De Drempel van Hermes
Proloog – De Stilte
De lucht was anders hier beneden.
Niet muf, niet vochtig, niet zwaar van verval zoals je zou verwachten in een ruimte die eeuwenlang verzegeld was geweest. Het was iets anders. Iets wat geen naam had in welke taal dan ook die hij kende — en hij kende er vele.
De fakkel in zijn hand wierp schaduwen die niet klopten. Ze vielen de verkeerde kant op, te lang, te scherp, alsof het licht zelf aarzelde om de muren te raken. Hij bleef staan. Ademde in. De lucht smaakte naar steen en naar iets ouders dan steen. Naar tijd zelf, als tijd een smaak had.
De stilte was niet leeg. Ze was aandachtig.
Hij voelde het onmiddellijk. Dit was geen gewone stilte, geen afwezigheid van geluid. Dit was een stilte die luisterde. Die registreerde. Die wachtte. Alsof de ruimte zelf een bewustzijn had en hij zojuist het voorwerp van haar aandacht was geworden.
De kamer was rond. Dat zag hij nu, terwijl zijn ogen zich aanpasten aan het spel van licht en misleiding. De wanden waren glad — te glad voor wat handwerk uit de oudheid had kunnen bereiken. Geen beitelslagen. Geen voegen. Het gesteente leek gegoten, of gegroeid, als het binnenste van een reusachtige geode. In het midden van de vloer lag een mozaïek van symbolen die hij niet herkende, en dat verontrustte hem meer dan hij wilde toegeven.
Hij kende Sumerisch. Egyptisch hiëratisch. Lineair A en B. Maar dit — dit was iets anders. De symbolen leken te bewegen in zijn perifere zicht, zich te herschikken zodra hij zijn blik verplaatste. Onmogelijk, dacht hij. Een optische illusie. Niets meer.
Maar zijn handen trilden.
Hij deed een stap naar voren en de akoestiek veranderde. Niet geleidelijk, niet subtiel. Van het ene moment op het andere klonk zijn voetstap anders — voller, rijker, alsof de ruimte om hem heen plotseling groter was geworden zonder dat de muren waren bewogen. Hij slikte. Het geluid van zijn eigen speeksel echode alsof hij in een kathedraal stond.
Langs de randen van het mozaïek ontdekte hij een inscriptie. Eén enkele regel, herhaald in een spiraal die naar het centrum leidde. De letters waren Grieks — eindelijk iets wat hij kon lezen — maar de woorden sloegen nergens op. Of overal op.
Wat gezien wordt, is niet wat is. Wat is, wordt niet gezien. De drempel ligt in het midden.
Hij las het drie keer. Bij de derde keer voelde hij iets verschuiven. Niet in de kamer. Niet in de lucht. In zijn waarneming. Alsof iemand een lens voor zijn ogen had geschoven die hij niet kon zien maar waarvan hij het effect onmiskenbaar registreerde. De schaduwen werden dieper. De symbolen op de vloer leken nu zwak te gloeien, een fosforescerend blauw dat geen enkele natuurlijke verklaring had.
Hij wist wat dit was. Niet rationeel — rationeel was dit onmogelijk. Maar ergens in een ouder, dieper deel van zijn brein wist hij het. De oude teksten hadden het beschreven. De hermetische geschriften. De verboden passages uit de Corpus Hermeticum die geen enkele academicus serieus nam.
Een overgangszone.
Niet naar een andere wereld. Niet naar een andere tijd. Naar een andere toestand van dezelfde werkelijkheid. Een plek waar de grenzen van perceptie dunner werden, waar de ruimte zich anders gedroeg, waar dingen niet verdwenen maar ontoegankelijk werden voor wie niet wist hoe te kijken.
De stilte verdichtte zich. Ze werd bijna tastbaar, als fluweel tegen zijn huid. De fakkel flakkerde, hoewel er geen tocht was. De vlam boog zich naar het mozaïek toe, als een kompasnaald die haar noorden had gevonden.
Hij had zijn hele leven naar dit moment toegewerkt. Elke opgraving. Elk manuscript. Elke slapeloze nacht in stoffige archieven. Het had hem hier gebracht, naar deze vergeten ruimte onder de Peloponnesos, waar de werkelijkheid een deur had die al millennia op een kier stond.
Nu hoefde hij alleen nog maar over de drempel te stappen.
Zijn voet raakte het eerste symbool. De gloed intensiveerde. De stilte hield haar adem in.
En ergens, diep onder de steen, antwoordde iets.