Snøfallvik
Hoofdstuk 5 – De Eerste Nacht
Een week gaat voorbij. Dan twee.
Bram begint een ritme te vinden. Hij staat op als de schemering begint – dat korte moment van paars licht dat voor daglicht moet doorgaan. Hij ontbijt met brood van Margarethe en kaas uit de voorraadkamer. Hij werkt – hout hakken, sneeuw ruimen, helpen bij de haven als de vissers het nodig hebben. Hij eet 's avonds in de grote hal met de anderen. Hij gaat naar huis voordat het echt donker wordt.
Hij gaat nooit meer 's nachts naar buiten.
De figuren zijn er nog steeds. Elke nacht, als hij naar het raam kijkt, ziet hij ze. Soms zijn het er maar een paar. Soms zijn het er tientallen. Ze staan in de sneeuw, bewegingsloos, met hun gloeiende ogen gericht op zijn huis. Ze doen niets. Ze zeggen niets. Ze zijn er gewoon.
Bram went eraan. Hij zou niet moeten wennen aan iets dergelijks, maar hij doet het toch. De menselijke geest is wonderlijk in zijn vermogen om het onmogelijke te normaliseren.
Maar dan komt de nacht die alles verandert.
Het begint met de storm. Bram voelt hem al uren voordat hij komt – een druk in de lucht, een elektriciteit die zijn haren overeind doet staan. De vissers blijven die dag aan wal. De vrouwen halen hun kinderen binnen. Zelfs de honden – de paar magere beesten die door het dorp zwerven – kruipen weg in hoeken en weigeren naar buiten te komen.
"Een grote storm," zegt Erik als hij Bram die middag komt halen. Zijn gezicht staat bezorgd, bezorgder dan Bram hem ooit heeft gezien. "Blijf vannacht binnen. Wat je ook hoort. Wat je ook ziet. Blijf binnen."
"Wat komt er?"
Hij kijkt Bram aan met ogen die te oud zijn voor zijn gezicht. "De storm."
Meer zegt hij niet.
De wind begint rond zeven uur. Eerst is het maar een bries, een zacht ruisen door de straten. Maar binnen een uur is het een orkaan, een gebrul dat door de muren heen komt, dat de ramen doet rammelen in hun kozijnen, dat het hele huis lijkt te schudden op zijn fundamenten.
Bram zit bij de kachel, met een boek dat hij niet leest en een kop thee die allang koud is. De storm huilt om het huis. De sneeuw slaat tegen de ramen. En ergens daarbinnen – ergens in dat geloei van wind en ijs – hoort hij iets anders.
Stemmen.
Eerst denkt hij dat hij het zich verbeeldt. Het geluid van de wind kan van alles klinken als je lang genoeg luistert – gehuil, gefluister, gezang. Maar dit is anders. Dit zijn echte stemmen, echte woorden, in een taal die hij niet verstaat maar die ergens diep in hem iets raakt. Iets ouds. Iets dat hij niet wist dat hij had.
Bram staat op. Hij loopt naar het raam. Hij zou niet moeten kijken – Erik heeft het gezegd, Ingeborg heeft het gezegd, iedereen heeft het gezegd – maar hij kan het niet helpen. Hij moet het zien.
Hij trekt het gordijn opzij.
De sneeuw valt zo dicht dat hij eerst niets kan zien. Een muur van wit, verlicht door iets dat geen maanlicht is. Maar dan – dan breekt de wind even, een moment van stilte in de storm, en hij ziet ze.
Ze zijn met honderden.
Ze vullen de straat voor zijn huis, ze staan op de daken, ze zweven boven de grond. Figuren van licht en schaduw, van vlees en iets dat geen vlees is. Sommigen ziet hij duidelijk – vrouwen in oude jurken, mannen in visserskleding, kinderen die niet ouder zijn dan vijf of zes. Anderen zijn vager, contouren die oplossen en weer samenkomen, gezichten die veranderen elke keer dat hij knippert.
En ze bewegen.
Niet naar zijn huis – god zij dank niet naar zijn huis – maar door de straat, in een langzame processie richting de haven. Ze lopen, of drijven, of bewegen op een manier die geen naam heeft, en terwijl ze gaan zingen ze. Dat zijn de stemmen die hij hoorde, beseft hij nu. Niet de wind. Niet zijn verbeelding. De doden van Snøfallvik, zingend in de storm.
Hij zou het raam moeten sluiten. Hij zou naar bed moeten gaan. Hij zou zijn ogen moeten sluiten en wachten tot het voorbij is.
Maar dan ziet hij haar.
Ze loopt aan het einde van de processie, apart van de anderen, alsof ze niet helemaal bij hen hoort. Een vrouw, jong – jonger dan hij – met lang donker haar dat wappert in de wind en een jurk die wit is, zo wit dat hij bijna gloeit in de duisternis.
Ze kijkt naar hem.
De anderen letten niet op zijn huis, letten niet op de levenden, letten op niets behalve hun mysterieuze bestemming. Maar zij – zij stopt. Ze draait zich om. Ze kijkt recht naar zijn raam, recht naar hem, met ogen die geen kleur hebben, die alleen maar diepte zijn, eindeloze diepte.
En ze glimlacht.
Het is geen vriendelijke glimlach. Het is geen dreigende glimlach. Het is iets ertussenin, iets wat hij niet kan lezen, niet kan begrijpen. Ze heft haar hand. Ze wijst naar hem. En dan, zonder haar blik af te wenden, vormen haar lippen een woord.
Zijn naam.
Bram struikelt achteruit. Hij laat het gordijn vallen. Zijn hart bonst zo hard dat hij het in zijn keel kan voelen, in zijn slapen, in elke vezel van zijn lichaam. Ze kent zijn naam. Hoe kent ze zijn naam?
Er wordt op de deur geklopt.
Drie keer. Langzaam. Doelbewust.
Bram bevriest. Hij staat midden in zijn woonkamer, met zijn rug naar de deur, en hij durft zich niet om te draaien. De storm huilt. De stemmen zingen. En de drie klopjes echoën door zijn hoofd, steeds weer opnieuw.
Weer drie klopjes. Harder nu.
Hij zou niet moeten opendoen. Dat weet hij. Alles in hem schreeuwt dat hij niet moet opendoen. Maar zijn voeten bewegen al, dragen hem naar de deur, alsof ze niet meer van hem zijn. Alsof iemand anders ze bestuurt.
Bram legt zijn hand op de klink.
Drie klopjes. Zo hard dat de deur schudt.
Hij opent.
De storm slaat in zijn gezicht. De kou bijt in zijn huid. De sneeuw blaast naar binnen, bedekt de vloer, zijn schoenen, alles. Maar de drempel is leeg. Er is niemand.
Bram stapt naar buiten. Eén stap, niet meer. Genoeg om te zien, niet genoeg om te verdwalen. De straat voor zijn huis is leeg. De processie is weg. De figuren, de lichten, de vrouw met de witte jurk – allemaal verdwenen, opgelost in de storm alsof ze nooit hebben bestaan.
Maar er ligt iets op de stoep.
Een brochure.
Bram bukt zich om hem op te rapen. Het papier is droog, ook al ligt het in de sneeuw. Het is warm onder zijn vingers, warmer dan het zou moeten zijn. Op de voorkant staat dezelfde afbeelding als op de brochure die hij in Nederland vond – het ideale Snøfallvik, met rokende schoorstenen en spelende kinderen.
Maar de tekst is anders.
Welkom thuis, staat er. Je bent nu een van ons. Je bent altijd een van ons geweest.
Hij draait hem om. Op de achterkant staat een foto. Een oude foto, zwart-wit, met die wazige kwaliteit van iets dat minstens honderd jaar oud is. Het is een groepsportret – vissers die voor hun boten staan, vrouwen met kinderen op de arm, een dominee in een zwarte jas.
En achteraan, half verborgen achter de anderen, staat iemand die hij is.
Niet iemand die op hem lijkt. Niet iemand met dezelfde trekken, dezelfde houding, dezelfde blik. Hij. Precies hij, tot in de kleinste details, tot in de manier waarop zijn haar valt, de vorm van zijn oren, het minuscule litteken boven zijn wenkbrauw van toen hij vijf was en van de schommel viel.
De datum onderaan de foto: 1892.
Bram laat de brochure vallen. Hij struikelt naar binnen. Hij slaat de deur dicht, draait het slot om, schuift de grendel ervoor. Hij staat met zijn rug tegen het hout en zijn ademhaling komt in korte, scherpe stoten.
Het kan niet. Het is onmogelijk. Hij heeft de foto gezien, hij heeft zichzelf gezien, maar het kan niet waar zijn. Foto's liegen. Herinneringen liegen. Alles liegt behalve wat hij weet, wat hij zeker weet, wat hij—
Er wordt geklopt. Drie keer.
Ditmaal van binnenuit.
Bram draait zich om. De kamer is leeg. De kachel brandt. De lamp flikkert. Alles is zoals het was. Maar het kloppen kwam van ergens in het huis. Van ergens boven hem. Van de slaapkamer.
Hij zou moeten wegrennen. Hij zou naar buiten moeten gaan, de storm in, naar Erik of Maren of de dominee. Maar hij doet het niet. In plaats daarvan loopt hij naar de trap. Hij zet zijn voet op de eerste tree. Dan de tweede. Dan de derde.
Het kloppen is gestopt.
De trap kraakt onder zijn gewicht. De duisternis boven hem is compleet – hij is vergeten een lamp aan te laten, hij is vergeten alles behalve de angst die nu door zijn aderen pompt. Hij bereikt de overloop. De deur naar de slaapkamer is dicht. Daarachter is het stil.
Hij opent de deur.
De kamer is leeg. Het bed is opgemaakt zoals hij het heeft achtergelaten. Het raam is dicht, de gordijnen getrokken. Er is niets bijzonders, niets verkeerd, niets—
Behalve de spiegel.
Er hangt een spiegel aan de muur naast het bed. Oud, met een houten lijst die versierd is met snijwerk dat hij nooit goed heeft bekeken. Hij heeft er elke dag in gekeken zonder echt te zien. Maar nu ziet hij het.
Zijn reflectie beweegt niet.
Bram staat in de deuropening. Zijn reflectie staat midden in de kamer, met haar gezicht naar hem toe, met haar ogen – zijn ogen – gericht op de zijne. Ze glimlacht. Die glimlach die hij eerder zag, bij de vrouw in de processie. Die glimlach die niet vriendelijk is en niet dreigend, maar iets ertussenin.
Hij doet een stap naar voren. Zijn reflectie doet een stap achteruit.
Hij heft zijn hand. Zijn reflectie laat haar handen langs haar zij hangen.
"Wie ben je?" Zijn stem kraakt. Hij realiseert zich dat het de eerste keer is dat hij in uren heeft gesproken.
Zijn reflectie opent haar mond. Er komt geen geluid uit. Maar haar lippen bewegen, vormen woorden die hij niet kan horen maar die hij toch verstaat, ergens diep in hem, op een plek waar woorden geen woorden nodig hebben.
Ik ben jij. Ik ben altijd jij geweest. En jij bent altijd mij geweest.
"Ik begrijp het niet."
Dat komt nog. Geef het tijd. De winter is lang. De nacht is eeuwig. Er is genoeg tijd om te begrijpen.
Zijn reflectie doet nog een stap achteruit. En nog een. Ze loopt naar het raam, door het raam, verdwijnt in de duisternis erachter. De spiegel is weer normaal. Hij ziet zichzelf, precies zoals het zou moeten zijn, bewegend wanneer hij beweegt, stil wanneer hij stilstaat.
Bram gaat niet meer slapen die nacht.
Hij zit op de rand van zijn bed, met zijn ogen op de spiegel gericht, en hij wacht op de ochtend die niet wil komen. De storm woedt door, uren en uren, tot hij niet meer weet hoeveel tijd er is verstreken. Ergens halverwege hoort hij het gezang weer, ver weg nu, een echo van wat het was. Ergens tegen het einde hoort hij iets anders – een schreeuw, kort en scherp, ergens in het dorp. Dan stilte.
Als de schemering eindelijk aanbreekt, is de storm voorbij. De sneeuw ligt hoog opgestapeld tegen de huizen. De wind is gaan liggen. Alles is stil, zo stil dat hij zijn eigen gedachten kan horen.
Er wordt op zijn deur geklopt.
Bram schrikt op. Hij is in slaap gevallen, beseft hij, ergens in het laatste uur. Zijn nek is stijf. Zijn ogen branden. Zijn hele lichaam voelt alsof het door een wringer is gehaald.
Weer geklop. Drie keer. Hard en snel.
"Ja?" Zijn stem is schor. Hij kucht, probeert het opnieuw. "Ja? Wie is daar?"
"Erik. Laat me binnen. Alsjeblieft."
Bram strompelt de trap af. Hij opent de deur. Erik staat op de stoep, zijn gezicht bleek, zijn ogen rood alsof hij de hele nacht heeft gehuild.
"Wat is er?" vraagt Bram. "Wat is er gebeurd?"
Hij kijkt Bram aan met een blik die hij niet kan lezen. Dan zegt hij de woorden die alles veranderen.
"Maren is verdwenen."