De Drempel van Hermes

Hoofdstuk 9 – De Eerste Drempel

De weg naar het klooster bestond niet op Google Maps.

Ze hadden de huurauto in een gehucht achtergelaten dat niet meer was dan drie huizen, een waterput en een hond die niet de moeite nam om op te kijken. Daarna liepen ze. Een pad van aangestampte aarde tussen olijfbomen die zo oud waren dat hun stammen eruitzagen als versteende spieren, als lichamen die halverwege een transformatie waren bevroren. De hitte hing zwaar tussen de bergen, droog en stil, en rook naar rozemarijn en verweerde steen.

Yara liep voor hem uit. Ze droeg een linnen blouse die al donker was van het zweet tussen haar schouderbladen, een canvas tas over haar schouder, wandelschoenen die eruitzagen alsof ze vaker in de woestijn waren geweest dan op Engelse wandelpaden. Ze had de hele ochtend weinig gezegd. Dat was ongebruikelijk. Normaal vulde ze stiltes met observaties, verbanden, halve theorieën die ze hardop testte. Vandaag niet.

Ze voelt het ook, dacht Maarten. De zwaarte van wat we gaan doen.

Het klooster verscheen niet geleidelijk in het landschap. Het was er plotseling — een massa van okergele steen tegen de bergwand, half overwoekerd, half ingestort, alsof de berg het langzaam terug probeerde te nemen. Een klokkentoren zonder klok. Een binnenplaats waar het onkruid tussen de tegels door groeide met de onverstoorbare geduld van iets dat weet dat het uiteindelijk wint. Een rij boogvensters waarvan er drie nog glas hadden.

Maar het was niet verlaten. Er hing wasgoed aan een lijn. Er stond een plastic tuinstoel in de schaduw van een cipres. Er was leven hier, al was het minimaal.

De monnik die hen opwachtte heette Padre Esteban. Hij was klein, gebruind, met handen die eruitzagen alsof ze meer met steen hadden gewerkt dan met gebedskralen. Zijn ogen waren helder en onrustig. Hij sprak Spaans met een Andalusisch accent dat de medeklinkers opslokte, en Maarten moest zich concentreren om hem te volgen.

"U bent de wetenschappers," zei hij. Geen vraag.

"Archeologen," zei Maarten. "We zijn geïnteresseerd in de Romeinse fundamenten onder de kapel. Professor Herrera van de universiteit van Sevilla heeft—"

"Ik weet waarom u hier bent." Padre Esteban keek hen aan met een blik die Maarten niet kon plaatsen. Niet vijandig. Niet gastvrij. Behoedzaam. "Kom. Ik geef u water en dan praten we."

Ze zaten in een refter die ooit plaats had geboden aan veertig monniken. Nu waren er drie. Padre Esteban, een oude man die ze niet te zien kregen, en een jongere broeder die in de moestuin werkte en niet opkeek toen ze passeerden. Het water was koel en smaakte naar kalk.

"Het klooster is gesticht in 1247," zei Padre Esteban. "Op de resten van een Romeinse villa. Maar de Romeinen bouwden op iets dat er al was. Fenicisch, misschien ouder. Dat wisten wij altijd al. De broeders hebben het altijd geweten."

"Wat wisten ze precies?" vroeg Yara.

De monnik draaide zijn glas water rond op tafel. "Dat er iets onder de kapel is dat niet past bij wat wij begrijpen van de wereld."

Maarten en Yara wisselden een blik. Padre Esteban zag het en glimlachte, maar het was geen vrolijke glimlach. "U denkt dat ik bijgelovig ben. Een oude monnik in een vervallen klooster, vol verhalen over spoken en wonderen. Maar ik ben ingenieur geweest. Twintig jaar bij Sacyr, voor ik mijn roeping volgde. Ik weet het verschil tussen een oud gebouw en iets wat niet klopt."

"Wanneer is de ruimte onder de kapel heropend?" vroeg Maarten.

"Drie jaar geleden. Het bisdom stuurde een ingenieur voor een structurele beoordeling. De vloer van de kapel vertoonde scheuren. Ze moesten de kelder openen die in 1783 was verzegeld." Hij pauzeerde. "De ingenieur is een halfuur beneden geweest. Toen hij terugkwam was hij bleek en wilde hij niet praten. Zijn rapport vermeldde alleen structurele gegevens. Niets over wat hij daar beneden had gevoeld."

"Wat voelde hij?" vroeg Yara.

"Dat weet ik niet. Hij heeft het me niet verteld. Maar hij is nooit teruggekomen om het vervolgonderzoek af te ronden." Padre Esteban stond op. "Ik waarschuw u alvast. De ruimte is — oncomfortabel. Bezoekers worden misselijk. Gedesoriënteerd. Eén broeder is flauwgevallen. Ik schrijf het toe aan de akoestiek, de luchtdruk, misschien een gaslek dat we niet kunnen meten. Maar u moet het weten."

Maarten knikte. Zijn mond was droog ondanks het water.

De ingang bevond zich achter het altaar van de kapel, onder een luik van zware eiken planken die vaalgrijs waren van ouderdom. Padre Esteban trok het luik open met een ijzeren ring. Eronder lag een stenen trap die steil naar beneden leidde, de duisternis in. De treden waren uitgelopen door eeuwen van voetstappen, glad en onregelmatig.

"Er is elektriciteit beneden," zei de monnik. "Een bouwlamp. De schakelaar zit rechts onderaan de trap." Hij maakte geen aanstalten om mee te gaan. "Ik wacht hier."

Maarten ging voorop. De trap was smal. Zijn schouders raakten bijna de muren aan weerszijden. De lucht werd koeler bij elke trede, maar niet vochtig — droog, mineraal, met een ondertoon die hij niet kon thuisbrengen. Niet onaangenaam, dacht hij. Maar vreemd. Alsof de lucht hier een andere samenstelling heeft.

Yara's voetstappen achter hem waren licht, regelmatig. Haar ademhaling beheerst. Ze zei niets.

Onderaan de trap vond hij de schakelaar. De bouwlamp sprong aan met een droge klik — een enkel peertje aan een provisorisch snoer dat langs de muur liep. Het licht was geel en scherp en deed precies wat licht hoorde te doen. Het verlichtte een ruimte.

Een gewone ruimte.

De kamer was rechthoekig, misschien vijf bij zeven meter. De muren waren van ruwe steen, deels Romeins metselwerk, deels oudere blokken van een ander gesteente — donkerder, grovere korrel. De vloer was gestampte aarde met hier en daar een tegel die los lag. In de hoeken lagen brokstukken. Puin van eeuwen. Er was niets bijzonders te zien.

"Dit is het?" Yara keek om zich heen met de professionele blik die hij inmiddels kende. Registrerend. Catalogiserend.

"Dit is het." Maarten zette zijn tas neer. Wat had je verwacht? Gloeiende symbolen? Een mystiek portaal?

Hij voelde een korte steek van teleurstelling. De kamer was een kamer. Steen was steen. De stilte was de stilte van een kelder. Niets meer.

"Laten we de muren documenteren," zei hij. "De overgang tussen Romeins en pre-Romeins metselwerk, de—"

"Wacht." Yara hief haar hand. "Wacht even."

Ze stond stil. Haar hoofd was licht schuin, alsof ze luisterde naar iets wat net buiten het bereik van het hoorbare lag. Maarten wilde vragen wat er was, maar iets in haar houding weerhield hem. Hij zweeg.

De stilte werd dichter.

Dat was het eerste wat hij opmerkte. Niet dat het geluid verdween — er was al geen geluid geweest — maar dat de kwaliteit van de stilte veranderde. Alsof iemand het volume van de afwezigheid had opgedraaid. De stilte werd iets actiefs. Iets met gewicht.

Yara ging zitten, met haar rug tegen de muur. Ze sloot haar ogen. Maarten keek naar haar en voelde een impuls om hetzelfde te doen, even irrationeel als onweerstaanbaar. Hij liet zich zakken op de koude grond. Leunde tegen de steen. Sloot zijn ogen.

Adem, dacht hij. Gewoon ademen.

De eerste minuut gebeurde er niets. Zijn gedachten deden wat gedachten doen in stilte: ze vulden de leegte op. Hij dacht aan de vlucht, aan het hotel, aan een e-mail die hij vergeten was te beantwoorden. Aan het collegerooster van volgende week. Aan het druppende kraantje in zijn badkamer in Leiden dat hij al maanden wilde laten maken.

Toen, ergens in de tweede minuut, begonnen de gedachten te vertragen.

Niet door inspanning. Niet door meditatie of concentratie. Ze vertraagden omdat er iets anders was dat zijn aandacht vroeg. Iets wat er daarvóór niet was geweest, of wat hij daarvóór niet had opgemerkt.

De ruimte.

De ruimte verandert.

Het was niet zichtbaar. Zijn ogen waren dicht. Het was niet hoorbaar. Er was geen geluid. Maar hij voelde het — ergens in het deel van zijn bewustzijn dat afstanden registreerde, dat zonder te kijken wist hoe ver de muren waren, hoe hoog het plafond, hoe groot de ruimte om hem heen. Dat deel van hem zei nu dat de muren verder weg waren dan daarnet. Niet veel. Een meter misschien. Maar onmiskenbaar.

Hij opende zijn ogen. De muren stonden waar ze stonden. Vijf bij zeven meter. Steen. Puin in de hoeken. Niets was veranderd.

Hij sloot zijn ogen opnieuw. De muren weken terug.

Het zit niet in de ruimte. Het zit in de waarneming.

Zijn ademhaling. Die was veranderd zonder dat hij het had gemerkt. Langzamer. Dieper. En het geluid ervan — de zachte ruis van lucht door zijn neus, het kloppen van zijn hart — het klonk anders. Alsof het van verder weg kwam. Alsof de bron van het geluid en de plek waar hij het hoorde niet meer op dezelfde locatie waren.

Hij slikte. Het geluid echoode. Niet zoals in een kelder, maar zoals in een ruimte die veel groter was dan wat de muren suggereerden. Een echo die niet klopte, die niet paste bij de geometrie van steen om hem heen.

Er ging een rilling door hem heen die niets met koude te maken had.

Naast hem hoorde hij Yara ademen. Ook langzaam. Ook diep. Ze was er nog. De wereld was er nog. Maar de wereld had een laag extra gekregen.

Want dat was wat het was. Geen hallucinatie. Geen illusie. Een laag. Alsof iemand een transparant vel over de werkelijkheid had gelegd en hij plotseling beide kon zien — het vel en wat eronder lag. De kamer was er nog. De steen, het peertje, de gestampte aarde. Maar daaroverheen, of daaronderdoor, was iets anders. Iets wat geen naam had omdat het nooit benoemd had hoeven worden.

Ruimte die niet fysiek is.

De gedachte kwam niet van hem. Of misschien wel, maar vanuit een deel van hem dat normaal zweeg. Ze verscheen volledig gevormd, als een zin die iemand anders had geformuleerd en in zijn hoofd had gelegd.

De stilte verdichtte zich opnieuw. Het was geen druk. Het was geen angst. Het was — aandacht. De ruimte was aandachtig. Zoals een bos aandachtig kan zijn als je er stil genoeg in staat. Geen bewustzijn in de menselijke zin. Maar een gerichtheid. Een registratie.

Alsof de ruimte weet dat wij er zijn.

Maartens handen lagen op zijn knieën. Hij voelde de stof van zijn broek. Hij voelde de koele grond onder zich. Hij voelde het gewicht van zijn eigen lichaam, de zwaartekracht die hem naar beneden trok. Alles was reëel. Alles was fysiek. En tegelijkertijd was er iets wat niet fysiek was, wat geen massa had en geen locatie, maar dat er desondanks was — even onmiskenbaar als de steen tegen zijn rug.

De tijd vertraagde. Of zijn beleving van tijd vertraagde. De seconden werden langer, niet op een onplezierige manier maar op de manier waarop seconden langer worden als je heel erg aandachtig bent. Als je zo gefocust bent op het nu dat het nu uitzet.

Hij voelde Yara naast zich. Niet haar lichaam — ze raakten elkaar niet aan. Maar haar aanwezigheid. Die was er, als warmte naast een vuur. En hij besefte dat hij zichzelf ook op die manier voelde. Niet zijn lichaam, maar zijn aanwezigheid. Het deel van hem dat er was los van vlees en botten. Los van de ruimte die hij innam.

Toen kwam het.

Niet als een visioen. Niet als een stem. Niet als een beeld. Het kwam als een verschuiving — subtiel, fundamenteel, als het moment waarop je een stereogram begrijpt en de platte afbeelding plotseling diepte krijgt. Zijn waarneming kantelde. Een fractie van een graad. Minder dan dat. Maar genoeg.

Hij zag de kamer. En hij zag wat de kamer ook was.

Niet een andere plek. Niet een andere dimensie. Niet iets uit een sciencefictionfilm. Het was dezelfde plek, maar dan — breder. Dieper. Alsof de werkelijkheid normaal gezien door een spleet werd bekeken en die spleet nu een fractie verder open stond. Er was meer. Er was altijd meer geweest. De muren waren muren, maar ze waren ook iets anders. De lucht was lucht, maar ze was ook iets anders. Alles was zichzelf en tegelijkertijd meer dan zichzelf, en het verschil was niet zichtbaar maar voelbaar, met een zintuig dat geen naam had.

Het is geen deur.

De woorden vormden zich met een helderheid die hem de adem benam.

Het is een drempel.

Geen doorgang naar ergens anders. Geen portaal. Geen tunnel. Een toestand. Een manier van hier zijn die anders was dan de normale manier van hier zijn. De drempel lag niet in de ruimte. De drempel lag in de waarneming. En hij stond erop. Nu. Hier. Met zijn ogen dicht in een kelder onder een vervallen klooster in Andalusië, met het zweet in zijn handen en zijn hart dat langzaam en zwaar klopte.

Hij stond op de drempel en de drempel was geen plek maar een staat.

Hoe lang het duurde wist hij niet. Seconden. Minuten. De tijd had zijn betekenis verloren als maateenheid. Er was alleen het nu, uitgerekt en verdicht tegelijk, en in dat nu was de werkelijkheid groter dan hij ooit had vermoed.

Toen trok het weg.

Langzaam. Zonder schok. Als een getij dat zich terugtrekt. De extra laag vervaagde. De muren werden weer alleen maar muren. De lucht werd weer alleen maar lucht. Zijn ademhaling werd sneller, oppervlakkiger. Het gele licht van het peertje werd weer dominant, gewoon, alledaags.

Hij opende zijn ogen.

De kamer was een kamer. Vijf bij zeven meter. Steen en puin. Een bouwlamp aan een snoer. Niets was veranderd.

Alles was veranderd.

Naast hem opende Yara haar ogen. Ze was bleek. Haar handen, die gevouwen in haar schoot hadden gelegen, trilden licht. Ze keek hem aan en in haar ogen zag hij precies wat hij voelde — de onmogelijke combinatie van ontzetting en herkenning. Van angst en thuiskomst.

Ze zeiden een hele tijd niets.

Maarten was degene die als eerste bewoog. Hij drukte zijn handpalmen tegen de grond. Voelde de aarde. Koel. Korrelig. Reëel. Hij keek naar zijn handen alsof hij ze voor het eerst zag. Ze waren dezelfde handen als een uur geleden, een dag geleden, een leven geleden. Maar de man aan wie ze vastzaten was niet dezelfde.

"Yara."

"Ja."

"Heb jij—"

"Ja."

Stilte. De gewone soort nu. Kelderachtig. Benauwd. Normaal.

"Dit is het," zei Yara. Haar stem was schor. Ze schraapte haar keel. "Dit is waar ze de tempels voor bouwden." Ze keek om zich heen, naar de ruwe stenen muren, het puin, de provisorische bedrading. "Niet voor aanbidding. Niet voor goden. Dit."

Maarten knikte. Zijn keel was te dik om te spreken.

"De oriëntatie," ging Yara verder, en hij hoorde hoe ze teruggreep op taal, op analyse, op het vertrouwde houvast van het intellect. "De positie ten opzichte van de breuklijn. De gesteentelaag. De akoestische eigenschappen. Ze wisten hoe ze de omstandigheden moesten creëren. Ze bouwden de ruimte zo dat de — de verschuiving — gefaciliteerd werd."

"Geen magie," zei Maarten. Het was het eerste woord dat hij kon vormen.

"Nee. Geen magie. Architectuur. Geologie. Kennis die wij niet meer hebben." Ze zweeg even. "Of die wij nooit serieus hebben genomen."

Ze stonden op. Maartens benen waren stijf en zijn knieën kraakten. De wereld was vast en concreet en precies zoals hij hoorde te zijn. De muren stonden op hun plek. Het peertje brandde geel. De trap leidde naar boven, naar de kapel, naar het daglicht.

Maar ergens in zijn achterhoofd — nee, niet zijn achterhoofd, eerder in een ruimte die hij tot vandaag niet had gekend — bleef de echo van wat hij had gevoeld. Niet als herinnering. Als weten.

Padre Esteban zat in het koor van de kapel toen ze naar boven kwamen. Hij keek op. Zijn ogen gleden van Maarten naar Yara en weer terug.

"Hoe lang waren we beneden?" vroeg Maarten.

"Een uur en twintig minuten."

Maarten keek naar Yara. Ze keek terug. Het had niet langer dan tien minuten geleken.

"U begrijpt nu waarom het in 1783 is verzegeld," zei de monnik zacht. "Broeder Agustín ging naar beneden en kwam pas na twee dagen terug. Hij kon niet verklaren waar de tijd was gebleven. Daarna heeft abt De Molina de ruimte laten dichtmetselen."

"Twee dagen," herhaalde Yara.

"Twee dagen." Padre Esteban vouwde zijn handen. "En Broeder Tomás, een jaar eerder, ging naar beneden en kwam helemaal niet terug."

De stilte in de kapel was van een heel ander soort dan de stilte beneden. Dit was de stilte van een oude man die iets vertelde wat hij lang voor zich had gehouden.

"Zijn lichaam is nooit gevonden?"

"Er was niets om te vinden. De kamer was leeg. De deur was niet geopend. Er was geen andere uitgang." De monnik keek naar het altaar. "Het verslag van abt De Molina staat in het kloosterarchief. Hij schreef dat Broeder Tomás 'door God was opgenomen'. Maar ik denk niet dat het God was."

Maarten dacht aan de lijst. De namen die hij en Yara hadden verzameld. De mensen die in de buurt van deze plekken waren verdwenen. Niet alleen monniken. Herders. Reizigers. Wetenschappers.

Mensen die op de drempel stonden en doorliepen.

"Kunt u ons toegang geven tot dat archief?" vroeg Yara.

Padre Esteban knikte langzaam. "Dat is waarom ik u heb binnengelaten. De kerk wil er niet naar kijken. De universiteit stuurt niemand meer. Maar iemand moet begrijpen wat daar beneden is. Voor het opnieuw verzegeld wordt. Of erger."

Ze brachten de rest van de middag door in een kleine kamer die ooit de bibliotheek was geweest. Padre Esteban bracht hen brood, olijven, water. De documenten die hij tevoorschijn haalde waren fragiel — perkament en oud papier, in een handschrift dat Maarten met moeite kon ontcijferen. Maar het was genoeg. Meer dan genoeg.

Abt De Molina had geweten wat hij had. Hij had het niet begrepen, maar hij had het gedocumenteerd met de nauwgezetheid van een man die wist dat hij iets belangrijks vastlegde. De beschrijvingen kwamen overeen. De ruimtelijke verschuiving. De verandering in tijdsbeleving. De aandacht van de stilte.

En de verdwijningen. Drie in totaal, over een periode van tweehonderd jaar. Drie mensen die naar beneden waren gegaan en niet waren teruggekeerd. Geen lichamen. Geen sporen. Alsof ze in de lucht waren opgelost.

Of alsof ze ergens zijn waar wij niet kunnen kijken.

Ze vertrokken bij zonsondergang. De bergen kleurden oranje en paars, de olijfbomen wierpen lange schaduwen over het pad. Maarten liep achter Yara aan en dacht aan niets en aan alles. Zijn lichaam bewoog, zijn voeten vonden het pad, maar zijn geest was nog deels beneden, in de kamer, op de drempel.

Yara draaide zich om bij de auto. "We moeten hier terugkomen. Met apparatuur. Magnetometers, infrasoondetectoren, temperatuursensoren. We moeten meten wat daar beneden gebeurt."

"Ja," zei Maarten.

"En we moeten de andere locaties testen. Kijken of het overal hetzelfde is. Of de intensiteit varieert. Of er een patroon is."

"Ja."

Ze keek hem aan. "Je bent er stil van."

"Ik probeer te begrijpen wat er is gebeurd."

"Dat weet je al. Dat wisten we al voor we hierheen kwamen. De theorie klopte."

"De theorie weten en het voelen zijn twee verschillende dingen."

Yara zweeg even. Toen knikte ze. "Ja," zei ze zacht. "Dat zijn ze."

De vlucht terug ging via Málaga. De luchthaven was een schok van licht en geluid en mensenmassa's na de stilte van het klooster. Maarten kocht koffie die hij niet opdronk. Hij zat bij de gate en keek naar de mensen om hem heen — zakenreizigers, vakantiegangers, een gezin met twee kleine kinderen die tussen de stoelen door renden — en hij voelde een afstand die er gisteren niet was geweest.

Jullie weten het niet, dacht hij. Jullie lopen over de wereld alsof dit alles is wat er is. Alsof de werkelijkheid ophoudt bij wat je kunt zien en meten en aanraken. En gisteren dacht ik dat ook.

In het vliegtuig zat Yara naast het raampje. Ze had haar laptop open maar typte niet. Ze staarde naar het scherm alsof ze dwars erdoorheen keek.

Maarten dacht aan Lotte.

Zijn dochter. Vijftien. Te slim voor haar eigen bestwil, met het sarcasme van haar moeder en zijn eigen koppigheid. Ze woonde bij Anneke in Amsterdam en hij zag haar om het weekend. Ze waren aan het bouwen aan iets — een nieuwe versie van hun relatie, nu ze geen kind meer was maar nog niet volwassen. Het was fragiel en het was kostbaar en het was het belangrijkste wat hij had.

Wat doe ik hier?

De vraag was helder en scherp als glas.

Ik heb een comfortabel leven. Een aanstelling. Een dochter. Een appartement met een druppend kraantje dat ik moet laten maken. Ik heb colleges om te geven en artikelen om te schrijven en een leven dat begrijpelijk is, dat past binnen de kaders van wat normaal is. En ik heb zojuist iets ervaren dat al die kaders breekt. Dat alles breekt wat ik dacht te weten over hoe de werkelijkheid in elkaar zit.

Het vliegtuig steeg op. De grond viel weg. De Middellandse Zee lag als een plaat gehamerd tin onder hen, zilver en blauw in het late licht.

Broeder Tomás ging naar beneden en kwam niet terug.

Die gedachte liet hem niet los. Niet als angst — als vraag. Want wat hij had gevoeld in die kamer, die korte verschuiving, die fractie van een seconde waarin de werkelijkheid breder was dan normaal — het was niet angstaanjagend geweest. Het was niet dreigend geweest. Het was, als hij eerlijk was, het meest werkelijke wat hij ooit had gevoeld. Werkelijker dan werkelijk. Alsof alles daarvóór en daarna een lichtere versie was van bestaan.

Ging Broeder Tomás uit angst? Of uit verlangen?

Koos hij ervoor om te blijven?

Het idee was duizelingwekkend. Dat je op een drempel kon staan en kon besluiten om niet terug te stappen. Dat er een staat van zijn was die zo — hij had er geen woord voor — zo compleet was dat terugkeren naar de gewone werkelijkheid voelde als vrijwillig blindheid kiezen.

Naast hem bewoog Yara. Ze sloot haar laptop. Ze keek hem aan.

"Je denkt aan de verdwijningen," zei ze.

Hij knikte.

"Ik ook." Ze beet op haar onderlip. "We moeten voorzichtig zijn, Maarten. Dit is niet meer alleen onderzoek."

"Dat weet ik."

"Ik bedoel — we moeten voorzichtig zijn met onszelf. Met wat het met ons doet."

Hij keek haar aan. In haar ogen zag hij dezelfde tweespalt die hij in zichzelf voelde. De wetenschapper die wilde meten, documenteren, begrijpen. En het andere deel — het deel dat de drempel had gevoeld en dat er terug wilde. Dat er wanhopig graag terug wilde.

"Ik weet het," zei hij.

Het vliegtuig vloog noordwaarts. Onder hen verschoof Europa langzaam van bruin naar groen. Ergens in de verte lag Nederland, lag Leiden, lag zijn kantoor met de stapels ongelezen tijdschriften en het uitzicht op het Rapenburg. Lag zijn leven.

Maarten sloot zijn ogen. De echo was er nog. Zwak nu, als een toon die net buiten het bereik van het gehoor lag. Maar aanwezig. Onmiskenbaar aanwezig.

Er is geen weg terug, dacht hij. Niet omdat iemand de weg blokkeert. Maar omdat ik nu weet dat er meer is. En je kunt niet doen alsof je dat niet weet. Je kunt niet terug naar de wereld van daarvoor. Niet echt.

Het onderzoek was niet langer academisch.

Het was persoonlijk.

Ergens boven Frankrijk viel hij in een onrustige slaap. Hij droomde niet van drempels of kelders of verdwenen monniken. Hij droomde van Lotte. Ze stond in een deuropening en keek hem aan met die blik die ze had als ze iets begreep wat hij nog niet had uitgesproken, die blik die te oud was voor haar vijftien jaar. Ze zei niets. Ze stond alleen maar in de deuropening en keek naar hem terwijl hij weg liep.

De deuropening had geen deur.

En achter haar was niets — geen kamer, geen huis, geen ruimte. Alleen meer.