Snøfallvik

Hoofdstuk 7 – De Tweede Dode

De groep vertrekt bij het eerste licht.

Ze zijn met vijf – Bram, Erik, Gunnar, een jongere visser genaamd Lars, en tot zijn verbazing Peder zelf. De dominee draagt geen habijt vandaag, alleen dikke kleding en stevige laarzen, en op zijn rug hangt een rugzak waarvan Bram niet wil weten wat erin zit.

De berg torent boven hen uit als ze het dorp verlaten. De Slagtertind, noemen ze hem. De Slachtberg. Van dichtbij is hij nog imposanter dan van veraf – een massieve rotswand bedekt met sneeuw en ijs, met hellingen zo steil dat Bram zich afvraagt hoe iemand daar ooit naar boven zou kunnen komen.

Maar Peder kent de weg.

"Er is een pad," zegt hij terwijl ze door het bos lopen dat de voet van de berg omringt. "Oud. Ouder dan het dorp. Sommigen zeggen dat het er al was voordat de eerste mensen hier kwamen."

"Wie heeft het dan gemaakt?" vraagt Bram.

Peder kijkt hem aan met een glimlach die geen glimlach is. "Dat is een goede vraag."

Het pad is moeilijk te vinden. Bram zou het gemist hebben als Peder hem niet de weg had gewezen – een smalle opening tussen twee rotsen, nauwelijks breed genoeg voor één persoon, die zich in duisternis verliest. Maar zodra ze erdoor zijn, wordt het pad duidelijker. Het kronkelt de berg op, soms zo steil dat hij zijn handen moet gebruiken om te klimmen, soms bijna vlak en breed genoeg voor twee naast elkaar.

De voetstappen zijn er nog steeds. Blote voeten in de sneeuw, vers genoeg om te volgen, leidend naar boven. Naar wat er ook maar boven is.

Na een uur klimmen bereiken ze een plateau. Het is klein – misschien tien meter in diameter – en omringd door rotsen die zo hoog zijn dat ze de hemel bijna blokkeren. In het midden staat iets.

Een altaar.

Het is gemaakt van steen, grijs en verweerd, met runen langs de zijkanten die Bram niet kan lezen. Het is oud – ouder dan alles wat hij ooit heeft gezien, ouder dan de kerken in Europa, ouder dan de piramides misschien. Het straalt een koude uit die niets met het weer te maken heeft.

En erop ligt Maren.

Erik rent naar voren voordat iemand hem kan tegenhouden. Hij valt op zijn knieën naast het altaar, grijpt Marens hand, roept haar naam. Maar ze reageert niet. Haar ogen zijn open, starend naar de hemel, en haar lippen zijn blauw van de kou. Ze is dood. Dat ziet Bram zelfs van afstand.

"Nee." Eriks stem breekt. "Nee, nee, nee—"

Bram loopt dichterbij. Hij wil niet, maar hij moet. Hij moet zien wat er is gebeurd.

Maren ligt op haar rug, met haar armen langs haar zij, alsof iemand haar zo heeft neergelegd. Haar jurk is wit – dezelfde jurk als in zijn droom, dezelfde jurk als de vrouw in de processie. Haar voeten zijn bloot. Er is geen bloed, geen wonden, geen enkel teken van geweld.

Maar haar gezicht. Haar gezicht is het ergste.

Ze glimlacht.

Die glimlach die Bram inmiddels zo goed kent. Die glimlach die niet vriendelijk is en niet dreigend, maar iets ertussenin. Die glimlach van iemand die iets weet wat hij niet weet. Die glimlach van iemand die eindelijk thuis is gekomen.

"We moeten haar meenemen." Erik staat op, zijn gezicht nat van tranen. "We moeten haar terug naar het dorp brengen. Ze verdient een begrafenis. Ze verdient—"

"Wacht." Peder loopt naar het altaar. Hij bestudeert het met aandacht, zijn vingers glijdend over de runen, zijn lippen bewegend in wat lijkt op gebed. "Er is iets anders. Kijk."

Hij wijst naar de grond naast het altaar. Daar, in de sneeuw die blijkbaar nooit smelt op deze plek, zijn meer voetstappen. Niet alleen die van Maren. Tientallen voetstappen, honderden misschien, allemaal bloot, allemaal leidend naar het altaar en dan... nergens heen.

Ze stoppen gewoon. Midden in de sneeuw. Alsof degenen die ze maakten in rook zijn opgegaan.

"De processie," zegt Bram zachtjes. "Ze komen hier. Elke storm."

Peder knikt langzaam. "Dit is de plek. De oorsprong. Waar het allemaal begon."

"Wat begon? Wat is dit?"

De dominee kijkt Bram aan. Zijn ogen zijn donkerder dan hij ze ooit heeft gezien. "Dit is waar ze komen om zich te voeden. Waar de levenden worden aangeboden aan wat hier leeft. Waar—"

Hij stopt abrupt. Zijn hoofd draait naar links, naar de rotsen die het plateau omringen. Zijn hele lichaam verstijft.

"Wat is er?" vraagt Bram.

"Stil."

Bram luistert. Eerst hoort hij niets – alleen de wind die door de rotsen giert, het gekraak van sneeuw onder hun voeten, de gedemde snikken van Erik. Maar dan, langzaam, hoort hij het ook.

Gezang.

Het komt van overal tegelijk. Uit de rotsen, uit de lucht, uit de grond onder zijn voeten. Een melodie die geen melodie is, woorden in een taal die geen taal is. Hetzelfde gezang als in de storm, maar dichterbij nu. Veel dichterbij.

"We moeten gaan." Gunnars stem is scherp, dringend. "Nu."

"Maar Maren—" begint Erik.

"Ze is al weg." Gunnar grijpt Eriks arm. "Wat daar ligt is niet meer Maren. En als we niet snel zijn, zijn wij de volgende."

Het gezang wordt luider. De schaduwen tussen de rotsen lijken te bewegen, te kronkelen, dichter te worden. Bram voelt iets – een druk in de lucht, een gewicht op zijn schouders, een stem die in zijn hoofd fluistert: blijf, blijf, blijf.

"Rennen!" schreeuwt Peder.

Ze rennen.

Het pad naar beneden is steiler dan Bram zich herinnert. De sneeuw glijdt weg onder zijn voeten. Meer dan eens valt hij, rolt hij, krabbelt hij weer overeind. Het gezang achtervolgt hen, wordt luider, komt dichterbij.

En dan begint Lars te schreeuwen.

Bram draait zich om. Lars, de jongste van de groep, staat midden op het pad, zijn lichaam verstijfd, zijn ogen wijd open. Hij kijkt niet naar hen. Hij kijkt naar iets achter hen, iets dat Bram niet kan zien.

"Lars!" Gunnar rent terug. "Lars, kom!"

Maar Lars beweegt niet. Zijn mond opent en sluit, vormt woorden die Bram niet kan horen. Zijn handen beven. Zijn hele lichaam trilt alsof hij een aanval heeft.

En dan, zo plotseling als het begon, ontspant hij. Zijn schouders zakken. Zijn hoofd kantelt naar één kant. En hij glimlacht.

Die glimlach.

"Lars?" Gunnars stem is zacht nu, voorzichtig. "Ben je—"

Lars draait zich om. Hij kijkt niet naar Gunnar. Hij kijkt naar Bram. Dwars door hem heen, naar iets dat diep in hem zit, iets dat hij niet eens wist dat hij had.

"Ze wachten," zegt hij. Zijn stem is niet meer de zijne. Het is een koor van stemmen, oude stemmen, stemmen die al eeuwen dood zijn. "Ze hebben altijd gewacht. En nu—" hij doet een stap naar voren "—nu is het tijd."

Peder komt naast Bram staan. Hij houdt iets vast – een crucifix, ziet hij nu, oud en houten, met inscripties in dezelfde runen als op het altaar. Hij heft het voor zich uit.

"In de naam van alles wat heilig is," zegt hij. Zijn stem trilt niet. "Laat deze man gaan. Hij is niet van jullie. Hij is niet—"

Lars lacht. Het is een geluid dat Bram nooit zal vergeten – een geluid dat niet uit een menselijke keel zou moeten komen, een geluid dat de rotsen doet schudden en de sneeuw doet trillen.

"Heilig?" Het koor van stemmen wordt luider. "Er is niets heiligs in dit land. Er is alleen wij. Er is alleen de winter. Er is alleen—"

Lars valt.

Het gebeurt in een fractie van een seconde. Het ene moment staat hij, lachend met die onmenselijke lach. Het volgende moment ligt hij in de sneeuw, bewegingsloos, met ogen die weer normaal zijn – en helemaal leeg.

Gunnar knielt naast hem. Hij voelt aan zijn hals. Hij luistert naar zijn borst. Dan kijkt hij op naar de rest van de groep met een gezicht dat alles zegt.

"Hij is dood."

De terugkeer naar het dorp is een waas.

Bram herinnert zich flarden. Het gewicht van Lars' lichaam op een geïmproviseerde brancard. De stilte van Erik, die niet meer huilt, die helemaal niets meer doet behalve lopen. De gebeden van Peder, gemompeld in een taal die hij niet verstaat. De blik van Gunnar, oud en vermoeid en op een bepaalde manier niet verbaasd.

Hij herinnert zich de gezichten van de dorpelingen als ze aankomen. De vrouwen die beginnen te huilen. De mannen die hun hoofden buigen. De kinderen die naar binnen worden gehaald, weg van het zicht van de dood.

Hij herinnert zich de vragen. Wat is er gebeurd? Waar hebben jullie haar gevonden? Wat is er met Lars gebeurd? Vragen die ze beantwoorden met halve waarheden en hele leugens, omdat de volledige waarheid te veel is om uit te spreken.

Bram herinnert zich de nacht die volgt. Alleen in zijn huis, met de gordijnen dicht en de deur op slot, luisterend naar de stilte die geen stilte is. De stilte die vol is met gefluister, met beloftes, met stemmen die zijn naam kennen.

Twee doden in twee dagen. Maren, die de storm volgde naar de berg. Lars, die iets zag wat hij niet had moeten zien.

En Bram is nog steeds hier. Nog steeds levend. Nog steeds—

Er wordt geklopt.

Bram schrikt op. Het is diep in de nacht – hij weet niet hoe laat, er zijn geen klokken in dit huis, alleen het ritme van duisternis en schemering. Het kloppen komt van de deur. Drie keer. Langzaam.

Hij beweegt niet.

Weer drie klopjes. Harder.

"Wie is daar?" Zijn stem is schor. Hij heeft de hele dag niet gesproken.

Stilte. Dan, zacht, bijna onhoorbaar: "Laat me binnen."

Het is Marens stem.

Brams hart slaat over. Hij staat op, loopt naar de deur, legt zijn hand op de klink. Hij zou niet moeten opendoen. Hij weet dat hij niet moet opendoen. Maren is dood, hij heeft haar lichaam gezien, hij heeft haar glimlach gezien—

"Alsjeblieft." Haar stem is dichtbij nu, alsof ze haar lippen tegen het hout heeft gedrukt. "Het is zo koud. Ik wil alleen maar binnen zijn. Ik wil alleen maar—"

"Je bent dood." De woorden komen er harder uit dan hij bedoelt. "Je bent dood, Maren. Ik heb je gezien."

Een stilte. Lang. Te lang.

Dan lacht ze. Het is niet de lach die Bram zich herinnert, de warme lach van de vrouw die tegenover hem zat in de grote hal. Het is een andere lach. Een oudere lach. Een lach die eeuwen heeft gelachen.

"Dood?" fluistert ze. "Er is geen dood in Snøfallvik. Alleen transformatie. Alleen—"

Bram haalt de klink van de deur. Hij duwt zijn schouder ertegenaan, voor de zekerheid. Zijn hart bonst zo hard dat hij het in zijn keel kan voelen.

Het kloppen stopt.

De stem stopt.

Alles stopt.

Bram blijft de rest van de nacht bij de deur staan. Hij beweegt niet. Hij slaapt niet. Hij wacht alleen maar tot de ochtend komt – de ochtend die het enige is wat de nacht kan verdrijven.

Als de schemering eindelijk breekt, kijkt hij door het raam.

Er zijn voetstappen in de sneeuw. Ze leiden van zijn deur naar het midden van de straat. Daar stoppen ze. Alsof degene die ze maakte in rook is opgegaan.

En naast de laatste voetstap ligt iets.

Een brochure.

Bram opent de deur. Hij bukt zich om hem op te rapen. Het papier is warm, net als de vorige keer. Op de voorkant staat hetzelfde beeld – het ideale Snøfallvik, vol leven en geluk en beloftes die niemand kan houden.

Maar de tekst is anders.

Je kunt niet ontsnappen, staat er. Je kon nooit ontsnappen. Maar maak je geen zorgen. De winter is lang. De nacht is eeuwig. En wij hebben alle tijd van de wereld om te wachten.

Bram verfrommelt de brochure. Hij gooit hem in de sneeuw. Hij gaat naar binnen en sluit de deur.

Maar hij weet dat het niet uitmaakt.

De brochures zullen blijven komen.

De stemmen zullen blijven roepen.

En uiteindelijk, op een nacht die niet anders is dan alle andere, zal hij opendoen.