze allemaal." Bakker leunde achterover en het professionele masker gleed weer op zijn plaats. Ze haalde een visitekaartje uit haar binnenzak en schoof het over de tafel. Wit karton, Europol-logo, haar naam en twee telefoonnummers — een kantoor, een mobiel. Op de achterkant had ze met pen een derde nummer geschreven.
"Het nummer op de achterkant is mijn privételefoon. Die staat altijd aan." Ze keek hem recht aan. "Bel me als iemand u bedreigt. Bel me als iemand uw onderzoek opeist. Bel me als u het gevoel heeft dat u gevolgd wordt."
Ze pauzeerde.
"En bel me — absoluut — voordat u een ondergrondse ruimte betreedt."
Maarten stopte het kaartje in zijn borstzak. Het voelde zwaarder dan karton zou moeten voelen.
"Denkt u dat ze nog leven?" vroeg hij. "De zeven?"
Bakker stond op en pakte de plastic tas met het dossier. Ze keek door het raam naar de regen die Den Haag in een wazig grijs schilderij veranderde. Ambtenaren haastten zich over de stoep met hun paraplu's als schilden tegen een vijand die ze konden zien.
"Ik denk," zei ze langzaam, "dat die vraag een antwoord heeft dat ik niet leuk ga vinden. Welk antwoord het ook is."
Ze liepen samen terug naar het Europol-gebouw. Bij de ingang schudden ze handen. Bakkers greep was dezelfde als aan het begin — stevig, zakelijk, geen omhaal.
"Ik neem contact op zodra ik iets heb over de institutionele verbanden," zei ze. "Geef me twee weken. Misschien drie."
"En als ik eerder iets vind?"
"Dan belt u mij. Niet uw universiteit. Niet de politie. Mij." Ze draaide zich om naar de draaideur, maar hield halt. Over haar schouder: "En professor?"
"Ja?"
"Die onderzoekers die vrijwillig zijn gegaan — die een keuze hebben gemaakt? Misschien hadden ze gelijk. Misschien is wat ze vonden het waard om voor te verdwijnen." Een schim van iets — geen glimlach, maar de suggestie ervan. "Maar ik heb liever dat u terugkomt om me erover te vertellen dan dat ik weer een tabblad aan mijn dossier moet toevoegen."
Ze verdween door de draaideur. Maarten bleef staan in de regen, het visitekaartje een rechthoek van gewicht tegen zijn borst.
Hij dacht aan de kaart in zijn notitieboek. De locaties die hij had gemarkeerd. De plekken waar de metingen niet klopten, waar de ruimte zich anders gedroeg, waar iets onder de oppervlakte wachtte dat al millennia geduld had.
Zeven onderzoekers waren naar die plekken gegaan en niet teruggekomen. Drie van hen hadden in hun laatste woorden geschreven dat ze begrepen wat ze hadden gevonden. Dat ze verwacht werden. Dat het geen ontdekking was, maar een terugkeer.
Naar wat?
Hij draaide zich om en liep naar het station. De regen was koud en onpersoonlijk, het soort regen dat niet ophield maar ook niet erger werd, dat gewoon was, als een bureaucratisch besluit dat niemand had genomen maar dat desondanks van kracht was. Achter hem glansde het Europol-gebouw in het grijs als een monument voor de ordelijke afhandeling van menselijke duisternis.
In de trein terug naar Leiden haalde hij zijn notitieboek tevoorschijn. Naast de locaties die hij al had gemarkeerd — Phaistos, Delphi, Epidaurus — voegde hij de nieuwe toe. Paestum. Göbekli Tepe. Saqqara. Avebury. Zeven punten op de kaart. Zeven verdwijningen.
Hij legde er het patroon van Weizenbaums gecorrigeerde anomalieën naast. De overeenkomst was bijna volmaakt. Elke verdwijning had plaatsgevonden op of nabij een locatie waar de geofysische data waren aangepast. Elke onderzoeker had gestudeerd op precies het fenomeen dat iemand uit de meetresultaten probeerde te wissen.
Ze vonden het. En toen vond het hen.
De trein zoefde door het Hollandse landschap — vlak, groen, oneindig horizontaal, het tegenovergestelde van de ondergrondse kamers en verborgen drempels die zijn gedachten bevolkten. Hij keek naar zijn telefoon. Geen gemiste oproepen. Geen verdachte e-mails. Nog niet.
Hij pakte Bakkers visitekaartje uit zijn borstzak en draaide het om in zijn vingers. Het derde nummer, met pen geschreven. Een privélijn. Een levenslijn, misschien.
Bel me voordat u een ondergrondse ruimte betreedt.
Hij borg het kaartje op en sloot zijn ogen. Achter zijn oogleden zag hij het mozaïek uit de proloog van een verhaal dat hij nog niet kende — symbolen die bewogen in zijn perifere zicht, een gloed die geen natuurlijke verklaring had, een stilte die luisterde.
En ergens, ver weg en tegelijkertijd heel dichtbij, antwoordde iets.